Zoekresultaat: 21 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Onderneming en Financiering x Jaar 2015 x
Praktijk

PARP voor schadeverzekeraars

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2015
Trefwoorden schadeverzekeraars, productontwikkeling
Auteurs Mr. F.M.A. ’t Hart
SamenvattingAuteursinformatie

    De toenemende maatschappelijke druk op banken, verzekeraars en andere financiële dienstverleners om zo veel mogelijk zorg te dragen dat consumenten de juiste financiële beslissingen nemen, heeft tot nieuwe regelgeving geleid. Regelgeving die aanbieders van financiële producten verplicht om bij de ontwikkeling van hun producten – kort gezegd – rekening te houden met het klantbelang en om te bezien op welke wijze het ontwikkelde financiële product terechtkomt bij de doelgroep waarvoor het financiële product ook daadwerkelijk bedoeld is. De regels over productontwikkeling worden door de wetgever beschouwd als een nadere uitwerking van het algemene vereiste dat een financiële onderneming zorg dient te dragen voor een beheerste en integere bedrijfsuitoefening. De in 2013 ingevoerde regels behelzen meer dan een juridisch-technische toetsing van een voorgenomen financieel product. Ook zal rekening moeten worden gehouden met maatschappelijke inzichten en aspecten van reputationele aard. De commotie rondom het aanbod van een grote verzekeraar om klanten korting te geven op schadeverzekeringen indien klanten bereid zijn om bepaalde persoonsgegevens met de verzekeraar te delen, is daarvan een goed voorbeeld.


Mr. F.M.A. ’t Hart
Mr. F.M.A. ’t Hart is advocaat bij Hart Advocaten te Amsterdam.
Casus

Enkele gedachten over de arbeidsovereenkomst in het concern

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2015
Trefwoorden arbeidsovereenkomst, concern, werknemer
Auteurs Prof. dr. R.M. Beltzer
SamenvattingAuteursinformatie

    De werknemer in het concern heeft veelal niet alleen te maken met degene met wie hij de arbeidsovereenkomst ondertekende, maar ziet zich tevens geconfronteerd met allerhande ‘derden’ die direct of indirect hun invloed uitoefenen op de arbeidsovereenkomst. Denk aan de situatie dat de werkgever niet meer in staat is het loon te betalen omdat de moedervennootschap al haar leningen heeft opgeëist. Een ander concernonderdeel kan zelfs in het geheel niet als derde worden ervaren, bijvoorbeeld in de veelvoorkomende situatie dat de werknemer binnen een concern feitelijk permanent werkt binnen een andere vennootschap dan die waarmee hij de arbeidsovereenkomst sloot. De centrale vraag van de auteur is of het recht voldoende rekening houdt met de arbeidsovereenkomst binnen het concern.


Prof. dr. R.M. Beltzer
Prof. dr. R.M. Beltzer is hoogleraar Arbeid & Onderneming aan de Universiteit van Amsterdam.
Casus

Drie ontwikkelingen in de rechtspraak van de Hoge Raad in 2015 over personenvennootschappen

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2015
Trefwoorden maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, personenvennootschap
Auteurs Mr. C. de Groot
SamenvattingAuteursinformatie

    In 2015 is de Hoge Raad in drie belangrijke uitspraken ingegaan op het personenvennootschapsrecht. De Hoge Raad besliste dat een vennoot die toetreedt tot een al bestaande vennootschap onder firma of als gewone vennoot toetreedt tot een al bestaande commanditaire vennootschap ook aansprakelijk is voor verbintenissen die al waren ontstaan vóór zijn toetreden. De Hoge Raad is tevens ingegaan op de vraag wanneer een commanditaire vennoot het zogenoemde bestuursverbod overtreedt. Ten slotte heeft de Hoge Raad beslist dat het faillissement van een vennootschap onder firma niet automatisch tot gevolg heeft dat ook de vennoten in staat van faillissement komen te verkeren.


