Zoekresultaat: 40 artikelen

x
Jaar 2013 x

    In 1998 a chapter on administrative enforcement was added to the GALA (in the so-called third Tranche). This contribution reflects on the legislative aims of this Tranche; to what extent these aims have been attained and what important developments have occurred since. As the third Tranche has led to little reform, a brief review will suffice. The developments after the third Tranche are discussed extensively, concerning both the third Tranche - amongst others the obligation in principle to enforce ('beginselplicht tot handhaving') - and reparatory sanctions since the fourth Tranche (2009), which amongst others regulated the execution of administrative reparatory sanctions and added regulation on administrative fines (a punitive sanction). Additionally, more general provisions of administrative law enforcement are discussed. The development of administrative enforcement are reflected against general developments in administrative law, such as harmonization and the increase of litigation. Lastly some bottlenecks will be noticed and solutions proposed.


Prof.mr.drs. Lex Michiels

    Sinds de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 heeft men herhaaldelijk getracht de gronden voor echtscheiding te verruimen. Hoewel deze gronden uiteindelijk pas verruimd werden in 1971, werd de tot die tijd bestaande situatie, waarbij echtscheiding slechts op vier gronden mogelijk was en echtscheiding met wederzijds goedvinden verboden was, als onwenselijk beschouwd. Dit gevoelen werd nog sterker na het arrest van de Hoge Raad uit 1883, de zogenaamde 'Groote Leugen'. Teneinde een einde te maken aan deze 'Groote Leugen' en in een poging het Nederlandse echtscheidingsrecht meer in lijn te brengen met het Duitse recht, heeft de Nederlandse secretaris-generaal voor Justitie, J.J. Schrieke, tussen 1942 en 1944 twee wijzigingsvoorstellen voorgelegd aan de Duitse autoriteiten welke destijds Nederland bezet hielden. Dit artikel analyseert beide wijzigingsvoorstellen en probeert een antwoord te geven op de vraag in hoeverre deze voorstellen het resultaat waren van een mogelijke invloed van het Nationaal Socialisme.
    ---
    Since the introduction of the Civil Code in 1838 one has repeatedly tried to extend the grounds for divorce. Although the grounds for divorce were not extended before 1971, the then existing situation, with only four grounds for divorce and a prohibition of divorce with mutual consent, was considered undesirable This sentiment became even stronger after the judgment of the Dutch Supreme Court of 1883, which became known as the 'Big Lie'. In order to stop this 'Big Lie' and in an attempt to bring Dutch divorce law more in line with German divorce law, the Dutch secretary-general of Justice, J.J. Schrieke, has presented the German authorities, which then occupied the Netherlands, with two draft revisions between 1942 and 1944. This article analyses both drafts and tries to answer the question to what extent these drafts were the result of a possible influence of National Socialism. This article is a summary of a part of the most important conclusions of the dissertation of the author, titled: 'National Socialist Family Law. The influence of National Socialism on marriage and divorce law in Germany and the Netherlands' defended at Maastricht University on 8 November 2012. A commercial edition of the dissertation is forthcoming.


Dr. Mariken Lenaerts LL.M., Ph.D.
Mariken Lenaerts obtained her doctorate at Maastricht University.
Artikel

Zorgplichten aan het werk

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2013
Trefwoorden zorgplicht, doelregelgeving, normadressaat, handhaving, toezicht, communicatieve wetgeving
Auteurs Mr. W. Timmer
SamenvattingAuteursinformatie

    Met welke middelen en voorwaarden moet de wetgever de behoorlijke naleving en de handhaving van zorgplichtbepalingen borgen? Zorgplichten bevatten namelijk een open norm en de handhaving ervan is niet eenvoudig. Zorgplichten gedijen bij de professionaliteit en de deskundigheid van de normadressaat. Daarom is vrijwillige naleving van de zorgplicht essentieel; afgedwongen naleving door de handhaver leidt tot minder doelbereik van de zorgplicht. Van belang daarvoor is dat de zorgplicht als een communicatieve norm wordt vormgegeven, functionerend binnen een interpretatiegemeenschap. De handhaver moet bereid zijn tot discours met de normadressaat en moet zo min mogelijk aanvullende regels stellen. Casusonderzoek toont dit aan.


