Zoekresultaat: 16 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Family & Law x
Artikel

Access_open The ECHR and Private Intercountry Adoptions in Germany and the Netherlands: Lessons Learned from Campanelli and Paradiso v. Italy

Tijdschrift Family & Law, januari 2021
Trefwoorden Private intercountry adoptions, surrogacy, ECHR, UNCRC, the best interests of the child
Auteurs dr. E.C. Loibl
SamenvattingAuteursinformatie

    Within the past half century, a market in adoptable children has emerged. The imbalance between the demand for and the supply of adoptable children, combined with the large sums of Western money, incite greedy actors in poor countries to illegally obtain children for adoption. This renders intercountry adoption conducive to abuses. Private adoptions are particularly prone to abusive and commercial practices. Yet, although they violate both international and national law, German and Dutch family courts commonly recognize them. They argue that removing the child from the illegal adopters would not be compatible with the rights and best interests of the individual child concerned. In 2017, the ECtHR rendered a ground-breaking judgement in Campanelli and Paradiso v. Italy. In this case, the Court dealt with the question as to whether removing a child from the care of an Italian couple that entered into a surrogacy agreement with a Russian clinic, given that surrogacy is illegal in Italy, violated Article 8 ECHR. Contrary to previous case law, in which the ECtHR placed a strong emphasis on the best interests of the individual child concerned, the Court attached more weight to the need to prevent disorder and crime by putting an end to the illegal situation created by the Italian couple and by discouraging others from bypassing national laws. The article argues that considering the shifting focus of the ECtHR on the prevention of unlawful conduct and, thus, on the best interests of children in general, the German and Dutch courts’ failure to properly balance the different interests at stake in a private international adoption by mainly focusing on the individual rights and interests of the children is difficult to maintain.

    ---

    In de afgelopen halve eeuw is er een markt voor adoptiekinderen ontstaan. De disbalans tussen de vraag naar en het aanbod van adoptiekinderen, in combinatie met grote sommen westers geld, zet hebzuchtige actoren in arme landen ertoe aan illegaal kinderen te verkrijgen voor adoptie. Dit maakt interlandelijke adoptie bevorderlijk voor misbruik. Particuliere adoptie is bijzonder vatbaar voor misbruik en commerciële praktijken. Ondanks het feit dat deze privé-adopties in strijd zijn met zowel internationaal als nationaal recht, worden ze door Duitse en Nederlandse familierechtbanken doorgaans wel erkend. Daartoe wordt aangevoerd dat het verwijderen van het kind van de illegale adoptanten niet verenigbaar is met de rechten en belangen van het individuele kind in kwestie. In 2017 heeft het EHRM een baanbrekende uitspraak gedaan in de zaak Campanelli en Paradiso t. Italië. In deze zaak behandelde het Hof de vraag of het verwijderen van een kind uit de zorg van een Italiaans echtpaar dat een draagmoederschapsovereenkomst met een Russische kliniek is aangegaan, in strijd is met artikel 8 EVRM, daarbij in ogenschouw genomen dat draagmoederschap in Italië illegaal is. In tegenstelling tot eerdere jurisprudentie, waarin het EHRM sterk de nadruk legde op de belangen van het individuele kind, hechtte het Hof meer gewicht aan de noodzaak om de openbare orde te bewaken en criminaliteit te voorkomen door een einde te maken aan de illegale situatie die door het Italiaanse echtpaar was gecreëerd door onder andere het omzeilen van nationale wetten. Het artikel stelt dat, gezien de verschuiving in de focus van het EHRM op het voorkomen van onwettig gedrag en dus op het belang van kinderen in het algemeen, de Duitse en Nederlandse rechtbanken, door met name te focussen op de individuele rechten en belangen van de kinderen, er niet in slagen om de verschillende belangen die op het spel staan ​​bij een particuliere internationale adoptie goed af te wegen.


dr. E.C. Loibl
Elvira Loibl is Assistant Professor Criminal Law and Criminology, Universiteit Maastricht.

    This article engages in a comparison of the regulation of PR in the Netherlands and the UK (specifically England and Wales). The latter is a good comparator as it operates a similar regulatory approach to the Netherlands, that of conditional acceptance of PR, the condition being (prior) consent. Furthermore, the UK boasts a more detailed and mature legal framework that continues to be tested through caselaw, and thus offers insight into how a regulatory approach conditional upon the (prior) consent of the deceased can fare.
    The article starts with a brief exposition of the new Dutch guidelines and the current legislative position in the Netherlands vis-à-vis posthumous reproduction (part II). Likewise, the relevant UK guidelines and legislative position are summarized (part III). This article draws out the similarities and differences between the two regimes, as well as engaging in a critical analysis of the regulations themselves. It then looks at how the UK regime has been challenged in recent years through caselaw in anticipation of the issues that might confront the Netherlands in future (part IV). The article concludes (part V) that the key lesson to be drawn from the UK experience is that clarity and consistency is crucial in navigating this ethically, emotionally, and time sensitive area. Further, that both the UK and the Netherlands can expect demand for more detailed and precise regulatory guidance as requests for the procedure increase, and within evermore novel circumstances.