Mr. C. de Groot
Mr. C. de Groot is universitair hoofddocent Ondernemingsrecht aan de Universiteit Leiden.
Casus

Een praktijkstudie naar de pre-pack en de beoogd curator als vernieuwend instrument in de Nederlandse insolventiepraktijk

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2015
Trefwoorden pre-pack, beoogd curator, effectief instrument, insolventiepraktijk, praktijkstudie
Auteurs Mr. ir. drs. A.G. Beunk
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit onderzoek is door middel van negentien interviews met betrokkenen uit de brede insolventiepraktijk een model ontwikkeld ter beoordeling en toetsing van de effectiviteit van een pre-pack en een beoogd curator. Aan de orde komen daarbij de doelstelling, de afweging van de voor- en nadelen en de voorwaarden voor een pre-pack.


Mr. ir. drs. A.G. Beunk
Mr. ir. drs. A.G. Beunk schreef dit artikel naar aanleiding van haar afstudeeronderzoek Master Accounting & Control aan de Vrije Universiteit.
Praktijk

De accountant: immer een belangrijke poortwachter

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2015
Trefwoorden accountant, poortwachter, vertrouwensman, maatschappelijk verkeer, reputatie
Auteurs Prof. dr. mr. M. Pheijffer en Prof. dr. R.J.M. Jeurissen
SamenvattingAuteursinformatie

    De accountant is een belangrijke actor in het maatschappelijk verkeer: hij voegt vertrouwen toe aan de financiële verantwoording van ondernemingen en andere organisaties. De auteurs gaan in hun bijdrage met name in op wat onder het ‘publiek belang’ en de ‘poortwachtersfunctie’ van de accountant dient te worden verstaan. De auteurs betogen dat naast de controlerende taak van de accountant, diens signalerende en waarschuwende rol van betekenis is. Indien de accountant die rol goed weet te vervullen, levert hij maatschappelijk bezien toegevoegde waarde. Die kan worden versterkt door de implementatie van de door de werkgroep Toekomst accountantsberoep voorgestelde maatregelen, 53 in getal.


Prof. dr. mr. M. Pheijffer
Prof. dr. mr. M. Pheijffer RA is hoogleraar Accountancy aan Nyenrode Business Universiteit en hoogleraar Forensische Accountancy aan de Universiteit Leiden.

Prof. dr. R.J.M. Jeurissen
Prof. dr. R.J.M. Jeurissen is hoogleraar Bedrijfsethiek aan Nyenrode Business Universiteit.
Praktijk

Hof van Justitie oordeelt over mandaat van ECB inzake monetair beleid

Onafhankelijkheid van de ECB gewaarborgd?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2015
Trefwoorden ECB, mandaat, monetair beleid, onafhankelijkheid, kwantitatieve verruiming (QE)
Auteurs Mr. M.L. Louisse
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 16 juni 2015 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen beantwoord van het Bundesverfassungsgericht over de verenigbaarheid van het Outright Monetary Transactions-programma (OMT-programma) met het Europese recht, en meer in het bijzonder met het mandaat van de Europese Centrale Bank (ECB). Dit OMT-programma is vergelijkbaar met het programma van kwantitatieve verruiming (QE), waarmee de ECB in maart 2015 is gestart. Dit artikel gaat in op het arrest van het Hof van Justitie, de mogelijke aanknopingspunten die dit arrest biedt voor de beantwoording van de vraag of de ECB met het QE-programma binnen haar mandaat blijft, en de mogelijke gevolgen die dit arrest heeft voor de onafhankelijkheid van de ECB.


