Zoekresultaat: 6 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses x Jaar 2010 x
Jurisprudentie

Access_open Winstafdracht: einde aan slapend bestaan van artikel 6:104 BW

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 3 2010
Trefwoorden winstafdracht, abstracte schadeberekening, concrete schade, begroting van schade, punitive damages
Auteurs Mr. dr. T.E. Deurvorst
SamenvattingAuteursinformatie

    Door dubbelzinnig taalgebruik in artikel 6:104 BW en een tweeslachtige parlementaire doelstelling wordt dit artikel weinig toegepast in de praktijk. Op 18 juni 2010 heeft de Hoge Raad in twee arresten – Setel/AVR en Ymere/X – artikel 6:104 BW aanzienlijk ruimer geïnterpreteerd in verschillende opzichten. De rechter wordt nu veel vrijheid gegund bij het bepalen van een vergoeding in het geval dat de benadeelde schade heeft geleden en de aansprakelijke winst heeft genoten, mits de vergoeding de vermoedelijke schade niet aanmerkelijk overschrijdt. Aan de begroting van de vermoedelijke schade worden echter geen hoge eisen gesteld. Te verwachten valt daarom dat justitiabelen geen flauw idee zullen hebben hoe groot de vergoeding zal zijn wanneer de rechter overgaat tot toepassing van artikel 6:104 BW. Daardoor komen de rechtszekerheid en een eerlijke rechtsbedeling op de tocht te staan.


Mr. dr. T.E. Deurvorst
Mr. dr. T.E. (Titia) Deurvorst is advocaat te Amsterdam en toegevoegd universitair hoofddocent aan het Molengraaff Instituut van de Universiteit Utrecht (CIER).
Artikel

Access_open Wie niet waagt, die niet wint

De spanning tussen autonomie en bescherming van de sporter in het aansprakelijkheidsrecht

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 2 2010
Trefwoorden aansprakelijkheid, sport, zorgplicht, onrechtmatige daad, exoneratie
Auteurs Mr. R.H.C. van Kleef
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt de spanning tussen de eigen verantwoordelijkheid van de sporter en de omvang van de zorgplicht van organisaties in het aansprakelijkheidsrecht behandeld. Hierbij zal de stelling worden ingenomen dat schade opgelopen in zogenaamde niet-contactsportsituaties niet enkel aan de algemene gevaarzettingscriteria moet worden getoetst, maar dat hierbij aan de ‘sportomstandigheid’ speciale waarde moet worden toegekend.


Mr. R.H.C. van Kleef
Mw. mr. R.H.C. van Kleef studeert sportrecht (LLM, droit du sport) aan de Universiteit van Neuchâtel (Zwitserland).
Jurisprudentie

Access_open Ambtshalve toetsing van een beding in polisvoorwaarden

Kritische kanttekeningen bij HR 23 april 2010 (LJN BL 6024) in het licht van Europese jurisprudentie

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 2 2010
Trefwoorden ambtshalve toetsing, polisvoorwaarden, algemene voorwaarden, verzekeringsovereenkomst, kernbeding
Auteurs Mr. dr. T.H.M. van Wechem en Mr. A.L.J.A. Schreuder
SamenvattingAuteursinformatie

    Sinds het arrest van het Europese hof van Justitie Pannon (HvJ EU 4 juni 2009, C-243/08 (Pannon), NJ 2009, 395 m.nt. Mok) is duidelijk dat de nationale rechter gehouden is tot een ambtshalve toetsing van een beding in een consumentenovereenkomst, zodra hij feitelijk en rechtens over de voor de toetsing noodzakelijke gegevens beschikt. Het HvJ EU heeft echter nog niet aangegeven wanneer de rechter geacht moet worden om over deze voor de beoordeling noodzakelijke gegevens te beschikken. Die vraag staat ondermeer centraal in een conclusie die advocaat-generaal Trstenjak heeft genomen in een zaak waarover het HvJ EU nog dient te beslissen.
    Auteurs stellen – in het licht van het bovenstaande – in hun artikel het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2010 centraal (HR 23 april 2010, LJN BL6024 (X/Fortis AG)). In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat het hof een polisvoorwaarde niet ambtshalve hoefde te toetsen. Auteurs concluderen aan de hand van diverse arresten van het HvJ EU – waaronder ook het recente arrest van 3 juni 2010 (C-484/08) – dat dat oordeel van de Hoge Raad in het licht van de Europese rechtspraak bevreemdt. Dit geldt temeer nu de nationale rechters er volgens de auteurs te weinig oog voor hebben gehad dat ook de kwalificatie algemene voorwaarde of kernbeding als voorvraag in het kader van de – ambtshalve – toetsing had moeten worden meegenomen.


Mr. dr. T.H.M. van Wechem
Mr. dr. T.H.M van Wechem is als legal counsel verbonden aan Baker & McKenzie Amsterdam N.V. en directeur van Law@Work B.V.