    ---

    Dit artikel vergelijkt de regulering van postume reproductie (PR) in Nederland en het Verenigd Koninkrijk (in het bijzonder Engeland en Wales). Laatstgenoemde is daarvoor zeer geschikt, aangezien het VK een vergelijkbare reguleringsbenadering heeft als Nederland, namelijk de voorwaardelijke acceptatie van PR, waarbij (voorafgaande) toestemming de voorwaarde is. Bovendien beschikt het VK over een gedetailleerder en volwassener juridisch kader dat continu wordt getoetst door middel van rechtspraak. Dit kader biedt daarmee inzicht in hoe een regulerende benadering met als voorwaarde (voorafgaande) toestemming van de overledene kan verlopen.
    Het artikel vangt aan met een korte uiteenzetting van de nieuwe Nederlandse richtlijnen en de huidige positie van de Nederlandse wetgever ten opzichte van postume reproductie (deel II). De relevante Britse richtlijnen en het wetgevende standpunt worden eveneens samengevat (deel III). Vervolgens worden de overeenkomsten en verschillen tussen de twee regimes naar voren gebracht, met daarbij een kritische analyse van de regelgeving. Hierop volgt een beschrijving van hoe het VK de afgelopen jaren is uitgedaagd in de rechtspraak, daarmee anticiperend op vraagstukken waarmee Nederland in de toekomst te maken kan krijgen (deel IV). Tot slot volgt een conclusie (deel V) waarin wordt aangetoond dat de belangrijkste les die uit de Britse ervaring kan worden getrokken, is dat duidelijkheid en consistentie cruciaal zijn bij het navigeren door dit ethische, emotionele en tijdgevoelige gebied. En daarnaast, at zowel het VK als Nederland een vraag naar meer gedetailleerde en precieze regelgeving kunnen verwachten naarmate verzoeken om deze procedure toenemen, met daarbij steeds weer nieuwe omstandigheden.


Dr. N. Hyder-Rahman
Nishat Hyder-Rahman is a Post-doctoral Researcher at the Utrecht Centre for European Research into Family Law, Molengraaff Institute for Private Law, Utrecht University.
Article

Access_open A changing paradigm of protection of vulnerable adults and its implications for the Netherlands

Tijdschrift Family & Law, februari 2019
Auteurs H.N. Stelma-Roorda LLM MSc, dr. C. Blankman en prof. dr. M.V. Antokolskaia
SamenvattingAuteursinformatie

    The perception of how the interests of vulnerable adults should be protected has been changing over time. Under the influence of human and patient’s rights a profound shift of protection paradigms has taken place in the last decades. In the framework of this shift, in addition to traditional adult guardianship measures, new instruments have been developed allowing adults to play a greater role in the protection of their (future) interests. This has also been the case in the Netherlands, where adults in the course of the last decade have acquired the possibility to make a so-called living will, internationally better known as a continuing, enduring or lasting power of attorney. This article discusses this instrument, in comparison with the traditional adult guardianship measures currently in force in the Netherlands, from the perspective of the new protection paradigm based on a human rights approach.
    ---
    In de afgelopen decennia is de manier waarop naar de bescherming van kwetsbare meerderjarigen wordt gekeken, veranderd. Van een benadering waarbij de focus voornamelijk lag op bescherming is de nadruk steeds meer komen te liggen op het recht op autonomie en zelfbeschikking van de meerderjarige. De opkomst van mensen- en patiëntenrechten heeft geleid tot het ontstaan van een nieuw beschermingsparadigma. In dat kader zijn nieuwe instrumenten ontwikkeld, die meerderjarigen een grotere rol toekennen in de bescherming van hun (toekomstige) belangen. Dit is eveneens het geval in Nederland, waar meerderjarigen een levenstestament kunnen opstellen om voorzieningen te treffen voor een toekomstige periode van wilsonbekwaamheid. Dit artikel bespreekt het levenstestament, in samenhang met de traditionele rechterlijke beschermingsmaatregelen, vanuit het perspectief van het nieuwe beschermingsparadigma.