Mr. M.L. Louisse
Mr. M.L. Louisse is advocaat bij Loyens & Loeff te Amsterdam.
Casus

De reikwijdte van de zorgplicht binnen concernverhoudingen

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2015
Trefwoorden zorgplicht, moedermaatschappij, concernverhouding, economische werkelijkheid, concernleidingsplicht
Auteurs Mr. F. van Liere
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt ingegaan op de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij jegens crediteuren van haar dochter(s) vanwege schending van de zorgplicht om de crediteurenbelangen in acht te nemen. De term zorgplicht is in lagere rechtspraak en literatuur ontwikkeld, maar de Hoge Raad heeft deze term nog niet aanvaard, waardoor nog altijd onduidelijkheid bestaat over de exacte invulling van de zorgplicht. In dat kader worden drie vragen behandeld: naar de inhoud van de zorgplicht, naar de omstandigheden waaronder zij zich manifesteert en naar het moment van inwerkingtreding van de zorgplicht. Aan de hand van de kernarresten en de economische werkelijkheid worden deze vragen beantwoord en wordt geconcludeerd dat sprake is van een immer aanwezige zorgplicht om de belangen van de crediteuren in acht te nemen als uitwerking van de concernleidingsplicht van de moedermaatschappij binnen concernverhoudingen.


Mr. F. van Liere
Mr. F. van Liere is heeft dit artikel geschreven in het kader van haar afstudeerscriptie.
Casus

Onrechtmatige verkoop van bv-aandelen door schending onderzoeksplicht: bestuurlijke tekortkoming of aandeelhoudersgedraging?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2015
Trefwoorden bestuurdersaansprakelijkheid, aandeelhoudersaansprakelijkheid, onderzoeksplicht, verkoop bv, onrechtmatige daad
Auteurs Mr. V. van Vegchel
SamenvattingAuteursinformatie

    De verkoper van een bv riskeert onder omstandigheden persoonlijke aansprakelijkheid jegens crediteuren van die bv indien hij de verkoop doorzet zonder onderzoek te doen naar de koper en deze koper achteraf malafide blijkt te zijn. Verscheidene rechtbanken zien in het schenden van deze onderzoeksplicht een grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid van een verkopend dga. In dit artikel wordt geconstateerd dat deze grondslag onjuist is. Een aandelenoverdracht behelst immers een aandeelhoudersgedraging. Bovendien had de dga ook via de weg van aandeelhoudersaansprakelijkheid kunnen worden aangesproken. Verder komt aan bod wat de kenmerken zijn van de onderzoeksplicht en wanneer dit aansprakelijkheidsrisico zich kan verwezenlijken.


Mr. V. van Vegchel
Mr. V. van Vegchel is advocaat bij Freshfields Bruckhaus Deringer te Amsterdam.
Praktijk

Recente internationale ontwikkelingen in de aanpak van belastingontwijking door multinationals

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2015
Trefwoorden belastingontwijking multinationals, Base Erosion and Profit Shifting, BEPS-Actieplan, fiscale structuren
Auteurs A.J. van Herwaarden
SamenvattingAuteursinformatie

    De belastingheffing van multinationals staat vandaag de dag in het middelpunt van de publieke belangstelling. Met behulp van fiscale structuren kunnen multinationals op legale wijze hun effectieve (wereldwijde) belastingdruk op behaalde winsten aanzienlijk verlagen. Ter bestrijding van belastingontwijking door multinationals hebben de OESO en de G20 in 2013 het grootschalige project ‘Base Erosion and Profit Shifting’ (BEPS) opgezet. Ook binnen de EU staat belastingontwijking door multinationals hoog op de politieke agenda. Deze bijdrage bevat een bespreking van belastingontwijkingsmogelijkheden voor multinationals en de daartegen door de OESO/G20 en de EU voorgestelde oplossingsrichtingen.