Mr. W. Timmer
Mr. W. Timmer is als wetgevingsjurist werkzaam bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel

De afstand tussen burger en rechter

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2013
Trefwoorden Confidence in the judiciary, punitivity gap, accessibility gap
Auteurs Marijke Malsch
SamenvattingAuteursinformatie

    The distance between the public and the judiciary takes two forms: a punitivity gap and an accessibility gap. This article discusses both types of gap and elaborates on the issue of whether the existence of these gaps influences confidence in the judiciary. From the literature, it appears that the public is generally of the opinion that courts sentence too leniently. However, experiments show that when citizens receive information on a specific case, they become less punitive. Information provision may also help to bridge an accessibility gap, as does actual citizen involvement in the administration of justice. The relation between the gaps discussed and confidence in the judiciary is not clear as yet. The article discusses methods generally used to assess confidence and suggests that confidence may be increased by a reduction of the two gaps.


Marijke Malsch
Marijke Malsch is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) te Amsterdam, en rechter-plaatsvervanger bij de Rechtbank Haarlem en het Hof Den Bosch. Bij de Vrije Universiteit (VU) verzorgt zij het vak ‘Recht en Praktijk’. Enkele publicaties: ‘De aanvaarding en naleving van rechtsnormen door burgers: participatie, informatieverschaffing en bejegening’, in: P.T. de Beer & C.J.M. Schuyt (red.), Bijdragen aan waarden en normen, Amsterdam: Amsterdam University Press 2004, p. 77-106. En: Democracy in the courts. Lay participation in European criminal justice systems, Aldershot: Ashgate 2009.
Artikel

Transparantie leidt niet vanzelfsprekend tot vertrouwen in de rechtspraak

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2013
Trefwoorden Transparency, information, factors influencing confidence in the judiciary
Auteurs Petra Jonkers
SamenvattingAuteursinformatie

    Transparency of institutions like the judiciary is often assumed to increase confidence. However, a recent survey concerning opinions about the judiciary showed that in many cases one trusts the judiciary without having any special interest in the judiciary itself. It revealed that confidence in the judiciary depends on various factors like anomy, social trust, general institutional trust, personal experience and feelings about a fair chance in a hypothetical case for court. And transparency will not easily change these factors. Furthermore, providing information can both strengthen and weaken confidence due to the personal backgrounds of those receiving the information. Finally, this paper discusses whether strategic and positive information that is needed to increase confidence allows for drawing one’s own conclusions as transparency promises.


Petra Jonkers
Petra Jonkers is politicoloog en stafmedewerker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Zij promoveerde in 2003 in Nijmegen op een rechtssociologisch onderzoek naar de kwaliteit van wetgeving. Recente publicaties: ‘Inzicht in gedrag voorwaarde voor goede wetgeving’, Regelmaat 2013-28(1), p. 6-21; ‘Zet transparantie liever in voor bekritiseerbaarheid dan voor vertrouwen’, in: D. Broeders, C. Prins, H. Griffioen, P. Jonkers, M. Bokhorst & M. Sax (red.), Speelruimte voor transparantere rechtspraak, Amsterdam: Amsterdam University Press 2013, p. 449-479.

    Since the mid-1980s American recipes for the fight against crime and nuisance are very popular amongst Dutch policymakers. The question posed in this article is why they rather look at the United States than at European countries far more comparable to the Netherlands. The authors answers this question by pointing at the popularity of neo-liberal recipes in general, an emotional historical bond marked by the time that New York was still called New Amsterdam and the liberation from Nazism in 1945, the (sometimes reluctant) acceptance of the US’ role as ‘the world’s policeman’ and a (mostly unspoken) belief that ‘bigger is better’. Next, the author draws some lessons from research on ‘how policy travels’: 1) crime policies are always in much wider social policies and idea(l)s; 2) if something ‘works’ in country A it doesn’t mean it also ‘works’ in country B; 3) policies are always adopted to national circumstances; 4) policymakers are particularly fond of simple messages and dislike nuances and criticism; 5) you can also look at the US in order to find out where ‘we’ don’t want to go; and 6) you most of all learn more about yourself if you look at other countries. The author concludes with a plea for critical cosmopolitanism and a decolonisation of criminology from national biases.


R. van Swaaningen
Prof. dr. René van Swaaningen is hoogleraar internationale en comparatieve criminologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, wetenschappelijk directeur van de Erasmus Graduate School of Law en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Criminologie. E-mail: vanswaaningen@law.eur.nl.
Artikel

The product of design

Veiligheidsbeleid op Amerikaanse leest geschoeid

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 8 2013
Auteurs V. Lub
SamenvattingAuteursinformatie

    In policy development and academic research on urban problems such as poverty, disorder and crime, the United States has served as a model country for the Netherlands for years. This article analyses two Dutch policies in the field of neighbourhood safety that are strongly influenced by American policy. It specifically focuses on the efficacy and applicability of social interventions, i.e. approaches that appeal to residents’ active involvement in the improvement of public safety and quality of life: resident representation comities (I) and neighbourhood watch schemes (II). Available research into the two policy cases illustrates that the ‘hard’ science from the United States can often be complemented with more qualitative information from the Netherlands. American research can thus be used to support Dutch policy designs, provided that knowledge is fine-tuned and contextualised.


