Zoekresultaat: 9 artikelen

x
Jaar 2017 x
Artikel

Realisering van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam door middel van wetgeving

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2017
Trefwoorden Onaantastbaarheid van het menselijk lichaam, Recht op lichamelijke integriteit, Artikel 11 Grondwet
Auteurs Mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt het nut en de meerwaarde van het recht op de onaantastbaarheid van het lichaam onderzocht, alsmede de grondrechtelijke randvoorwaarden die van belang zijn bij de realisering van het recht op de onaantastbaarheid van het lichaam. Dit wordt onder meer in het licht geplaatst van de rechtspraktijk en huidige en toekomstige dilemma’s en technologische ontwikkelingen. De meerwaarde van artikel 11 Grondwet wordt, met name ten opzichte van artikel 10 Grondwet (bescherming persoonlijke levenssfeer), wel als beperkt ingeschat omdat beide bepalingen ten aanzien van de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam juridisch dezelfde bescherming bieden. De vraag is echter of dat terecht is, nu artikel 11 Grondwet het menselijk lichaam expliciet als rechtsobject beschermt. Technologische ontwikkelingen, waarbij enerzijds het menselijk lichaam steeds meer maakbaar wordt en aan veranderingen kan worden onderworpen. Juist in die context heeft het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam betekenis en urgentie. Anderzijds roepen ook de steeds grotere medische mogelijkheden en de hoge kosten waarmee dat gepaard gaat vragen op. Het belang van de bescherming die artikel 11 Grondwet biedt, is daarmee juist in het huidige tijdsgewricht van belang.


Mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
Mr. P.B.C.D.F. (Paul) van Sasse van Ysselt is waarnemend hoofd van de afdeling Constitutionele Zaken bij de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en verbonden aan de Afdeling staats- en bestuursrecht van de VU Amsterdam.
Article

Access_open The Right to Same-Sex Marriage: Assessing the European Court of Human Rights’ Consensus-Based Analysis in Recent Judgments Concerning Equal Marriage Rights

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 3 2017
Trefwoorden same-sex marriage, gay marriage, European consensus, margin of appreciation, consensus-based analysis by the ECtHR
Auteurs Masuma Shahid
SamenvattingAuteursinformatie

    This contribution assesses the consensus-based analysis and reasoning of the European Court of Human Rights in recent judgments concerning equal marriage rights and compares it to the Court’s past jurisprudence on European consensus and the margin of appreciation awarded to Member States regarding the issue of equal marriage rights. The contribution aims to analyse whether there is a parallel to be seen between the rapid global trend of legalisation of same-sex marriage and the development or evolution of the case law of the ECtHR on the same topic. Furthermore, it demonstrates that the Court’s consensus-based analysis is problematic for several reasons and provides possible alternative approaches to the balancing of the Court between, on the one hand, protecting rights of minorities (in this case same-sex couples invoking equal marriage rights) under the European Convention on Human Rights and, on the other hand, maintaining its credibility, authority and legitimacy towards Member States that might disapprove of the evolving case law in the context of same-sex relationships. It also offers insights as to the future of European consensus in the context of equal marriage rights and ends with some concluding remarks.


Masuma Shahid
Lecturer, Department of International and European Union Law, Erasmus School of Law, Rotterdam.
Article

Access_open Religious Freedom of Members of Old and New Minorities: A Double Comparison

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 3 2017
Trefwoorden ECtHR, UNHRC, religious manifestations, religious minorities, empirical analysis
Auteurs Fabienne Bretscher
SamenvattingAuteursinformatie

    Confronted with cases of restrictions of the right to manifest religious beliefs of new religious minorities formed by recent migration movements, the ECtHR and the UNHRC seem to opt for different interpretations and applications of this right, as recent conflicting decisions show. Based on an empirical legal analysis of the two bodies’ decisions on individual complaints, this article finds that these conflicting decisions are part of a broader divergence: While the UNHRC functions as a protector of new minorities against States’ undue interference in their right to manifest their religion, the ECtHR leaves it up to States how to deal with religious diversity brought by new minorities. In addition, a quantitative analysis of the relevant case law showed that the ECtHR is much less likely to find a violation of the right to freedom of religion in cases brought by new religious minorities as opposed to old religious minorities. Although this could be a hint towards double standards, a closer look at the examined case law reveals that the numerical differences can be explained by the ECtHR’s weaker protection of religious manifestations in the public as opposed to the private sphere. Yet, this rule has an important exception: Conscientious objection to military service. By examining the development of the relevant case law, this article shows that this exception bases on a recent alteration of jurisprudence by the ECtHR and that there are similar prospects for change regarding other religious manifestations in the public sphere.