A.J. van Herwaarden
A.J. van Herwaarden, LLM, MSc is promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Casus

De verjaring van een 403-vordering

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2015
Trefwoorden 403-vordering, verjaring, moedervennootschap, dochtervennootschap
Auteurs J. van der Kraan
SamenvattingAuteursinformatie

    Een 403-vordering is een zelfstandige vordering, meestal op de moedervennootschap. Deze vordering onderscheidt zich van de hoofdvordering op de dochtervennootschap. Deze te onderscheiden vorderingen verjaren onafhankelijk van elkaar. Naast de vraag of deze vorderingen onafhankelijk van elkaar verjaren, rijst de vraag of deze vorderingen op verschillende tijdstippen kunnen verjaren. Op basis van verschillende gronden kan dit het geval zijn.
    Een hoofdvraag die beantwoord dient te worden om vast te stellen wanneer een 403-vordering verjaart, is wanneer een 403-vordering ontstaat. Er zijn gronden om aan te nemen dat een 403-vordering pas ontstaat nadat de schuldeiser de moedervennootschap tot nakoming heeft aangesproken.


J. van der Kraan
Mr. J. van der Kraan is advocaat bij Loyens & Loeff en buitenpromovendus aan de Universiteit Leiden.
Casus

Gerechtelijke toetsing bij herroeping van een ontbindingsbesluit van een rechtspersoon

Hoe de Hoge Raad zijn doel voorbijstreeft met onnodig complicerende voorwaarden

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2015
Trefwoorden herroeping ontbindingsbesluit rechtspersoon, gerechtelijke toetsing, Rifgat
Auteurs I. Groenland
SamenvattingAuteursinformatie

    In de Rifgat-beschikking van 19 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3677) heeft de Hoge Raad niet alleen bevestigd dat herroeping van een ontbindingsbesluit mogelijk is, maar ook de daarvoor geldende voorwaarden bepaald. De Hoge Raad geeft daarbij aan dat hij daarmee een leemte vult in de wetgeving en dat het eigenlijk aan de wetgever is om te voorzien in een afgewogen regeling. De door de Hoge Raad geformuleerde voorwaarden lijken echter niet aan te sluiten bij het beoogde doel. Daarnaast blijken deze bij toetsing aan het feitencomplex in de Rifgat-casus niet te leiden tot een redelijke uitkomst. Het verbinden van bijzondere voorwaarden aan herroeping van een ontbindingsbesluit is, gezien de ontwikkelingen in wetgeving, rechtspraak en literatuur, ook niet langer nodig. Een eenvoudige wettelijke regeling voor herroeping van besluiten is daarom, juist na deze Hoge Raad-beschikking, dringend gewenst.


I. Groenland
Mr. I. Groenland is kandidaat-notaris bij Loyens & Loeff.

    Met de inwerkingtreding van de AIFMD in de Nederlandse regelgeving is het toezichtregime voor beheerders van beleggingsinstellingen ingrijpend veranderd. Nu het stof rond de eerste implementatieperikelen is neergedaald, kan een tussenbalans worden opgemaakt van de gevolgen van de AIFMD voor de Nederlandse fondsenpraktijk. Dit artikel behandelt ten eerste de vraag welke entiteiten onder de reikwijdte van de AIFMD vallen, en welke daarvan uitgezonderd zijn. Vervolgens wordt ingegaan op de regimes die voor Nederlandse beheerders gelden, met name het ‘lichte’ registratieregime van art. 2:66a Wft, het ‘volledige’ vergunningsregime van art. 2:65 Wft en het grandfathering-regime. Tot slot worden de regimes behandeld die gelden voor buitenlandse beheerders van beleggingsinstellingen die in Nederland actief (willen) zijn door Nederlandse beleggingsinstellingen te beheren of door beleggingsinstellingen aan Nederlandse beleggers aan te bieden.