H.N. Stelma-Roorda LLM MSc
Rieneke Stelma-Roorda is PhD candidate at the Vrije Universiteit Amsterdam.

dr. C. Blankman
Kees Blankman is associate professor at the Vrije Universiteit Amsterdam.

prof. dr. M.V. Antokolskaia
Masha Antokolskaia is professor of family law at the Vrije Universiteit Amsterdam.

    The comparative discussions held during this seminar show that the different jurisdictions make use of – approximately – the same ingredients for their legislation on adult guardianship measures and continuing powers of attorney. Given the common international framework (for example the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities) and given the common societal context (cfr. the strong increase of the ageing population) this may not come as a surprise. Despite these common ingredients, the different jurisdictions have managed to arrive at different dishes spiced with specific local flavours. Given that each jurisdiction bears its own history and specific policy plans, this may not come as a surprise either. The adage ‘same same but different’ is in this respect a suitable bromide.
    For my own research, the several invitations – that implicitly or explicitly arose from the different discussions – to rethink important concepts or assumptions were of most relevance and importance. A particular example that comes to mind is the suggestion to ‘reverse the jurisprudence’ and to take persons with disabilities instead of healthy adult persons as a point of reference. Also, the invitation to rethink the relationship between the limitation of capacity and the attribution of a guard comes to mind as the juxtaposition of the different jurisdictions showed that these two aspects don’t need to be automatically combined. Also the discussion on the interference between the continuing powers of attorney and the supervision by the court, provoked further reflection on hybrid forms of protection on my part. Finally, the ethical and medical-legal approaches may lead to a reconsideration of the traditional underlying concepts of autonomy and the assessment of capacity.


Veerle Vanderhulst Ph.D.
Veerle Vanderhulst works at the Faculty of Law and Criminology, Vrije Universiteit Brussel

    This report discusses the interesting remarks and conclusions made by the speakers at the ERA seminar, ‘Recent Case Law of the European Court of Human Rights in Family Law Matters’, which took place in Strasbourg on 11-12 February 2016. The report starts with a brief discussion on the shifting notion of ‘family life’ in the case law of the ECtHR, then turns to best interests of the child in international child abduction cases, the Court’s recognition of LGBT rights and finally the spectrum of challenges regarding reproductive rights in the Court’s case law. The overarching general trend is that the Court is increasingly faced with issues concerning non-traditional forms of family and with issues caused by the internationalisation of families. How this is seen in the Court’s recent case law and how it effects the various areas of family law is discussed in this report.


Charlotte Mol LL.B.
Charlotte Mol is a Legal Research Master student at the University of Utrecht, where she specializes in family law and private international law. She has assisted the Commission on European Family Law with the editing of the comparative study on informal relationships. As a guest student she visited the University of Antwerp for two months, where she researched the best interests of the child in international child abduction cases in collaboration with, and under the supervision of, Prof. Thalia Kruger. She holds a European Law School LL.B. from Maastricht University.

    This contribution provides an introduction to the main theme’s that are discussed in micro-, meso- and macroeconomics relating to family law. The occasion was a closed international expert seminar organized by RETHINKIN. (www.rethinkin.eu), a Scientific Research Network financed by the Research Foundation Flanders. The seminar concerned the compensation of household production between partners on the one hand, and intergenerational care for the elderly on the other. A report on the legal aspects is also available on this forum. This contribution first situates the economics of family in general, before discussing the main functions of practicing the economics of family law: (a) avoiding legislative mistakes, (b) using incentives to encourage altruistic behaviour, (c) using disincentives to discourage opportunistic behaviour and finally, (d) applying family economics as a benchmark for protective measures. It is concluded that employing the economics of family law encounters some difficulties, but that the possibilities it offers for legal development outweigh the difficulties.
    Deze bijdrage biedt een inleiding op de voornaamste thema’s die aan bod komen in de micro-, meso- en macro-familierechtseconomie. Aanleiding was een besloten internationaal expertenseminar dat werd georganiseerd door RETHINKIN. (www.rethinkin.eu), een wetenschappelijke onderzoeksgemeenschap gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen. Dat seminar betrof de compensatie van huishoudelijke productie tussen partners enerzijds en intergenerationele zorg voor ouderen anderzijds. Een verslag van het juridische gedeelte is ook op dit forum beschikbaar. Deze bijdrage situeert eerst de familie-economie in het algemeen, vooraleer in te gaan op de belangrijkste functies van de beoefening van defamilierechtseconomie: (a) het voorkomen van verkeerde wetgevende keuzen, (b) het aanmoedigen in de wetgeving van altruïstisch gedrag, (c) het ontmoedigen in de wetgeving van opportunistisch gedrag en ten slotte (d) de onzichtbare hand als opmaat voor een minimale wetgevende bescherming. De conclusie luidt dat de beoefening van de familierechtseconomie op sommige moeilijkheden stuit, maar dat de mogelijkheden ervan voor een goede rechtsontwikkeling meer gewicht in de schaal leggen.