Fabienne Bretscher
PhD candidate at the University of Zurich.
Jurisprudentie

Vrijheid van religie op de werkplaats en het Hof van Justitie: terug naar cuius regio, illius religio?

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Discriminatie, Vrijheid van religie, Hoofddoek, Richtlijn 2000/78/EU, Religie of overtuiging
Auteurs Prof. dr. Filip Dorssemont
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage worden twee mijlpaalarresten de dato 14 maart 2017 van het Hof van Justitie die betrekking hebben op discriminatie op basis van religie kritisch geanalyseerd. In beide gevallen gaf het dragen van een hoofddoek aanleiding tot het ontslag van een werkneemster. De auteur stelt dat het ontslag van een werkneemster wegens het dragen van een hoofddoek op basis van een algemene regel die uitingen van religieuze, politieke en filosofische overtuigingen verbiedt wel degelijk een directe vorm van discriminatie betreft. Hij betwist dat een beleid van neutraliteit in de onderneming een afdoende legitieme doelstelling vormt die indirecte discriminatie zou rechtvaardigen. De grondslag voor een dergelijke benadering, de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie opgenomen vrijheid van ondernemerschap, is niet dienstig om een richtlijn die het burgerschap binnen de Europese Unie beschermt, beperkend te interpreteren. Hij bepleit dat rechtvaardigingsgronden voor discriminatie op basis van religie voorzienbaar en kenbaar moeten zijn. Tot slot wordt het gebruik van de redelijke aanpassingen door het Hof van Justitie beschouwd. De auteur meent dat de analyse van het Hof op gespannen voet staat met de rechtspraak van het Hof voor de Rechten van de Mens en een risico in zich draagt van ‘harassment’ van werknemers die naar een plek in ‘backoffice’ worden verbannen.


Prof. dr. Filip Dorssemont
Prof. dr. F. Dorssemont is hoogleraar Arbeidsrecht aan de Université Catholique de Louvain en redacteur van dit tijdschrift.
Artikel

Ontslag vanwege een hoofddoek; de arresten Achbita en Bougnaoui en de Nederlandse rechtspraktijk

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 5 2017
Trefwoorden directe en indirecte discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, religieuze symbolen op de werkplek, rechtvaardigingsgronden, Richtlijn 2000/78/EG, College voor de Rechten van de Mens
Auteurs Mr. A. Swarte en Mr. dr. J.P. Loof
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Hof van Justitie heeft zich op 14 maart 2017 in twee verschillende zaken uitgesproken over het ontslag van een vrouwelijke werknemer vanwege het dragen van een islamitische hoofddoek. Naar beide arresten werd al enige tijd met spanning uitgekeken, onder meer vanwege de eerder gepubliceerde volkomen uiteenlopende conclusies van advocaten-generaal Kokott en Sharpston. Het Hof van Justitie lijkt veel ruimte te laten aan werkgevers om het dragen van religieuze symbolen op de werkplek te verbieden, mits zo’n verbod op een algemene en neutrale manier geformuleerd wordt. Er blijven echter veel vragen onbeantwoord en daardoor is onduidelijk hoe richtinggevend de arresten nu precies zijn.
    HvJ 14 maart 2017, zaak C-157/15, Samira Achbita/G4S Secure Solutions NV, ECLI:EU:C:2017:203 en zaak C-188/15, Asma Bougnaoui/Micropole SA, ECLI:EU:C:2017:204


Mr. A. Swarte
Mr. A. (Annejet) Swarte is stafjurist bij het College voor de Rechten van de Mens. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.

Mr. dr. J.P. Loof
Mr. dr. J.P. (Jan-Peter) Loof is wnd. ondervoorzitter onderzoek & advies van het College voor de Rechten van de Mens en doceert staatsrecht en mensenrechten aan de Universiteit Leiden. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.
Artikel

Het verschoningsrecht van de geestelijke

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 2 2017
Trefwoorden verschoningsrecht, geestelijke, geheimhouding, Godsdienst/religie, sekte
Auteurs Prof. mr. H.J.B. Sackers
SamenvattingAuteursinformatie

    In de bijdrage wordt het verschoningsrecht van de geestelijke aan de hand van wetsgeschiedenis en rechtspraak aan een nadere beschouwing onderworpen. Centraal staat de vraag wie die geestelijke is en wanneer hem het verschoningsrecht toekomt. Verder wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe het zit met de geestelijk leiders van andere dan de wereldgodsdiensten.