V. Lub
Drs. Vasco Lub is oprichter en directeur van het Bureau voor Sociale Argumentatie en tevens promovendus bij de capaciteitsgroep Sociologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Artikel

De hybride positie van de inrichtingsarts: gevangen tussen patiënt en directie

Tijdschrift PROCES, Aflevering 6 2013
Trefwoorden Inrichtingsarts, Detentie, Medische zorg, Dwangmaatregelen
Auteurs Mr. Drs. Marjan Groenouwe
SamenvattingAuteursinformatie

    This article discusses the complicated position of Dutch prison doctors. They not only act as a patient’s personal doctor, but they also have to verify that a prisoner is fit to undergo punishment and they can even be asked by the authorities to carry out involuntary body searches. This can raise serious ethical concerns and cause harm to the doctor-patient relationship. I have tried to determine in what situations the duty to care for their patients conflicts with considerations of prison management.


Mr. Drs. Marjan Groenouwe
Mr. drs. Marjan Groenouwe is junior universitair docent Strafrecht aan de Universiteit Utrecht.
Artikel

Een herstelgerichte benadering van delinquenten met een psychische stoornis

Tijdschrift PROCES, Aflevering 5 2013
Trefwoorden resocialisatie, psychisch gestoorde delinquenten, herstelrecht, actieve verantwoordelijkheid
Auteurs Prof. dr. Frans Koenraadt en Mr. dr. Renée Kool
SamenvattingAuteursinformatie

    Today’s risk based criminal justice policy leaves but little room to tune sentencing decisions to the individual offender’s mental capacities. As a result, sanctioning has become one-sided, being directed towards retribution. However, in the long run such a non-reciprocal concept of sanctioning, implying a denial of the need to facilitate rehabilitation, weakens the social fabric. Moreover, it holds a denial of citizenship towards (mentally ill) offenders. For the past decades, restorative justice has offered alternative solutions to deal with delinquency. Using informal procedures, taking into account peculiarities of the case, including the offender’s mental capacities, offenders are invited to take accountability for wrongful acts. A similar approach has been introduced within the field of mental health services, including the sector of the forensic mental health care. In response to the popular social biological model, a model of restorative treatment has been introduced, implying treatment to be directed towards reintegration, requiring active participation of the patient/offender. Bearing in mind the communalities between both models, we explore the potential of such a restorative citizenship based approach to better the integration of mentally disturbed offenders.


Prof. dr. Frans Koenraadt
Prof. dr. Frans Koenraadt is hoogleraar Forensische psychologie en psychiatrie aan de Universiteit Utrecht en wetenschappelijk adviseur in het Pieter Baan Centrum (NIFP) te Utrecht en bij de FPK te Assen.

Mr. dr. Renée Kool
Mr. dr. Renée Kool is universitair hoofddocent bij het Willem Pompe Instituut, Universiteit Utrecht.
Artikel

Kartelschade in Nederland, een eerste aanzet

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 9 2013
Trefwoorden privaatrechtelijk handhaving, passing-on, voordeelverrekening, schadevergoeding, artikel 101 VwEU
Auteurs Mr. B. Braat
SamenvattingAuteursinformatie

    De uitspraak in eerste aanleg in de zaak TenneT/ABB geeft er een beeld van hoe in Nederland in rechte met kartelclaims wordt omgegaan. De Rechtbank Oost-Nederland komt tot interessante conclusies over de aansprakelijkheid van entiteiten behorend tot het concern van een kartelovertreder en de mogelijkheid van een zogenoemd passing-on verweer. De uitspraak lijkt voor kartelovertreders niet gunstig.
    Rb. Oost-Nederland 16 januari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0403


Mr. B. Braat
Mr. B. (Bram) Braat is advocaat bij CMS en promovendus aan de Radboud Universiteit Nijmegen (onderwerp: civiele handhaving van het mededingingsrecht en het clementiebeleid).
Artikel

Access_open Presumption of Innocence Versus a Principle of Fairness

A Response to Duff

Tijdschrift Netherlands Journal of Legal Philosophy, Aflevering 3 2013
Trefwoorden rules, principles, fairness, PoI
Auteurs Magnus Ulväng
SamenvattingAuteursinformatie

    In my response to Duff I focus mainly on the following two issues. Firstly, I examine what kind of a norm the presumption of innocence (PoI) really is and how it ontologically differs from other types of rules, principles, rationales, etc. My tentative conclusion is that a PoI does not suffice the requirement of being a dogmatic rule and, thus, has less weight than what Duff perhaps assumes.
    Secondly, I examine what role the concept of innocence plays in the debate on fundamental (moral and legal) principles and the underlying rationales of a criminal law system. Although I am sympathetic to much of what Duff purports in his plea for civic trust and a parsimonious use of criminal law, I am reluctant to believe that it is really a broader version of a PoI that warrants the kind of morally decent criminal law system that he suggests normatively ought to be. In my view, most of what Duff wants to ascribe to the PoI can be derived from a principle of fairness which, in my view, is already embedded in the fundamentals of criminal law doctrine.


