Zoekresultaat: 9 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Family & Law x
Artikel

Access_open The ECHR and Private Intercountry Adoptions in Germany and the Netherlands: Lessons Learned from Campanelli and Paradiso v. Italy

Tijdschrift Family & Law, januari 2021
Trefwoorden Private intercountry adoptions, surrogacy, ECHR, UNCRC, the best interests of the child
Auteurs dr. E.C. Loibl
SamenvattingAuteursinformatie

    Within the past half century, a market in adoptable children has emerged. The imbalance between the demand for and the supply of adoptable children, combined with the large sums of Western money, incite greedy actors in poor countries to illegally obtain children for adoption. This renders intercountry adoption conducive to abuses. Private adoptions are particularly prone to abusive and commercial practices. Yet, although they violate both international and national law, German and Dutch family courts commonly recognize them. They argue that removing the child from the illegal adopters would not be compatible with the rights and best interests of the individual child concerned. In 2017, the ECtHR rendered a ground-breaking judgement in Campanelli and Paradiso v. Italy. In this case, the Court dealt with the question as to whether removing a child from the care of an Italian couple that entered into a surrogacy agreement with a Russian clinic, given that surrogacy is illegal in Italy, violated Article 8 ECHR. Contrary to previous case law, in which the ECtHR placed a strong emphasis on the best interests of the individual child concerned, the Court attached more weight to the need to prevent disorder and crime by putting an end to the illegal situation created by the Italian couple and by discouraging others from bypassing national laws. The article argues that considering the shifting focus of the ECtHR on the prevention of unlawful conduct and, thus, on the best interests of children in general, the German and Dutch courts’ failure to properly balance the different interests at stake in a private international adoption by mainly focusing on the individual rights and interests of the children is difficult to maintain.

    ---

    In de afgelopen halve eeuw is er een markt voor adoptiekinderen ontstaan. De disbalans tussen de vraag naar en het aanbod van adoptiekinderen, in combinatie met grote sommen westers geld, zet hebzuchtige actoren in arme landen ertoe aan illegaal kinderen te verkrijgen voor adoptie. Dit maakt interlandelijke adoptie bevorderlijk voor misbruik. Particuliere adoptie is bijzonder vatbaar voor misbruik en commerciële praktijken. Ondanks het feit dat deze privé-adopties in strijd zijn met zowel internationaal als nationaal recht, worden ze door Duitse en Nederlandse familierechtbanken doorgaans wel erkend. Daartoe wordt aangevoerd dat het verwijderen van het kind van de illegale adoptanten niet verenigbaar is met de rechten en belangen van het individuele kind in kwestie. In 2017 heeft het EHRM een baanbrekende uitspraak gedaan in de zaak Campanelli en Paradiso t. Italië. In deze zaak behandelde het Hof de vraag of het verwijderen van een kind uit de zorg van een Italiaans echtpaar dat een draagmoederschapsovereenkomst met een Russische kliniek is aangegaan, in strijd is met artikel 8 EVRM, daarbij in ogenschouw genomen dat draagmoederschap in Italië illegaal is. In tegenstelling tot eerdere jurisprudentie, waarin het EHRM sterk de nadruk legde op de belangen van het individuele kind, hechtte het Hof meer gewicht aan de noodzaak om de openbare orde te bewaken en criminaliteit te voorkomen door een einde te maken aan de illegale situatie die door het Italiaanse echtpaar was gecreëerd door onder andere het omzeilen van nationale wetten. Het artikel stelt dat, gezien de verschuiving in de focus van het EHRM op het voorkomen van onwettig gedrag en dus op het belang van kinderen in het algemeen, de Duitse en Nederlandse rechtbanken, door met name te focussen op de individuele rechten en belangen van de kinderen, er niet in slagen om de verschillende belangen die op het spel staan ​​bij een particuliere internationale adoptie goed af te wegen.


dr. E.C. Loibl
Elvira Loibl is Assistant Professor Criminal Law and Criminology, Universiteit Maastricht.

