Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 68 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties x
Annotatie

Administratief Tribunaal van de Internationale Arbeidsorganisatie dringt zorgplicht op aan Internationaal Strafhof: werkneemsters van het Strafhof mogen flexibel werken om borstvoeding te kunnen geven

ILOAT 28 juni 2017, nr. 3861 (A.L.G./International Criminal Court)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2018
Trefwoorden Flexibele arbeidsomstandigheden, Borstvoeding, Internationaal Strafhof, Administratief Tribunaal van de Internationale Arbeidsorganisatie, Zorgplicht
Auteurs Prof. dr. P. Foubert en Drs. F. De Cock
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Administratief Tribunaal van de Internationale Arbeidsorganisatie buigt zich over geschillen met werknemers van internationale organisaties. Dit Tribunaal komt twee tot drie keer per jaar samen in Genève om deze geschillen te beslechten. Immers, internationale organisaties genieten verregaande immuniteiten en beschikken over een eigen juridisch kader om de arbeidsrelatie met hun werknemers te regelen. Deze werknemers kunnen niet terecht bij een nationale rechter.
    Het Tribunaal oordeelde dat wanneer een werkneemster tijdelijk flexibele arbeidsomstandigheden vraagt om haar baby borstvoeding te kunnen geven, de internationale organisatie dit niet zonder meer mag weigeren. Doet de internationale organisatie (het Internationaal Strafhof) dat wel, dan wordt het zorgplichtprincipe geschonden. Volgens dit principe moeten internationale organisaties hun werknemers met de nodige zorg en aandacht behandelen teneinde hen onnodig leed te besparen.


Prof. dr. P. Foubert
Prof. dr. P. Foubert studeerde rechten aan de universiteiten van Antwerpen (kandidaat 1991), Leuven (licentiaat 1994, doctor 2001) en Harvard (LL.M. 1999). Zij is hoogleraar aan de Universiteit Hasselt, waar zij ‘Beginselen van het recht’ en ‘Advanced Social Law’ doceert. In haar onderzoek heeft professor Foubert bijzondere aandacht voor de gelijke behandeling in de arbeidsrelatie. Naast haar academische loopbaan is zij eveneens werkzaam als advocaat aan de balie van Leuven.

Drs. F. De Cock
Drs. F. De Cock was de voorbije jaren werkstudent aan de faculteit Rechten van de UHasselt. In 2017 behaalde hij er zijn masterdiploma in de rechten (afstudeerrichting Rechtsbedeling). Sindsdien bereidt hij in de eenheid Sociaal recht een doctoraat voor in het domein van het ‘recht van internationale organisaties’. Bijzondere aandacht gaat hierbij uit naar de rechtspositie van werknemers die bij internationale organisaties zijn tewerkgesteld, meer bepaald vanuit sociaalrechtelijk perspectief. F. De Cock is vooral geïnteresseerd in de werking van internationale administratieve tribunalen, waaronder het Administratief Tribunaal van de Internationale Arbeidsorganisatie.
Annotatie

Het autonome ontslagbegrip in Richtlijn 98/59: inclusief de wijziging?

HvJ EU 21 september 2017, C-149/16, ECLI:EU:C:2017:708 (Socha e.a.) en C-429/16, ECLI:EU:C:2017:711 (Ciupa e.a.)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2018
Trefwoorden Richtlijn 98/59, Collectief ontslag, Europees ontslagbegrip, Socha e.a., Ciupa e.a.
Auteurs Dr. N. Gundt
SamenvattingAuteursinformatie

    Richtlijn 98/59 omtrent collectief ontslag ziet blijkens de in deze annotatie besproken arresten niet alleen op een ‘ontslag’ in strikte zin, maar onder omstandigheden ook op een wijziging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. De auteur analyseert of en in hoeverre de arresten toepasbaar zijn op het stelsel van (collectief) ontslag en wijziging in het Nederlandse alsmede het Duitse, Franse en Belgische recht.