Prof. dr. Frederik Swennen
Frederik Swennen is a senior lecturer at the University of Antwerp and an attorney at the Brussels Bar.

    Dit is een verslag van het symposium over de knelpunten van de invoering van de beperkte gemeenschap van goederen, dat op 22 mei 2015 aan de Universiteit Utrecht werd gehouden. Het wetsvoorstel houdt - kort samengevat - in, dat voorhuwelijks vermogen, erfenissen en giften niet langer in de huwelijksgoederengemeenschap vallen. Op dit symposium werd het wetsvoorstel besproken en de daarop gerichte kritiek samengevat in 4 knelpunten. Ook werd het wetsvoorstel in internationaal perspectief geplaatst door sprekers uit Duitsland, Zweden en België. In internationaal opzicht is de algehele gemeenschap uniek en zowel in binnen- als buitenland wordt zij als ouderwets beschouwd.
    Als probleem van het voorgestelde stelsel wordt ervaren dat men tijdens het huwelijk geen administratie bijhoudt en dat dat bij de afwikkeling na ontbinding problemen gaat opleveren. Echter, het huidige bewijsvermoeden, zoals dat is neergelegd in art. 1:94 lid 6 BW, blijft van kracht in het wetsvoorstel. De zaaksvervangingsregel van 1:95 lid 1 BW wordt ook gehandhaafd. Besproken is de Belgische oplossing voor mogelijke problemen, inhoudende dat een goed dat voor meer dan de helft van de prijs uit eigen vermogen is gefinancierd alleen dan buiten de gemeenschap valt als partijen dat verklaren bij notariële akte.
    Het wetsvoorstel geeft een regeling om de echtgenoot mee te laten profiteren van het ondernemingsvermogen dat de ander buiten de gemeenschap opbouwt. De moeilijkheid hierbij is hoe de vergoeding jegens de niet-werkende echtgenoot berekend moet worden. Ten slotte is in het nieuwe wetsvoorstel geprobeerd tegemoet te komen aan het probleem dat een echtgenoot geconfronteerd wordt met schuldeisers van de andere echtgenoot. Om dit te bereiken zijn art. 1:96 BW en art. 61 Fw gewijzigd met als gevolg dat de positie van de schuldeiser tot normale proporties wordt teruggebracht.
    Een grote meerderheid van de aanwezigen bleek positief te zijn over het nieuwe wetsvoorstel: ongeveer 90 procent was voor invoering in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
    This is a conference report on a symposium held at the University of Utrecht on the 22nd of May on the legislative proposal for the introduction of a limited community of property in the Netherlands. The legislative proposal entails – in a nutshell – that pre-matrimonial property, inheritances and gifts no longer form a part of the community of property. During this symposium, the legislative proposal was discussed and the critique was summarized into four key issues. The legislative proposal was also placed in an international perspective by speakers from Germany, Sweden and Belgium. In the international perspective the Dutch community of property regime is unique and it is regarded as outdated in both the Netherlands and abroad. In the proposed new regime it is considered that spouses do not keep an administration of their assets during their marriage, which can cause problems after dissolution of the community. However, the rebuttal presumption of Article 1:94 para. 6 Dutch Civil Code, is upheld in the new proposal. The current rule of substitution as stated in Article 1:95 Dutch Civil Code is also maintained. The Belgian solutions to possible difficulties is discussed, in which property is only excluded from the community of property when more than half of the price has been financed by personal assets and this is declared in a notarial deed.Furthermore, the legislative proposal allows the non-working spouse to share in the profits of the business assets acquired by the work of the other spouse which are built up outside the community. The remaining difficulty is how the reimbursement claim should be calculated. Lastly, the legislative proposal attempts to prevent a spouse from being confronted by creditors of the other spouse. In order to achieve this, Article 1:96 Dutch Civil Code and Art. 61 Insolvency Law are amended in such a way that the position of the creditor is brought back tonormal proportions.A great majority of those present appeared to be positive about the legislative proposal; 90 percent voted in favour of incorporating it into Book 1 of the Dutch Civil Code.


Bas Legger
Bas Legger is student Notarial and Civil Law at the University of Groningen.

Tiddo Bos
Tiddo Bos is research master student Notarial and Civil Law at the University of Groningen.