    In 2016 the Dutch Government Commission of Reassessment of Parenthood (GCRP) proposed a wide array of legal changes to Family Law, e.g. with regard to legal multi-parenthood and legal multiple parental responsibility. Although the commission researched these matters thoroughly in its quest towards proposing new directions in the field of Family Law, multi-parents themselves were not interviewed by the commission. Therefore, this article aims to explore a possible gap between the social experiences of parents and the recommendations of the GCRP. Data was drawn from in depth-interviews with a sample of 25 parents in plus-two-parent constellations living in Belgium and the Netherlands. For the most part the social experiences of parents aligned with the ways in which the GCRP plans to legally accommodate the former. However, my data tentatively suggests that other (legal) recommendations of the GCRP need to be explored more in depth.
    ---
    In 2016 stelde de Nederlandse Staatscommissie Herijking ouderschap voor om een wettelijk kader te creëren voor meerouderschap en meeroudergezag. Ondanks de grondigheid van het gevoerde onderzoek ontbraken er gegevens omtrent de ervaringen van de meerouders zelf. Dit artikel levert een bijdrage in het vullen van deze leemte door inzage te geven in de (juridische) ervaringen van 25 ouders in meerouderschapsconstellaties in België en Nederland.


Nola Cammu MA
Nola Cammu is PhD Candidate at the Law Faculty of the University of Antwerp.

    Alternative/amicable dispute resolution (ADR) is omnipresent these days. In line with global evolutions, the Belgian legislator embraced the use of these ADR mechanisms. Recent reforms of the law, first in 2013 with the act concerning the introduction of a Family and Juvenile Court and consecutively in 2018 with the act containing diverse provisions regarding civil law with a view to the promotion of alternative forms of conflict resolution, implemented more far-reaching measures to promote ADR than ever before. The ultimate goal seems to alter our society’s way of conflict resolution and make the court the ultimum remedium in case all other options failed.In that respect, the legislator took multiple initiatives to stimulate amicable dispute resolution. The reform of 2013 focused solely on family cases, the one in 2018 was broader and designed for all civil cases. The legal tools consist firstly of an information provision regarding ADR for the family judge’s clerk, lawyers and bailiffs. The judges can hear parties about prior initiatives they took to resolve their conflict amicably and assess whether amicable solutions can still be considered, as well as explain these types of solutions and adjourn the case for a short period to investigate the possibilities of amicable conflict resolution. A legal framework has been created for a new method, namely collaborative law and the law also regulates the link between a judicial procedure and the methods of mediation and collaborative law to facilitate the transition between these procedures. Finally, within the Family Courts, specific ‘Chambers of Amicable Settlement’ were created, which framework is investigated more closely in this article. All of these legal tools are further discussed and assessed on their strengths and weaknesses.
    ---
    Alternatieve of minnelijke conflictoplossing is alomtegenwoordig. De Belgische wetgever heeft het gebruik van deze minnelijke oplossingsmethodes omarmd, in navolging van wereldwijde evoluties. Recente wetshervormingen implementeerden maatregelen ter promotie van minnelijke conflictoplossing die verder reiken dan ooit tevoren. Het betreft vooreerst de hervorming in 2013 met de wet betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank en vervolgens kwam er in 2018 de wet houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing. De ultieme doelstelling van deze hervormingen is een mentaliteitswijziging omtrent onze wijze van conflictoplossing teweegbrengen, waarbij de rechtbank het ultimum remedium dient te worden nadat alle overige opties faalden.De wetshervorming van 2013 focuste uitsluitend op familiale materies, de hervorming van 2018 was ruimer en had alle burgerlijke zaken voor ogen. De wettelijke mogelijkheden bestaan vooreerst uit een informatieverstrekking omtrent minnelijke conflictoplossing in hoofde van de griffier van de familierechtbank, advocaten en gerechtsdeurwaarders. Rechters kunnen partijen horen omtrent eerdere ondernomen initiatieven om hun conflict op een minnelijke manier op te lossen, zij beoordelen of minnelijke oplossingen alsnog kunnen worden overwogen, zij kunnen de diverse minnelijke mogelijkheden toelichten aan partijen alsook de zaak voor een korte periode uitstellen om partijen toe te laten de mogelijkheden aan minnelijke conflictoplossing te verkennen. Er werd voorts een wetgevend kader uitgewerkt voor een nieuwe oplossingsmethode, namelijk de collaboratieve onderhandeling. De wet creëert tevens een link tussen een gerechtelijke procedure en de methodes van bemiddeling en collaboratieve onderhandeling, om de overgang tussen deze procedures te vereenvoudigen. Tot slot werden er binnen de familierechtbanken specifieke kamers voor minnelijke schikking opgericht, waarvan het wetgevend kader in detail wordt bestudeerd in dit artikel. Al deze wettelijke opties worden nader besproken en beoordeeld aan de hand van hun sterktes en zwaktes.


Sofie Raes
Sofie Raes is a Ph.D. candidate at the Institute for Family Law of the University of Ghent, where she researches alternative dispute resolution, with a focus on the chambers of amicable settlement in Family Courts. She is also an accredited mediator in family cases.