Mr. A.L.J.A. Schreuder
Mr. A.L.J.A. Schreuder is als advocaat werkzaam bij Baker & McKenzie Amsterdam N.V.
Artikel

Access_open Algemene bankvoorwaarden: modernisering, maar geen vernieuwing

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 2 2010
Trefwoorden Algemene Bankvoorwaarden, informatieplicht, titel 7.7B BW, zekerheidsrechten, beëindiging kredietrelatie
Auteurs Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
SamenvattingAuteursinformatie

    Per 1 november 2009 gelden de Algemene Bankvoorwaarden 2009, die de Algemene Bankvoorwaarden 1995 vervangen. De Algemene Bankvoorwaarden 2009 bevatten een modernisering ten opzichte van de voorwaarden uit 1995. Er is rekening gehouden met de bepalingen van titel 7.7B BW. Opmerkelijk is voorts de schrapping van de aansprakelijkheidsbeperking. De belangrijkste onderdelen uit de Algemene Bankvoorwaarden 1995 zijn niet gewijzigd, zodat de onder die voorwaarden gewezen rechtspraak haar gelding blijft behouden. De reikwijdte van de voorwaarden is evenwel beperkt, omdat de specifieke bankproducten hun eigen voorwaarden kennen die boven de algemene bankvoorwaarden prevaleren.


Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
Mr. drs. J.H.M. Spanjaard is advocaat bij La Gro Advocaten te Alphen aan den Rijn.
Artikel

Access_open Res in transitu

Een onderzoek naar de exacte reikwijdte van artikel 8 van de op 1 mei 2008 in werking getreden Wet conflictenrecht goederenrecht (WCG) en naar de geschiktheid van de daarin gekozen aanknopingsfactor

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 1 2010
Trefwoorden goederenrechtelijke regime betreffende vervoerde zaken, res in transitu, artikel 8 WCG
Auteurs M.T.W. Wijnen
SamenvattingAuteursinformatie

    Onderzoek naar de exacte reikwijdte van artikel 8 WCG, waarin het toepasselijke goederenrechtelijke regime met betrekking tot vervoerde zaken wordt aangewezen, en de geschiktheid van de daarin gekozen aanknopingsfactor. Aan de hand van een casus wordt geschetst welke onduidelijkheden er bestaan betreffende de reikwijdte van het artikel. Ingevolge het onderzoek naar de parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur wordt geconcludeerd dat beter kan worden aangeknoopt aan de ‘nieuwe’ tot overdracht of vestiging verplichtende overeenkomst die tijdens transport wordt gesloten en niet zoals artikel 8 WCG voorschrijft, aan de overeenkomst die aan het vervoer ten grondslag ligt. Harmonisatie van het goederenrechtelijke met het verbintenisrechtelijke statuut is het resultaat.


M.T.W. Wijnen
Mw. M.T.W. Wijnen (1986) heeft van 2005 tot 2008 het bachelor togatraject gevolgd aan de Universiteit Utrecht, departement rechtsgeleerdheid. Sinds 2008 volgt zij bij dezelfde instelling de Master Nederlands Privaatrecht. Naar verwachting zal zij de opleiding in juli 2010 afronden.
Artikel

Access_open A letter of comfort: does it offer any comfort?

Een beschouwing over de letter of comfort naar Nederlands recht met een blik over de grens

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 1 2010
Trefwoorden letter of comfort, patronaatsverklaring, uitleg, toepasselijk recht
Auteurs Mr. dr. S.A. Kruisinga en Mr. L. Leber
SamenvattingAuteursinformatie

    Een letter of comfort, ook wel patronaatsverklaring genoemd, is een verklaring die door een moedermaatschappij kan worden afgegeven als onderdeel van de zekerheidsstelling in het kader van kredietverstrekking aan haar dochter. De bedoeling van een dergelijke verklaring is de kredietverstrekker gerust te stellen terzake de terugbetaling van het krediet door de dochter. Een comfort letter kan ook door de moedermaatschappij worden afgegeven als going concern verklaring in verband met de waardering van de bezittingen en schulden van de dochter. Gezien het huidig economisch klimaat is de verwachting gewettigd dat accountants vaker een dergelijke verklaring van de moedermaatschappij zullen vragen alvorens een goedkeurende verklaring te kunnen afgeven. De inhoud van comfort letters is echter niet vastomlijnd. De positie van de letter of comfort in het Nederlandse recht staat in deze bijdrage centraal.


Mr. dr. S.A. Kruisinga
Mw. mr. dr. S.A. Kruisinga is verbonden aan het Molengraaff Instituut voor privaatrecht van de Universiteit Utrecht.

Mr. L. Leber
Mw. mr. L. Leber is verbonden aan het Molengraaff Instituut voor privaatrecht van de Universiteit Utrecht.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.