    Op 11 februari 2015 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa de Recommendation on preventing and resolving disputes on child relocation aangenomen. Dit is het eerste Europese instrument over het verhuizen met kinderen na scheiding. De Recommendation heeft een duidelijk tweeledig doel: het voorkomen van conflicten over verhuizingen met kinderen en, indien een conflict is gerezen, het bieden van richtsnoeren voor het oplossen daarvan. In deze bijdrage staan in de eerste plaats de inhoud van de Recommendation en de daarbij gemaakte keuzes centraal. Daarnaast wordt ingegaan op de vraag wat deze Recommendation kan betekenen voor het Nederlandse recht en de toepassing daarvan in verhuiszaken. In de Recommendation worden enige, naar het oordeel van de auteur verstandige keuzes gemaakt. Zo verdient het stevig inzetten op alternatieve geschiloplossing steun. Daarnaast is de aanbevolen afzonderlijke beoordeling van het belang van het kind, zonder dat dit belang echter de doorslag hoeft te geven, in overeenstemming met vaste rechtspraak van de Hoge Raad in verhuiszaken. Ook het pleidooi voor een neutrale, kind-gecentreerde, casuïstische benadering door de rechter strookt met de wijze waarop Nederlandse rechters tot hun beslissingen in verhuiszaken komen. Specifieke verhuiswetgeving op deze punten, zoals de Recommendation voorstelt, acht de auteur dan ook niet nodig. Wel zou de wettelijke verankering van de in de Recommendation voorgestelde formele notificatieplicht kunnen bijdragen aan het voorkomen van verhuisconflicten. Krachtens deze plicht dient de ouder met een verhuiswens de andere ouder – schriftelijk en binnen een redelijke termijn – te informeren over de voorgenomen verhuizing. Hoewel de verwachtingen van het daadwerkelijke effect van de Recommendation als niet-bindend instrument niet al te hoog gespannen moeten zijn, draagt deze bij aan de erkenning van verhuizing met kinderen als een (hoog)potentieel conflictueuze aangelegenheid.
    On the 11th February 2015 the Committee of Ministers of the Council of Europe adopted the Recommendation on preventing and resolving disputes on child relocation. This is the first European instrument on child relocation. The aim of the Recommendation is twofold: preventing relocation disputes, and in case of a dispute, providing guidelines for solving them. This contribution firstly intends to examine the principles of the Recommendation and the choices that has been made during the drafting process. Secondly, it will look at the question of to what extent the Recommendation could lead to any adjustments of Dutch law and its application in relocation cases. In the opinion of the author, a number of prudent choices have been made in the Recommendation. In the first place, the encouragement of alternative dispute resolution ought to be supported. Secondly, the recommended individual and separate assessment of the best interests of the child (whose interests are, however, not decisive) is in accordance with the case law of the Supreme Court of the Netherlands in relocation cases. The plea for a neutral, child centered, case-by-case approach by the court is also consistent with the way in which Dutch courts make their decisions in relocation cases. Specific relocation legislation in this regard is not necessary in the opinion of the author. However, a legislative provision requiring the relocating parent to inform the other parent prior to the intended relocation might contribute to the prevention of disputes on child relocation. Although expectations concerning the actual effect of the Recommendation as a non-binding instrument should not be too high, it nevertheless contributes to the recognition of child relocation as an issue with a high potential for conflict.


Prof. mr. Lieke Coenraad
Prof. mr. Lieke Coenraad is Professor of Private Law and Dispute Resolution at the law faculty of VU University Amsterdam. She is also deputy judge at the Court of Appeal of Amsterdam.
Article