Prof. mr. H.J.B. Sackers
Prof. mr. H.J.B. Sackers is hoogleraar bestuurlijk sanctierecht aan de Radboud Universiteit.
Jurisprudentie

Meer duidelijkheid over het begrip ‘handicap’

Daouidi t. Bootes Plus SL e.a., HvJ EU 1 december 2016, C-395/15

Tijdschrift Handicap & Recht, Aflevering 1 2017
Trefwoorden begrip handicap, omkeerbare aandoening, sociale model van handicap, Europees recht, Richtlijn 2000/78
Auteurs Mr. D.C. Houtzager
SamenvattingAuteursinformatie

    Het begrip ‘handicap’ is lang niet altijd eenduidig. In het arrest Daouidi t. Bootes Plus SL e.a. van december 2016 geeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (‘het Hof’) aanwijzingen over de vraag wanneer van een handicap sprake is. Lange tijd gold de uitspraak Chacón Navas uit 2006 als richtinggevend voor de uitleg van het begrip. Toen bepaalde het Hof dat een ziekte niet gelijk gesteld kon worden aan een handicap en dat ontslag wegens een ziekte niet dezelfde bescherming genoot als ontslag wegens een handicap. Na de toetreding van de Europese Unie tot het VN-verdrag Handicap in 2010 heeft het Hof zijn omschrijving van ‘handicap’ aangepast. In een reeks arresten hanteert het Hof het uitgangspunt dat van een handicap sprake is als er een langdurige aandoening bestaat, die in wisselwerking met drempels in de samenleving de betrokkene kan belemmeren om in de samenleving te participeren. In het arrest Daouidi geeft het Hof verdere duiding aan het element ‘langdurig’. Ook al gaat het om een omkeerbare aandoening, zoals een ontwrichte elleboog, dan kan de langdurigheid ervan toch tot een handicap leiden. Daarmee komt bescherming onder het gelijkebehandelingsrecht binnen bereik.


Mr. D.C. Houtzager
Mr. D.C. (Dick) Houtzager is lid van het College voor de Rechten van de Mens en hoofdredacteur van Handicap & Recht.
Artikel

‘Een verdrag met potentieel vérstrekkende gevolgen’

De toepassing van het VN-verdrag Handicap door de Nederlandse rechter

Tijdschrift Handicap & Recht, Aflevering 1 2017
Auteurs Mr. G.J.W. Pulles
SamenvattingAuteursinformatie

    De toetreding van het Koninkrijk der Nederlanden tot het VN-verdrag Handicap zal leiden tot nieuwe rechtsontwikkelingen op het gebied van bescherming van de rechten van personen met een handicap. Een belangrijke rol zal daarbij zijn weggelegd voor de rechter, die immers over de toepassing en interpretatie van het Verdrag zal gaan oordelen in concrete gevallen. De rechter zal daarbij rekening moeten houden met de regels die gelden voor de toepassing van internationaal recht. Dit artikel handelt over de wijzen waarop de rechter het Verdrag kan toepassen en op die manier kan laten doorwerken in de Nederlandse rechtsorde. Het gaat in op de Nederlandse regels voor rechtstreekse, indirecte en horizontale toepassing. Daarbij wordt aandacht besteed aan de uitspraak van 10 oktober 2014 van de Hoge Raad, waarin een hele nieuwe maatstaf voor rechtstreekse toepassing van internationaal recht werd aangelegd. Daarnaast komen de rol en de invloed van Europese rechtspraak van het EHRM en van het HvJ EU en van uitspraken van internationale verdragscomités aan de orde. Het artikel verschaft praktijkjuristen daarmee hopelijk extra argumenten om bij te dragen aan een wezenlijke bescherming van de rechten en waardigheid van personen met een handicap.


Mr. G.J.W. Pulles
Mr. G.J.W. (Gerrit Jan) Pulles is advocaat in Amsterdam en verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij werkt aan een proefschrift over doorwerking van economische en sociale rechten.

Janneke Gerards
Prof. mr. J.H. (Janneke) Gerards is als hoogleraar fundamentele rechten verbonden aan de Universiteit Utrecht. Deze bijdrage is losjes gebaseerd op de oratie die zij op 29 maart 2017 uitsprak.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.