R.J. Boogaard
Mr. R.J. Boogaard is advocaat bij Loyens & Loeff.
Casus

De economische werkelijkheid en enquêtebevoegdheid

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2015
Trefwoorden economische werkelijkheid, enquêtebevoegdheid, achterliggende werkelijkheid, enquêtegerechtigdheid, gelijkstelling
Auteurs S.F. van Dalen
SamenvattingAuteursinformatie

    De afgelopen jaren is bij het toekennen van enquêtebevoegdheid een aantal keren anders geoordeeld dan de tekst van de wet doet verwachten. Volgens de rechter speelt daarbij de economische werkelijkheid een belangrijke rol. Dit is een onduidelijk en voor meerdere interpretaties vatbaar begrip. Volgens de auteur vormt dit begrip een beoordelingskader waarbinnen de rechter feiten en omstandigheden afweegt. Dit beoordelingskader is nuttig, het biedt de ruimte om aan te sluiten bij de doeleinden van het enquêterecht. Spreken van de ‘achterliggende werkelijkheid’ in plaats van ‘economische werkelijkheid’ zou de onduidelijkheid kunnen wegnemen. De rechter kan dan via enerzijds de afgeleideleer en anderzijds de gelijkstellingsregel afwijken van een al te strikte toepassing van de wettelijke bepaling, indien de achterliggende werkelijkheid dit rechtvaardigt.


S.F. van Dalen
S.F. van Dalen, LLB, BSc is student aan het Utrecht Law College.
Casus

Continuïteit van ondernemingen en pre-pack – hoe een idee een Europese richtlijn mist

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2015
Trefwoorden faillissement, doorstart, pre-pack, overgang van onderneming
Auteurs R.M. Beltzer
SamenvattingAuteursinformatie

    Zoals bij elk nieuw fenomeen geldt ook voor de pre-pack dat juridische onduidelijkheden bestaan. Een voor de praktijk belangrijke vraag is of er redenen zijn aan te nemen dat een voortzetting van de onderneming door middel van een zogenoemde pre-pack een overgang van onderneming zou kunnen impliceren. De auteur stelt dat, ondanks de bewoordingen van art. 7:666 BW, een categorische uitsluiting van de regels met betrekking tot overgang van onderneming in faillissement wellicht in strijd is met Europese regels.


R.M. Beltzer
Prof. dr. R.M. Beltzer is hoogleraar Arbeid & Onderneming aan de Universiteit van Amsterdam.
Casus

De Hoge Raad en externe bestuurdersaansprakelijkheid: duidelijkheid over Villa Mundo?

Over HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, JOR 2014/296 (Hezemans Air Inc. /J.J. van der Meer) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, JOR 2014/325 (RCI Financial Services BV/J.E. Kastrop)

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2015
Trefwoorden aansprakelijkheidsrecht, bestuurder, bestuurdersaansprakelijkheid
Auteurs C. de Groot
SamenvattingAuteursinformatie

    In de Villa Mundo-uitspraak van 23 november 2012 besliste de Hoge Raad dat iemand die bestuurder is van een rechtspersoon op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk kan zijn tegenover een buitenstaander wanneer geen sprake is van een ernstig verwijt. Deze uitspraak leek in contrast te staan met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, dat bestuurdersaansprakelijkheid pas intreedt als sprake is van een ernstig verwijt. De Villa Mundo-uitspraak is (dan ook) kritisch ontvangen. De Hoge Raad is in twee uitspraken van 5 september 2014, Tulip Air en Van Rossem Groep en MCD Groep, nogmaals op deze kwestie ingegaan. Uit deze uitspraken blijkt dat de Hoge Raad de weg van een al te gemakkelijk beroep op de Villa Mundo-norm heeft afgesloten. Maar ook na deze uitspraken is nog niet volledig duidelijk wanneer een bestuurder van een rechtspersoon wordt beschermd door de rechtsregel dat hij pas aansprakelijk is als hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt, en wanneer iemand die – bijvoorbeeld als bestuurder – is betrokken bij een rechtspersoon tegenover een buitenstaander aansprakelijk kan zijn, ook zonder dat hem een ernstig verwijt treft.