Access_open Draagmoederschap naar Belgisch en Nederlands recht

Tijdschrift Family & Law, mei 2015
Auteurs Dr. Liesbet Pluym Ph.D.
Samenvatting

    Zowel in België als in Nederland komt draagmoederschap voor. Deze bijdrage heeft tot doel om de houding van de twee buurlanden ten aanzien van dit controversiële fenomeen te onderzoeken en te vergelijken.
    De wensouders en draagmoeders ervaren meerdere juridische obstakels. Zo blijkt in beide landen de draagmoederschapsovereenkomst niet geldig en evenmin afdwingbaar te zijn. Hoewel in Nederland de mogelijkheid bestaat om het ouderlijk gezag over te dragen van draagmoeder naar wensouders, is het ook daar, net zoals in België, allesbehalve evident om de band tussen kind en wensouders juridisch te verwezenlijken. Noch de oorspronkelijke, noch de adoptieve afstamming is aan het fenomeen aangepast. Vooral voor Nederland is dit vreemd aangezien de Nederlandse wetgeving uitdrukkelijk bepaalt onder welke voorwaarden medisch begeleid draagmoederschap toegelaten is. De wet schept met andere woorden een gezondheidsrechtelijk kader, maar regelt niet de gevolgen van het draagmoederschap. In België is er daarentegen geen enkele wetgeving betreffende draagmoederschap. Dit betekent dat de onaangepaste wetgeving betreffende medisch begeleide voortplanting van toepassing is op draagmoederschap. Over deze toepassing en de gevolgen ervan bestaat evenwel onduidelijkheid. Commercialisering van draagmoederschap leidt ook tot problemen. In Nederland is professionele bemiddeling en het openbaar maken van vraag en aanbod met betrekking tot draagmoederschap strafbaar gesteld. Daarnaast kunnen de omstandigheden van een zaak waarin het kind als het ware verkocht wordt aan de wensouders zowel in België als in Nederland leiden tot andere misdrijven. Gelet op dit alles begeven sommige wensouders zich naar het buitenland om daar beroep te doen op draagmoederschap. Wensen zij terug te keren met het kind naar het land van herkomst, dan leidt dit in beide buurlanden tot internationaalprivaatrechtelijke problemen.
    Door het gebrek aan een algemeen wettelijk kader, is het draagmoederschapsproces in beide landen vaak een calvarietocht. Dit leidt tot rechtsonzekerheid. Oproepen tot een wettelijk ingrijpen bleven tot nu toe echter onbeantwoord.
    Surrogacy is practiced in Belgium and the Netherlands. The aim of this contribution is to compare the many legal aspects of the phenomenon. In both countries legal problems surround surrogacy: the surrogacy contract is unenforceable; it is difficult for the intended parents to become the legal parents; commercial surrogacy can result in criminal sanctions and cross-border surrogacy leads to limping legal relations. The main differences between the two legal systems are that in Belgium there is no regulation at all, while in the Netherlands, professional mediation and advertising in surrogacy are explicitly forbidden and Dutch law provides a limited health law regulation. In both countries scholars have pressed the need for legal change.


Dr. Liesbet Pluym Ph.D.

    Those who talk can be heard. Those who are allowed to talk may be listened to. This study is an attempt to give legal voice to those who cannot talk or are usually not listened to: children. This study is about the attention given to their interests, the best interests of the child. When these interests are immersed in a minority context, children may be overlooked for different reasons, including discriminatory attitudes or prejudice regarding their families. Law and its interpretation must be changed in order to include the difference. This study discusses the best interests of the child principle with special attention to its legal relevance in cases where lesbians, gays, bisexual and transgender (LGBT) are, or want to be, parents. The authoritative source for the interpretation of the principle is the United Nations (UN) Convention on the Rights of the Child (CRC). The analysis focuses on the European Court of Human Rights (ECtHR) and its case law. The study aims to explore the Court’s approach to the best interest of the child and identify whether the principle is being consistently applied in cases involving LGBT families, given the fact that sexual orientation and gender identity are still sensitive issues in Europe. This is done by comparing these cases to cases lodged by applicants who were not identified as an LGBT person. The margin of appreciation doctrine and the lack of European consensus on sexual minorities’ rights are confronted with the urgent paramount consideration that has to be given to children’s best interests. The analysis explores whether there is room for detecting a possible Court’s biased approach towards the concept of the best interests of the child. This study challenges the Court’s decisions in the sense that the focus should not only be at the LGBT parents’ rights to private and family life, but also at the interests of their daughters and sons. This is an attempt to call upon the ECtHR and all states not only to actively fight discrimination against LGBT persons, but, ultimately, to stop interpreting the concept of the best interests of the child in an arguably biased way, and to consider the principle’s legal value in any decision, regardless of their parents’ sexual orientation, gender identity or any other distinction.


Mr. Gabriel Alves de Faria
Gabriel Alves de Faria is a Brazilian lawyer, LGBTI activist and human rights specialist who holds a Law degree from the Federal University of Espirito Santo and a European Master’s Degree in Human Rights and Democratisation (E. MA/EIUC - Utrecht University). Among other legal and social experiences in the human rights field, Gabriel has worked as a researcher in comparative sexual orientation Law at Leiden University and most recently as a Fellow and consultant lawyer at the LGBTI Rapporteurship of the Inter-American Commission on Human Rights in Washington, DC. His latest project is a documentary on the situation of LGBTI persons in Southeast Asia.