Dr. N. Gundt
Dr. N. Gundt is universitair docent Arbeidsrecht aan Maastricht University.
Artikel

Eerst Enerco en Amsta, en nu de praktijk

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Staking, Loondoorbetaling, Recente cassatierechtspraak, Toetsing aan alle relevante omstandigheden, Consequenties voor de praktijk
Auteurs prof. Rogier A.A. Duk
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteur behandelt op basis van zijn ervaringen als advocaat in stakingszaken de praktische consequenties van de arresten van de Hoge Raad uit 2014 (Enerco) en 2015 (Amsta) en tracht af te wegen tot welke voor- en nadelen de omslag in de jurisprudentie kan leiden.


prof. Rogier A.A. Duk
Prof. R.A.A. Duk is advocaat/partner bij BarentsKrans.
Artikel

Billijke vergoeding: over karakter, begroting en artikel 6 EVRM

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2017
Trefwoorden Billijke vergoeding, Begroting, Artikel 6 EVRM, Punitief
Auteurs mr. dr. Vivian Bij de Vaate en mr. dr. Pascal Kruit
SamenvattingAuteursinformatie

    De billijke vergoeding heeft sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid een prominente plaats gekregen in het ontslagrecht. In deze bijdrage voorzien de auteurs de billijke vergoeding van een nadere analyse. Aan bod komen onder andere het karakter van de billijke vergoeding, denkbare begrotingsmethodieken, jurisprudentieanalyse en een kanttekening vanuit het oogpunt van artikel 6 EVRM bij de (mede) punitieve billijke vergoeding.


mr. dr. Vivian Bij de Vaate
Mr. dr. D.M.A. Bij de Vaate is universitair docent Arbeidsrecht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en daarnaast professional support lawyer bij BakerMcKenzie te Amsterdam. Tevens is zij redacteur en redactiesecretaris van Arbeidsrechtelijke Annotaties.

mr. dr. Pascal Kruit
Mr. dr. P. Kruit is advocaat bij Ten Holter Noordam advocaten te Rotterdam en daarnaast universitair docent Arbeidsrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Jurisprudentie

Tegen de wet

HvJ EU 19 april 2016, C-441/14, ECLI:EU:C:2016:278, JAR 2016/132 (Ajos/Rasmussen)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2016
Trefwoorden Contra legem, Algemene beginselen
Auteurs Mr. Peter Vas Nunes
SamenvattingAuteursinformatie

    In april van dit jaar wees het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest in de zaak Rasmussen. Hoewel het arrest is gewezen door de Grote Kamer, brengt het weinig dat echt nieuw is. Het arrest biedt wel een goede gelegenheid om in te gaan op een aantal leerstukken die van belang zijn voor beoefenaars van het arbeidsrecht, zoals die met betrekking tot de richtlijnconforme uitleg van nationaal recht en het buiten toepassing laten van dat recht op grond van algemene beginselen van Unierecht.


Mr. Peter Vas Nunes
Mr. P. Vas Nunes is als advocaat en partner verbonden aan BarentsKrans.
Jurisprudentie

Overgang van onderneming in de luchtvaartsector – with arms wide open?

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2016
Trefwoorden Overgang van onderneming, Luchtvaartsector, Verwijzingsplicht, Staatsaansprakelijkheid, Onrechtmatige rechtspraak
Auteurs Mr. dr. Iris Haanappel-van der Burg
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zaak Ferreira da Silva e Brito e.a./Estado português heeft het Hof van Justitie in het kader van overgang van onderneming expliciet de luchtvaartsector als kapitaalintensieve sector aangewezen. Hoe verhoudt het arrest zich tot het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam over de overgang van de passagedivisie van Martinair naar KLM? Daarnaast heeft het Hof van Justitie voor het eerst direct de rechterlijke macht aangesproken wegens het niet voldoen aan de verwijzingsplicht, reden waarom het arrest een landmark judgement is genoemd. Ten slotte heeft het Hof van Justitie zich uitgelaten over staatsaansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak, waarbij het maar zeer de vraag is of de hoge Nederlandse aansprakelijkheidsdrempel de door het Hof van Justitie herhaalde toets kan doorstaan.


Mr. dr. Iris Haanappel-van der Burg
Mr. dr. I. Haanappel-van der Burg is universitair docent Arbeidsrecht aan de Universiteit Leiden.
Jurisprudentie

Het Nederlandse collectieve actierecht (echt) op Europese leest geschoeid

HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1687, NJ 2015/438 (Abvakabo/Stichting Amsta)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2016
Trefwoorden Stakingsrecht, Collectieve actie, Enerco, Amsta, Gezichtspunten
Auteurs Mr. R. Hansma
Auteursinformatie

Mr. R. Hansma
Mr. R. Hansma is docent Sociaal recht en buitenpromovendus aan de Universiteit Leiden.
Artikel

Procedurele bescherming bij de procedure tot toestemming voor ontslag door het UWV of de cao-ontslagcommissie: is hierbij procedurele rechtvaardigheid gewaarborgd?