    Medical and societal developments have led to a new family form involving more than two persons who make the conscious decision to have and raise a child together. Before the conception of the child, co-parenting arrangements are made covering the role of each parent in the child’s life and the division of care and financial obligations. These intentional multi-parent families pose new challenges to family law. Both in Belgium and the Netherlands, as in most other legal systems, the number of legal parents vested with custody of the child is limited to two. This two-parent model does not protect the relationship between the child and each of its parents in a multi-parent family. The question arises whether the law should be adjusted to accommodate multi-parent families, and if so, how. The Belgian Senate recently accepted that this question should be subjected to parliamentary debate. In 2014 the Netherlands tasked the Government Committee on the Reassessment of Parenthood with evaluating whether the law should allow more than two persons to be a child's legal parents and share parental responsibilities. In its recently published report, the Government Committee advises legal multi-parenthood be statutorily regulated, subject to certain conditions.The present contribution addresses two questions. The first one concerns the legal position of persons who have entered into multi-parenting arrangements. We answer this question by examining the Belgian rules on legal parentage and parental responsibilities. Second, we explore how family law might accommodate intentional multi-parent families. For this question, we focus on the recommendations the Dutch Government Committee formulated on legal multi-parenthood.
    ---
    Medische en maatschappelijke ontwikkelingen hebben geleid tot het ontstaan van een nieuwe gezinsvorm, waarbij meer dan twee personen bewust ervoor kiezen om samen een kind te krijgen en het op te voeden. Voor de verwekking maken ze afspraken over de rol van elk van hen in het leven van het kind en over de verdeling van zorgtaken en financiële verplichtingen. Deze intentionele meeroudergezinnen vormen een nieuwe uitdaging voor het familierecht. Zoals in de meeste rechtsstelsels, is in België en Nederland het aantal juridische ouders beperkt tot twee. Dit twee-oudermodel verleent geen bescherming aan de relatie tussen het kind en elk van zijn ouders in een meeroudergezin. De vraag rijst of het familierecht deze nieuwe gezinsvorm tegemoet moet komen, en zo ja, hoe. De Belgische Senaat heeft eind 2015 aanvaard dat deze vraag het voorwerp moet uitmaken van toekomstig parlementair debat. De Nederlands regering gaf in 2014 aan de “Staatscommissie Herijking Ouderschap” de opdracht te onderzoeken of de wet het mogelijk moet maken dat meer dan twee personen de juridische ouders kunnen zijn van een kind en het ouderlijk gezag kunnen delen. In haar recent gepubliceerde rapport beveelt deze commissie aan om juridisch meerouderschap wettelijk te regelen.  Deze bijdrage onderzoekt twee vragen. De eerste vraag is wat de rechtspositie is van de personen die betrokken zijn in meerouderschapsafspraken. We beantwoorden deze vraag aan de hand van de Belgische regels over afstamming en ouderlijk gezag. De tweede vraag is hoe het recht aan intentionele meeroudergezinnen kan tegemoetkomen. De aanbevelingen van de Nederlandse Staatscommissie Herijking Ouderschap staan hierbij centraal.


Prof. dr. Ingrid Boone
Ingrid Boone is an associate professor of Family Law at KU Leuven. She is a member of the Scientific Research Network of the Research Foundation Flanders (2015-2020) RETHINKIN - Rethinking legal kinship and family studies in the Low Countries.
Article

Access_open Formerly cohabiting parents and parenting plans: Who makes the effort?

Tijdschrift Family & Law, juni 2016
Auteurs Simon de Bruijn Msc, dr. Anne-Rigt Poortman en Prof. dr. ir Tanja van der Lippe
SamenvattingAuteursinformatie

    When the Promotion of Continued Parenting and Proper Divorce Act came into force on March 2009 both married and cohabiting Dutch parents of minor children were obliged to draw up a parenting plan when they separate. Parenting plans are not enforceable for cohabiters, however. Using data from the New Families in the Netherlands survey, we examine how many former cohabiters create a parenting plan and how this compares to the number of verbal or no arrangements. We expect that child, parents and relationship characteristics are important for the likelihood that a parenting plan is constructed. Results show that more than half of former cohabiters create a parenting plan. Furthermore, former cohabiters are more likely to draw up a parenting plan if they consult a legal practitioner during their separation process. In addition, the younger the youngest child is, the more likely that former cohabiters will create a parenting plan or make verbal arrangements rather than no arrangements. That is also true for higher educated households and if they opt for residential co-parenting after divorce. Former cohabiters in a high-conflict situation are less likely to develop a parenting plan than make no arrangements.