    In deze bijdrage wordt nader ingegaan op het erfrechtelijke ‘willekeur’-begrip. Volgens de minister is het niet toegestaan dat een erflater een legaat maakt dat afhankelijk is van de willekeur van een ander. Wanneer is hiervan sprake en hoe zwaar dient aan dit, door de minister uitgesproken, ’willekeurverbod’ getild te worden? Aan de hand van een korte beschouwing van het bepaaldheidsvereiste, de corrigerende rol die de redelijkheid en billijkheid in ons vermogensrecht kan spelen, een analyse van het Duitse § 2065 I BGB, de al dan niet toelaatbaarheid van de potestatieve voorwaarde en een vergelijking met de schenking, kan naar het oordeel van de auteur worden gesteld dat voor erfrechtelijke willekeur niet gauw gevreesd hoeft te worden.
    ---
    This contribution examines the definition of arbitrariness in Dutch succession law. According to the Ministry of Justice of the Netherlands, a testator is not permitted to make a bequest subject to the arbitrariness of a third party. What does arbitrariness mean, and how important is this ’prohibition of arbitrariness’? Based on a review of the determinable terms, the role of equity and fairness in Dutch property law, the German provision § 2065 I BGB, the principle of ’potestatieve voorwaarde’, and through comparison with benefactions, the author suggests that there is hardly any risk of arbitrariness in Dutch succession law.


Dr. Nathalie Bauduin
Nathalie Bauduin is a PhD student at the Centre for Notary Law of Radboud University Nijmegen.

    This article discusses the possibility spouses have under the Rome III Regulation (EC Regulation 1259/2010) to choose the law applicable to their divorce. It discusses the limits and exceptions of this freedom to choose.


Dr. Thalia Kruger
Thalia Kruger is professor at the law faculty of the University of Antwerp, where she teaches and researches private international law, international civil procedure and international family law. She is also Honorary Research Associate at the University of Cape Town.

    Sinds de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 heeft men herhaaldelijk getracht de gronden voor echtscheiding te verruimen. Hoewel deze gronden uiteindelijk pas verruimd werden in 1971, werd de tot die tijd bestaande situatie, waarbij echtscheiding slechts op vier gronden mogelijk was en echtscheiding met wederzijds goedvinden verboden was, als onwenselijk beschouwd. Dit gevoelen werd nog sterker na het arrest van de Hoge Raad uit 1883, de zogenaamde 'Groote Leugen'. Teneinde een einde te maken aan deze 'Groote Leugen' en in een poging het Nederlandse echtscheidingsrecht meer in lijn te brengen met het Duitse recht, heeft de Nederlandse secretaris-generaal voor Justitie, J.J. Schrieke, tussen 1942 en 1944 twee wijzigingsvoorstellen voorgelegd aan de Duitse autoriteiten welke destijds Nederland bezet hielden. Dit artikel analyseert beide wijzigingsvoorstellen en probeert een antwoord te geven op de vraag in hoeverre deze voorstellen het resultaat waren van een mogelijke invloed van het Nationaal Socialisme.
    ---
    Since the introduction of the Civil Code in 1838 one has repeatedly tried to extend the grounds for divorce. Although the grounds for divorce were not extended before 1971, the then existing situation, with only four grounds for divorce and a prohibition of divorce with mutual consent, was considered undesirable This sentiment became even stronger after the judgment of the Dutch Supreme Court of 1883, which became known as the 'Big Lie'. In order to stop this 'Big Lie' and in an attempt to bring Dutch divorce law more in line with German divorce law, the Dutch secretary-general of Justice, J.J. Schrieke, has presented the German authorities, which then occupied the Netherlands, with two draft revisions between 1942 and 1944. This article analyses both drafts and tries to answer the question to what extent these drafts were the result of a possible influence of National Socialism. This article is a summary of a part of the most important conclusions of the dissertation of the author, titled: 'National Socialist Family Law. The influence of National Socialism on marriage and divorce law in Germany and the Netherlands' defended at Maastricht University on 8 November 2012. A commercial edition of the dissertation is forthcoming.


Dr. Mariken Lenaerts LL.M., Ph.D.
Mariken Lenaerts obtained her doctorate at Maastricht University.

    This article seeks to critically analyse the European Commission's Proposal for a Council Regulation on jurisdiction, applicable law and recognition and enforcement of decisions in matters of matrimonial property regimes (COM (2011) 126). It focuses upon the coordination of the Proposal's provisions on jurisdiction and applicable law with the parallel provisions contained in other related EU private international law instruments, namely those relating to divorce (Brussels II bis and Rome III) and succession (Succession Regulation). In doing so, the article adopts a 'stress-test' approach, presenting scenarios in which interaction between these related instruments takes place. The compositions and circumstances of the fictitious couples in these scenarios are varied in order to fully illustrate the potential consequences of the interplay between the instruments. This article seeks to assess the extent to which (in)consistency exists between the current and proposed EU private international instruments and, by evaluating this interaction through a number of norms, how identified inconsistencies impact upon international couples' legal relationships. In order to ensure the analysis remains as up to date as possible, the article will also take into account relevant changes introduced in the latest revised versions of the Proposal.