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2016
Trefwoorden toestemming opzegging, UWV, Cao-ontslagcommissie, Procedurele beginselen, rechtsbescherming
Auteurs Mr. dr. I. Van der Helm
Auteursinformatie

Mr. dr. I. Van der Helm
Mr. dr. I. van der Helm is universitair docent Arbeidsrecht en Sociaal beleid aan de Universiteit Utrecht.
Jurisprudentie

Privaatrechtelijke handhaving door de Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2015
Trefwoorden Privaatrechtelijke handhaving, Sociale partners, Uitzendsector, Schadevergoeding, Boetebeding
Auteurs Mr. dr. M. Kullmann
Auteursinformatie

Mr. dr. M. Kullmann
Mr. dr. M. Kullmann is universitair docent Sociaal recht aan de Universiteit van Maastricht.
Artikel

Opvolgend werkgeverschap en anciënniteit

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2015
Trefwoorden Opvolgend werkgeverschap, Anciënniteit, Ratio, Draaideurconstructie
Auteurs Mr. S. Palm
Auteursinformatie

Mr. S. Palm
Mr. S. Palm is advocaat bij Ploum Lodder Princen.
Artikel

Contouren van een nieuwe wettelijke regeling van het concurrentiebeding

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 4 2015
Trefwoorden Rechtsvergelijking, Relatiebeding, Concurrentiebeding, Temporeel bereik, Bijzondere bedingen
Auteurs Prof. A.R. Houweling
Auteursinformatie

Prof. A.R. Houweling
Prof. A.R. Houweling is hoogleraar Arbeidsrecht aan de Erasmus School of Law.
Jurisprudentie

Collectieve acties uit solidariteit, als correlarium van de vrijheid van collectief overleg (artikel 6 ESH) en van de vrijheid van vakvereniging (artikel 11 EVRM)

HR 31 oktober 2014, JAR 2014/298 (Enerco)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2015
Trefwoorden Staking, Enerco, Solidariteit, Euopees Sociaal Handvest, EVRM
Auteurs F. Dorssemont
SamenvattingAuteursinformatie

    HR 31 oktober 2014, JAR 2014/298 (Enerco)
    In 2014 dienden twee hoge rechtscolleges een uitspraak te doen over de rechtmatigheid van collectieve acties die in het teken stonden van solidariteit. Het meest recente arrest is van Hollandse bodem. Op 31 oktober 2014 sprak de Hoge Raad zich uit over de voorziening in cassatie die FNV Bondgenoten en de vakvereniging Het Zwarte Korps inleidden tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Nagenoeg acht maanden eerder diende het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich uit te spreken over de vraag of de Britse wettelijke bepalingen die solidariteitsstakingen (secondary actions) verboden een aantasting inhielden van de door artikel 11 EVRM gewaarborgde vrijheid van vakvereniging. In deze bijdrage wordt het arrest van de Hoge Raad geanalyseerd en geduid. Het Enerco-arrest wordt in drievoud gecontextualiseerd. De eerste contextualisering is van rechtsvergelijkende aard. In een tweede beweging wordt onderzocht hoe de door de Hoge Raad gegeven interpretatie van artikel 6 ESH zich verhoudt tot de ‘jurisprudentie’ (lees: de conclusies van het Europees Comité voor Sociale Rechten) en met enkele spraakmakende commentaren van het Europees Sociaal Handvest in verband met de rechtspositie van de uit solidariteit gevoerde collectieve actie. Tot slot wordt het Enerco-arrest geconfronteerd met het arrest RMT/VK


F. Dorssemont
F. Dorssemont is hoogleraar aan de UCLouvain (België).
Hoofdartikel

De systematiek van bewuste roekeloosheid als schuldcriterium bij arbeidsrechtelijke aansprakelijkheidskwesties