Simon de Bruijn Msc
Simon de Bruijn is a Ph.D. candidate at the Department of Sociology and Research School (ICS) of Utrecht University. His research interests include divorce and post-divorce arrangements.

dr. Anne-Rigt Poortman
Anne-Rigt Poortman is an Assistant Professor at the Department of Sociology and Research School (ICS) of Utrecht University. She received her Ph.D. at Utrecht University in 2002. Her main research interests are divorce and separation, new relationship types and legal aspects of partner relationships.

Prof. dr. ir Tanja van der Lippe
Tanja van der Lippe is a Professor of Sociology of Households and Employment Relations at the Department of Sociology and Research School (ICS) of Utrecht University. She is the head of the Department of Sociology and research director of ICS Utrecht. Her research interests are in the area of work-family linkages in Dutch and other societies.

    Op 11 februari 2015 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa de Recommendation on preventing and resolving disputes on child relocation aangenomen. Dit is het eerste Europese instrument over het verhuizen met kinderen na scheiding. De Recommendation heeft een duidelijk tweeledig doel: het voorkomen van conflicten over verhuizingen met kinderen en, indien een conflict is gerezen, het bieden van richtsnoeren voor het oplossen daarvan. In deze bijdrage staan in de eerste plaats de inhoud van de Recommendation en de daarbij gemaakte keuzes centraal. Daarnaast wordt ingegaan op de vraag wat deze Recommendation kan betekenen voor het Nederlandse recht en de toepassing daarvan in verhuiszaken. In de Recommendation worden enige, naar het oordeel van de auteur verstandige keuzes gemaakt. Zo verdient het stevig inzetten op alternatieve geschiloplossing steun. Daarnaast is de aanbevolen afzonderlijke beoordeling van het belang van het kind, zonder dat dit belang echter de doorslag hoeft te geven, in overeenstemming met vaste rechtspraak van de Hoge Raad in verhuiszaken. Ook het pleidooi voor een neutrale, kind-gecentreerde, casuïstische benadering door de rechter strookt met de wijze waarop Nederlandse rechters tot hun beslissingen in verhuiszaken komen. Specifieke verhuiswetgeving op deze punten, zoals de Recommendation voorstelt, acht de auteur dan ook niet nodig. Wel zou de wettelijke verankering van de in de Recommendation voorgestelde formele notificatieplicht kunnen bijdragen aan het voorkomen van verhuisconflicten. Krachtens deze plicht dient de ouder met een verhuiswens de andere ouder – schriftelijk en binnen een redelijke termijn – te informeren over de voorgenomen verhuizing. Hoewel de verwachtingen van het daadwerkelijke effect van de Recommendation als niet-bindend instrument niet al te hoog gespannen moeten zijn, draagt deze bij aan de erkenning van verhuizing met kinderen als een (hoog)potentieel conflictueuze aangelegenheid.
    On the 11th February 2015 the Committee of Ministers of the Council of Europe adopted the Recommendation on preventing and resolving disputes on child relocation. This is the first European instrument on child relocation. The aim of the Recommendation is twofold: preventing relocation disputes, and in case of a dispute, providing guidelines for solving them. This contribution firstly intends to examine the principles of the Recommendation and the choices that has been made during the drafting process. Secondly, it will look at the question of to what extent the Recommendation could lead to any adjustments of Dutch law and its application in relocation cases. In the opinion of the author, a number of prudent choices have been made in the Recommendation. In the first place, the encouragement of alternative dispute resolution ought to be supported. Secondly, the recommended individual and separate assessment of the best interests of the child (whose interests are, however, not decisive) is in accordance with the case law of the Supreme Court of the Netherlands in relocation cases. The plea for a neutral, child centered, case-by-case approach by the court is also consistent with the way in which Dutch courts make their decisions in relocation cases. Specific relocation legislation in this regard is not necessary in the opinion of the author. However, a legislative provision requiring the relocating parent to inform the other parent prior to the intended relocation might contribute to the prevention of disputes on child relocation. Although expectations concerning the actual effect of the Recommendation as a non-binding instrument should not be too high, it nevertheless contributes to the recognition of child relocation as an issue with a high potential for conflict.


Prof. mr. Lieke Coenraad
Prof. mr. Lieke Coenraad is Professor of Private Law and Dispute Resolution at the law faculty of VU University Amsterdam. She is also deputy judge at the Court of Appeal of Amsterdam.