Jacqueline Gray LL.M.
Jacqueline Gray studied law at the University of Glasgow (2006-2010) and European law at the Leiden University (2010-2011). Following this, she undertook a four-month internship at the Molengraaff Institute for Private Law and five-month traineeship at the European Parliament in Brussels. She is now a PhD student at the Molengraaff Institute for Private Law, where she is writing her dissertation on party autonomy in the EU private international law relating to family matters and succession.

Pablo Quinzá Redondo LL.M.
Pablo Quinzá Redondo, a research scholar funded by the Spanish Ministry of Education, Culture and Sport, is currently undertaking a PhD at the University of Valencia. His specialisation concerns 'The europeanisation of matrimonial property regimes from a substantive and private international law perspective'. Prior to commencing his PhD, he completed undergraduate degrees in both Law and Administration and Business management (2004- 2010), as well as a Master’s degree in Company Law (2010-2012), at the University of Valencia.

    D'après le Code civil, et ce dè s son origine, la séparation du couple marié peut donner lieu à une obligation légale de payer au conjoint, ou à l'ancien conjoint, une pension censée couvrir ses besoins. En dehors du mariage, point de lien alimentaire prévu par la loi. Depuis 1804, deux évolutions sociales majeures ont cependant changé le visage de la vie de couple. D'un côté, elle ne passe plus nécessairement par le mariage. D'un autre côté, seule sa dimension affective est censée lui donner sens, ce qui la rend éminemment fragile. La question se pose dè s lors de savoir si le lien alimentaire qui existe actuellement en droit belge entre conjoints désunis répond encore de maniè re adéquate et pertinente aux modes de fonctionnement de l'économie conjugale.
    ---
    According to the Civil code, and in view of its development, the separation of a married couple can give rise to a legal obligation to pay maintenance to the other spouse, or ex-spouse, in order to cover his or her needs. In contrast, outside marriage, no statutory maintenance is available. However, since 1804, two major social evolutions have changed the way of life of couples. On the one hand, maintenance no longer flows inevitably from marriage. On the other hand, only the ‘love’ dimension of a relationship supports the provision of maintenance, which makes this claim eminently fragile.
    The question then arises as to whether the maintenance between separated spouses which is presently provided for under Belgian law still adequately and appropriately serves the functioning of the conjugal economy.
    In addition, the absence of maintenance rights for unmarried couples also raises questions. The contribution proposes a reconsideration of the right to maintenance between all couples, married or not, on the basis of other justifications, in particular the solidarity which couples establish during their shared lives.


Dr. Nathalie Dandoy
Nathalie Dandoy is lecturer at the catholic University of Louvain. She is member of the research centre of Family Law (Cefap-UCL). Her main research area concerns the maintenance rights between family members. She is member of editorial committee of Revue trimestrielle de droit familial and Journal des Juges de paix et de police.

    In this paper, I will firstly illustrate the broader context of the contractualisation of family law by drawing upon the oscillations in family regulation between private and public regulators, in the light of the so-called family law exceptionalism. I consider the contractualisation of family law to be the ordering of the family by families and individuals through the use of legally binding private instruments. I will elaborate upon the substantive and jurisdictional contractualisation of family law in Sections 2 and 3 of this paper respectively. The deliberately 'impressionist' presentation of Section 1-3 leads onto the conclusion which proposes that States benevolently tolerate substantive contractualisation through a lower standard of judicial review, and that, whilst they actively stimulate jurisdictional contractualisation of the content of family relations, the formation and dissolution of family relations still appear to fall within the State's exclusive domain (Section 4).
    ---
    In deze bijdrage situeer ik eerst de 21ste eeuwse contractualisering van het familierecht in de historische pendelbeweging tussen publieke en private regulering van familieleven. Die leidde in de 19de en 20ste eeuw tot de aanneming van een bijzondere, niet-contractuele, aard van het familierecht (sectie 1). Ik beschouw als contractualisering van het familierecht: de regulering van familieleven door de familie en door individuen, door middel van juridisch bindende privaatrechtelijke instrumenten. Ik zal ingaan op de inhoudelijke en jurisdictionele contractualisering van het familierecht in respectievelijk de secties 2 en 3 van deze bijdrage. De bewust 'impressionistische' uiteenzetting in secties 1-3 leidt naar de conclusie dat Staten enerzijds een welwillende houding aannemen ten opzichte van inhoudelijke contractualisering, doordat een lagere norm van rechterlijke toetsing wordt gehanteerd. Anderzijds stimuleren zij actief de jurisdictionele contractualisering van de inhoud van familierelaties. Het aangaan en de beëindiging van familierelaties blijven daarentegen het exclusieve domein van de Staat (sectie 4).


Prof. dr. Frederik Swennen
Frederik Swennen is a senior lecturer at the University of Antwerp and an attorney at the Brussels Bar.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.