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2014
Trefwoorden Bewuste roekeloosheid, Werkgeversaansprakelijkheid, Werknemersaansprakelijkheid, Goed werkgeverschap, Verzekeringsplicht
Auteurs Mr. Bjorn Schouten
SamenvattingAuteursinformatie

    Dit artikel stelt de vraag centraal of aan het gebruik van bewuste roekeloosheid als criterium voor eigen schuld van de werknemer een ‘arbeidsrechtelijke’ benadering ten grondslag ligt. In de verschillende contexten waarin het begrip ‘bewuste roekeloosheid’ in het civiele arbeidsrecht wordt gebruikt, heeft de Hoge Raad aan bewuste roekeloosheid dezelfde beperkte uitleg gegeven. Voor deze uitleg heeft de Hoge Raad leentjebuur gespeeld bij het vervoerrecht en het verzekeringsrecht. Gezien de verschillende grondslagen van deze rechtsgebieden, is de vraag of dit terecht is gerechtvaardigd. Binnen het arbeidsrecht zelf kan worden betwijfeld of de verschillende ratio’s die aan de regelingen voor werkgevers- en werknemersaansprakelijkheid ten grondslag liggen een gelijke benadering van eigen schuld van de werknemer rechtvaardigen. Daarnaast leidt het bestaan van ‘directe’ en (middels een verzekeringsplicht) ‘indirecte’ aansprakelijkheid van de werkgever tot vragen over de juiste benadering van de eigen schuld van de werknemer.


Mr. Bjorn Schouten
Mr. B. Schouten is advocaat bij Boontje Advocaten in Amsterdam.
Hoofdartikel

De binding van werkgevers aan collectieve arbeidsovereenkomsten

Enkele beschouwingen over juridische factoren die binding bevorderen of verzwakken

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2014
Trefwoorden cao, alternatieve binding, vakbonden, rechtsvergelijking, representativiteit
Auteurs Prof. F. Dorssemont
SamenvattingAuteursinformatie

    De dekkingsgraad (vertaling van coverage) van cao's wordt gedefinieerd als de verhouding van het aantal werknemers dat gebonden is aan een cao tot het geheel van de werkende bevolking. In deze bijdrage beperk ik me tot een analyse van de juridische factoren die de binding van werkgevers bevorderen dan wel bemoeilijken. De volgende nationale rechtsordes worden in het onderzoek op systematische wijze betrokken: België, Nederland, Italië, Frankrijk en Duitsland. De problematiek van de binding aan (Europese) cao's wordt eveneens onderzocht binnen de rechtsorde van de Europese Unie.
    Het klassieke scenario van cao-binding (door een cao te sluiten dan wel door lidmaatschap van een ondertekenende werkgeversorganisaties) kan worden bevorderd door een verplichting voor werkgevers in te bouwen om tot onderhandelingen over te gaan. Omgekeerd kan de toegang tot de onderhandelingstafel worden belemmerd door aan werkgeversorganisaties representativiteitseisen op te leggen. Voor het klassieke bindingsscenario bestaan in een aantal nationale rechtsordes enkele ‘alternatieven’. Deze alternatieven leiden ertoe dat een werkgever die noch aan de onderhandelingen heeft deelgenomen, noch aangesloten is bij een onderhandelende organisatie alsnog verplicht wordt bepaalde cao-bepalingen toe te passen. De vraag of een gebondenheid (aan een sectorale of intersectorale cao) die niet op de wilsuiting van de werkgever berust per se strijdig is met de (negatieve) vakverenigingsvrijheid, komt aan bod. In de slotbeschouwingen wordt onderzocht welke 'alternatieven' dienstig kunnen zijn om de dekkingsgraad op te voeren.


Prof. F. Dorssemont
Prof. F. Dorssemont is hoogleraar Arbeidsrecht aan de Universiteit catholique de Louvain (België)
Jurisprudentie

De reikwijdte van de geheimhoudingsplicht

Tussen loyaliteit en klokkenluiden staan wetten in de weg en praktische bezwaren

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2013
Trefwoorden geheimhouding, klokkenluiden, vrijheid van meningsuiting, Wft, belangenconflict
Auteurs A.M. Helstone
SamenvattingAuteursinformatie