    Legal position of a known donor constitutes an ongoing challenge. Known donors are often willing to play a role in the child’s life. Their wishes range from scarce involvement to aspiring legal parentage. Therefore three persons may wish for parental role. This is not catered for in the current laws allowing only for two legal parents. Several studies show how lesbian mothers and a donor ’devise new definitions of parenthood’ extending ’beyond the existing normative framework’. However, the diversity in the roles of the donors suggests a split of parental rights between three persons rather than three traditional legal parents. In this article I will discuss three jurisdictions (Quebec, Sweden and the Netherlands), allowing co-mother to become legal parent other than by a step-parent adoption. I will examine whether these jurisdictions attempt to accommodate specific needs of lesbian families by splitting up parentage ’package’ between the duo-mothers and the donor.


Prof. mr. Masha Antokolskaia Ph.D.
Masha Antokolskaia is professor of Private Law (in particular, Personal Status and Family Law) at the VU University Amsterdam. She is a member of the Commission on European Family Law (CEFL) and a board member of the International Society of Family Law. She is author of a diverse range of monographs and articles written in Dutch, English and Russian. Her main research areas are: European comparative Family Law and Dutch Family Law, with particular regard to the law relating to relationships, parentage and divorce.

    This article seeks to critically analyse the European Commission's Proposal for a Council Regulation on jurisdiction, applicable law and recognition and enforcement of decisions in matters of matrimonial property regimes (COM (2011) 126). It focuses upon the coordination of the Proposal's provisions on jurisdiction and applicable law with the parallel provisions contained in other related EU private international law instruments, namely those relating to divorce (Brussels II bis and Rome III) and succession (Succession Regulation). In doing so, the article adopts a 'stress-test' approach, presenting scenarios in which interaction between these related instruments takes place. The compositions and circumstances of the fictitious couples in these scenarios are varied in order to fully illustrate the potential consequences of the interplay between the instruments. This article seeks to assess the extent to which (in)consistency exists between the current and proposed EU private international instruments and, by evaluating this interaction through a number of norms, how identified inconsistencies impact upon international couples' legal relationships. In order to ensure the analysis remains as up to date as possible, the article will also take into account relevant changes introduced in the latest revised versions of the Proposal.


Jacqueline Gray LL.M.
Jacqueline Gray studied law at the University of Glasgow (2006-2010) and European law at the Leiden University (2010-2011). Following this, she undertook a four-month internship at the Molengraaff Institute for Private Law and five-month traineeship at the European Parliament in Brussels. She is now a PhD student at the Molengraaff Institute for Private Law, where she is writing her dissertation on party autonomy in the EU private international law relating to family matters and succession.

Pablo Quinzá Redondo LL.M.
Pablo Quinzá Redondo, a research scholar funded by the Spanish Ministry of Education, Culture and Sport, is currently undertaking a PhD at the University of Valencia. His specialisation concerns 'The europeanisation of matrimonial property regimes from a substantive and private international law perspective'. Prior to commencing his PhD, he completed undergraduate degrees in both Law and Administration and Business management (2004- 2010), as well as a Master’s degree in Company Law (2010-2012), at the University of Valencia.

    In deze bijdrage wordt op experimentele wijze gezocht naar een antwoord op de vraag wat de rechtvaardiging is van de beperking van de handelingsbekwaamheid van de minderjarige en het het bewind over zijn vermogen. Bij wijze van experiment wordt een fictieve regeling in het leven geroepen, het zogenaamde tachtigplusbewind. Op grond van deze regeling wordt eenieder die de tachtigjarige leeftijd passeert van rechtswege beperkt in zijn handelingsbekwaamheid en verliest hij het bewind over zijn vermogen. Vervolgens wordt de vraag gesteld waarom een dergelijk tachtigplusbewind niet wenselijk is en de bescherminsgmaatregelen die minderjarigen treffen wel. Deze bijdrage is een onderdeel van een breder dissertatieonderzoek met als titel 'Minderjarigen en (de zorg voor hun) vermogen.'
    ---
    This contribution seeks, in an experimental manner, to find an answer to the question of what is the justification for restriction on the capacity of the minor and the administration of their assets. By way of experimentation, a fictitious arrangement is created, the so-called ‘eighty-plus-fiduciary-administration’. Under this scheme, anyone who is over the age of eighty will have their legal capacity limited, and lose control of their assets. The question then arises as to why this eighty plus rule is not desirable whilst the protective rules for minors are widely accepted. This contribution is part of a wider dissertation research entitled ‘Minors and (the care of) their assets’.


Mr. Hans ter Haar
Hans ter Haar is a lecturer in notarial law at the University of Groningen.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.