C. de Groot
Mr. C. de Groot is universitair hoofddocent Ondernemingsrecht aan de Universiteit Leiden.
Casus

Vennootschapsrechtelijke werking van aandeelhoudersovereenkomsten: führt jeder Konsequenz zum Teufel?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2015
Trefwoorden doorwerking van aandeelhoudersovereenkomsten, art. 2:8 lid 2 BW
Auteurs W.J. Oostwouder en M. Wessel
SamenvattingAuteursinformatie

    Er zijn verschillende uitspraken gepubliceerd waarin doorwerking van aandeelhoudersovereenkomsten is aangenomen onder de specifieke omstandigheden van het geval. In dit artikel wordt door prof. mr. W.J. Oostwouder en mr. M. Wessel bezien in hoeverre aandeelhoudersovereenkomsten vennootschapsrechtelijke werking hebben. De auteurs zullen zich tevens richten op de principiële vraag in hoeverre de doorwerkingsjurisprudentie leidt tot de conclusie dat de aandeelhoudersovereenkomst bij besluitvorming van een vennootschapsorgaan prevaleert boven het bepaalde in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de statuten. De auteurs signaleren verschillende aandachtspunten bij de beantwoording van deze vraag en dat er wel degelijk een goedaardige, maar niet-onbelangrijke ‘duivel’ om de hoek komt kijken, die dikwijls over het hoofd wordt gezien.


W.J. Oostwouder
Prof. mr. W.J. Oostwouder is verbonden aan de Universiteit van Utrecht als hoogleraar Bedrijfsfinancieel Recht en is advocaat te Amsterdam.

M. Wessel
Mr. M. Wessel is kandidaat-notaris te Amsterdam.
Praktijk

Private enforcement van het mededingingsrecht: de toekomst van schadevergoedingsprocedures voor kartelschade in Nederland

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2015
Trefwoorden private enforcement, private handhaving van het mededingingsrecht, civiele schadevergoedingsacties wegens kartelschade
Auteurs J. Houdijk en T. Schäfers
SamenvattingAuteursinformatie

    De handhaving c.q. afdwinging van (de normen van) het mededingingsrecht kent een duale uitwerking. Deze kenmerkt zich namelijk door een publiekrechtelijke en een privaatrechtelijke dimensie. De publiekrechtelijke handhaving is in handen van de nationale mededingingsautoriteiten, zoals de Autoriteit Consument & Markt in Nederland, en van de Europese Commissie binnen de Europese Unie. Publiekrechtelijke interventie heeft tot dusver steeds voorop gelopen binnen de Europese Unie en binnen de EU-lidstaten. Privaatrechtelijke handhaving, dan wel private enforcement, is echter aan een opkomst bezig: het betreft hier de toepassing van mededingingsrechtelijke normen in geschillen tussen private partijen, in het bijzonder in procedures die draaien om schadeverhaal ten aanzien van schade die een onderneming heeft geleden door de kartelgedragingen van andere marktpartijen. De opkomst van het fenomeen van private enforcement van het mededingingsrecht is recent kracht bij gezet door nieuwe regelgevingsinitiatieven van de Europese Commissie. In de Nederlandse rechtspraak zijn inmiddels de eerste schadevergoedingszaken vanwege (gestelde) kartelschade aanhangig. Ondanks deze initiatieven staat private enforcement van het mededingingsrecht in Nederland nog in de kinderschoenen: er zijn nog veel onduidelijkheden en nog vele stappen te zetten alvorens het is uitgegroeid tot een volwassen rechtsgebied. Denk hierbij aan de vaststelling c.q. berekening van geleden schade. Ook op het vlak van de organisatie en financiering van claim(procedure)s zijn interessante ontwikkelingen gaande in de vorm van voorstellen tot nieuwe Nederlandse wetgeving op het gebied van de ‘class action’.


J. Houdijk
Mr. dr. J. Houdijk is advocaat bij AKD te Brussel, Praktijkgroep Europees en Mededingingsrecht.

T. Schäfers
Mr. T. Schäfers is advocaat bij AKD te Brussel, Praktijkgroep Europees en Mededingingsrecht.
Toont 1 - 20 van 21 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.