    De geheimhoudingsplicht is verbonden met loyaliteit en discretie. Bij schending van deze plicht rijst de vraag of een werknemer recht heeft op klokkenluidersbescherming. Hoofdregel is dat de werknemer eerst intern misstanden aan de orde moet stellen bij een leidinggevende of een andere competente autoriteit of competent orgaan.
    De Hoge Raad heeft zich nu voor het eerst expliciet uitgelaten over een mogelijke uitzondering als duidelijk is dat een interne melding geen effect zal hebben. Die uitzondering doet zich voor als de directie zelf op de hoogte is van de misstand. In cassatie had de werknemer zich ook nog beroepen op interne en wettelijke regels. Tegen deze achtergrond gaat de auteur na wat de reikwijdte van de uitzondering in dit geval is. Haar conclusie is dat een rechtvaardiging voor schending van geheimhouding nog steeds niet snel mag worden aangenomen.


A.M. Helstone
Mw. mr. drs. A.M. Helstone is advocaat en partner bij Stibbe te Amsterdam.
Hoofdartikel

Uniform of gedifferentieerd arbeidsrecht

Een nationaal en rechtsvergelijkend onderzoek naar de rechtvaardiging en toekomst van bijzondere arbeidsverhoudingen

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2013
Trefwoorden bijzondere arbeidsverhoudingen, uniform, differentiatie, rechtsvergelijking, gelijkheidsbeginsel, kwalificatievraag
Auteurs Prof. mr. dr. A.R. Houweling en Mr. dr. G.W. van der Voet
SamenvattingAuteursinformatie

    In 1907 heeft de wetgever bewust gekozen voor een uniforme wettelijke regeling inzake de arbeidsovereenkomst. Een gedifferentieerd stelsel van afzonderlijke arbeidsrechtelijke regelingen voor bijzondere beroepsgroepen werd uitdrukkelijk van de hand gewezen. Zo’n stelsel zou namelijk slechts aanleiding geven tot afbakeningsproblemen en rechtsonzekerheid. Inmiddels heeft zich evenwel – niettegenstaande dit uitgangspunt − een ‘waaier’ aan bijzondere arbeidsverhoudingen ontwikkeld. Gezien de parlementaire geschiedenis van de huidige wettelijke regeling in titel 7.10 van het Burgerlijk Wetboek, zou men verwachten dat het creëren (of handhaven) van afwijkende regelingen voor bepaalde arbeidsverhoudingen uitdrukkelijk door de wetgever is/wordt gemotiveerd en dat aan de vormgeving van dergelijke bijzondere arbeidsverhoudingen bewuste keuzes en/of principes ten grondslag liggen. In dit artikel onderzoeken de auteurs welke bijzondere arbeidsverhoudingen er zijn en in hoeverre daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. In het tweede deel van dit onderzoek analyseren de auteurs de trends en ontwikkelingen van bijzondere arbeidsverhoudingen in de Europese Unie. De auteurs concluderen dat voor een groot aantal bijzondere arbeidsverhoudingen geen rechtvaardigingsgronden (meer) bestaan. Voorts concluderen de auteurs dat ook in het buitenland geen rechtvaardigingsgronden zijn aangetroffen voor onderscheidingen in arbeidsrechtelijke regelingen. Zij wijzen erop dat bepaalde ontwikkelingen in het buitenland – met name ingegeven vanuit het gelijkheidsbeginsel en EU-recht – laten zien dat eerder een verregaande uniformering in plaats van verdergaande differentiatie valt te verwachten. Het gebruik van open normen – zoals in Nederland het geval is – zal in deze ontwikkeling een belangrijke rol spelen.


Prof. mr. dr. A.R. Houweling
Prof. mr. dr. A.R. Houweling is hoogleraar arbeidsrecht aan de Erasmus School of Law.

Mr. dr. G.W. van der Voet
Mw. mr. dr. G.W. van der Voet is universitair docent aan de Erasmus School of Law en arbeidsrechtadvocaat bij AKD.
Jurisprudentie

Derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid in het arbeidsrecht

HR 22 juni 2012, JAR 2012/189, NJ 2012, 396 (ABN AMRO/werknemer)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2013
Trefwoorden beperkende werking, redelijkheid en billijkheid, vervaltermijn, BBA
Auteurs Prof. mr. C.J.H. Jansen en Mr. J.E. Jansen
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteurs gaan in op de betekenis van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid voor het arbeidsrecht. Zij doen dit aan de hand van de uitspraak van de Hoge Raad in ABN AMRO/werknemer, waarin het college voor het eerst overweegt dat een beroep van de werkgever op de vervaltermijn van zes maanden in artikel 9 lid 3 BBA op grond van de specifieke omstandigheden van het geval naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Tevens besteden zij aandacht aan het oordeel van de Hoge Raad dat de gezichtspunten uit de rechtspraak over verjaringstermijnen ex artikel 3:310 lid 1 en 2 BW niet van overeenkomstige toepassing zijn op een geval als het onderhavige. In navolging van de A-G zijn de auteurs kritisch ten aanzien van de afwegingen die de Hoge Raad hierover maakt. Ook anderszins hebben zij moeite met de onderbouwing van de uitspraak door de Hoge Raad.


Prof. mr. C.J.H. Jansen
Prof. mr. C.J.H. Jansen is hoogleraar rechtsgeschiedenis en burgerlijk recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en verbonden aan het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht.

Mr. J.E. Jansen
Mr. J.E. Jansen is hoofddocent romeins recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en verbonden aan het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht.
Artikel

De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT): (in) werking

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2013
Trefwoorden WNT, topfunctionaris, publieke en semipublieke sector, ontslagvergoeding, overgangsrecht
Auteurs Prof. mr. L.G. Verburg
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 1 januari 2013 trad de Wet normering bezoldigingen topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) in werking. Deze bijdrage bevat een beschouwing over deze ‘unieke’ wet: het doel, de keuzes, de middelen, het overgangsrecht en natuurlijk de vraag of de WNT bestand is tegen lieden die het beloningsspel niet (ruiterlijk) willen meespelen. Een uitvoerige beschouwing over het belangrijke thema van de uitkering wegens de beëindiging van het dienstverband (de ontslagvergoeding) − inclusief het terrein van de op non-actiefstelling − laat zien dat de WNT allerminst waterdicht is. De WNT laat daarbij een belangrijk gebied onbelicht: de praktijk van het maken van afspraken over een afkoop van wachtgeld/bovenwettelijke WW-rechten. De auteur doet de suggestie dat het kabinet het (zoals eerder toegezegd) in de loop van 2013 te verwachten wetsontwerp tot aanpassing van de WNT aangrijpt om enige verduidelijking te bieden omtrent de wijze waarop de praktijk volgens de wetgever met een en ander moet omgaan.


Prof. mr. L.G. Verburg
Prof. mr. L.G. Verburg is hoogleraar arbeidsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Artikel

De ontbindingsprocedure: rechtsmiddelenverbod en bewijsrecht

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2012
Trefwoorden ontbindingsprocedure, artikel 6 EVRM, rechtsmiddelenverbod, bewijsrecht, onrechtmatige rechtspraak
Auteurs mr. D.M.A. Bij de Vaate
SamenvattingAuteursinformatie

    De ontbindingsprocedure kent twee procesrechtelijke bijzonderheden: het rechtsmiddelenverbod en het bewijsrecht. Deze bijzonderheden brengen niet mee dat de ontbindingsprocedure in strijd is met artikel 6 EVRM. Artikel 6 EVRM vereist immers niet een berechting van een zaak in twee feitelijke instanties. Bovendien is de ontbindingsrechter altijd gehouden, ook in een spoedeisende ontbindingsprocedure, het beginsel van ‘equality of arms’ in acht te nemen op straffe van doorbreking van het appèlverbod.Dit voorkomt echter niet dat de ontbindingsrechter, net als iedere andere rechter (in laatste en hoogste instantie), soms in strijd zal handelen met artikel 6 EVRM of anderszins een ‘fout’ zal maken in de beoordeling van het geschil. Voor dergelijke incidentele schendingen van artikel 6 EVRM door de kantonrechter is veelal een doorbreking van het appèlverbod mogelijk. Voor de inhoudelijk onjuiste ontbindingsbeschikking kan het leerstuk van onrechtmatige rechtspraak uitkomst bieden.


mr. D.M.A. Bij de Vaate
Mw. mr. D.M.A. Bij de Vaate is als docent/onderzoeker sociaal recht verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Toont 1 - 20 van 68 gevonden teksten
« 1 3 4
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.