Magnus Ulväng
Magnus Ulväng is Professor of Criminal Law at Uppsala University.
Artikel

Muziek, criminaliteit en cultuur

Tijdschrift Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit, Aflevering 3 2013
Trefwoorden Music, Crime, Culture, Criminology
Auteurs Tom Decorte en Dina Siegel
SamenvattingAuteursinformatie

    Various disciplines have a longstanding tradition of studying musical genres and the various functions of music, but few criminologists focus on music in their scientific work. This article discusses various relationships between music, crime and culture. We discuss the hypothesis of ‘criminogenic’ music genres, and countless examples of criminalisation of music. We point at the stilistic importance of music genres for subcultures and social movements, and we raise ethical aspects: music can also be used as an instrument of (symbolic) violence, as a punishment or even as torture. Finally, we discuss other functional uses of music: as a vehicle for human emotions, for therapeutic purposes, to influence the behavior of employees and consumers, to enhance feelings of public safety, and to prevent crime and nuisance.


Tom Decorte
Prof. dr. Tom Decorte is hoogleraar criminologie aan de Universiteit Gent. E-mail: Tom.Decorte@ugent.be.

Dina Siegel
Prof. dr. Dina Siegel is hoogleraar criminologie aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen Universiteit Utrecht. E-mail: D.Siegel@uu.nl.
Artikel

Access_open Chicago, Jazz en Marihuana. Howard Becker over Outsiders

Tijdschrift Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit, Aflevering 3 2013
Trefwoorden Becker, Outsiders, biography, methodology
Auteurs Thaddeus Müller
SamenvattingAuteursinformatie

    In this article on the social production of the book Outsiders, I will situate its production in the daily practice of the social worlds in which Becker was involved. Therefore I focus on the relations, interactions and situations which were relevant for the form, content and success of Outsiders. For data, I use fragments from my email communication with Howard Becker, the collected interviews and other publications which show that Becker seeks to demystify Outsiders. My main contribution is that I use Becker’s own words to demystify the ethnographic practice of Outsiders and describe its mundane backstage reality, which is described by Fine as ‘the underside’ of ethnography (1993).


Thaddeus Müller
Dr. Thaddeus Müller is verbonden aan de sectie criminologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam. E-mail: Muller@law.eur.nl.

    In this article I will explore the concept of transgression within the realm of rock music using the biography of Lou Reed, known for such songs as ‘Walk on the Wild Side’ and ’I’m Waiting for the Man’. I discuss Lou Reed’s social transgressions as a reaction to and resistance toward institutions of social control such as family, media and the music industry, which stigmatized him as an outsider. This study, which is based on secondary material, such as biographies, interviews and songs, shows how Lou Reed transgressed social norms with respect to drugs, sex, and gender.


Thaddeus Müller
Dr. Thaddeus Müller is verbonden aan de sectie criminologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam. E-mail: Muller@law.eur.nl.

Koen Geens
Koen Geens is verbonden aan het Jan Ronse Instituut voor Vennootschaps- en Financieel recht, KU Leuven.

Marieke Wyckaert
Marieke Wyckaert is verbonden aan het Jan Ronse Instituut voor Vennootschaps- en Financieel recht, KU Leuven.

    Spoedappèl, zorgverzekeraar, niet-gecontracteerde zorg, artikel 13 Zvw, schending hinderpaalcriterium

Artikel

Regionale risicoprofielen ter versterking van veiligheidscapaciteiten

Overzicht en evaluatie tegen de achtergrond van het externe-veiligheidsbeleid

Tijdschrift Tijdschrift voor Veiligheid, Aflevering 3 2013
Trefwoorden Regional Risk Assessment, all-hazards approach, multi-criteria evaluation, likelihood estimation, risk diagram.
Auteurs Charles Vlek
SamenvattingAuteursinformatie

    A regional risk profile (RRP) is a systematic ordering – by likelihood and impact seriousness – of identified hazards and threats in one of the Netherlands’ 25 safety regions. Since 2010, RRPs follow the Dutch National Risk Assessment (NRA) as a basis for prioritising regional safety capacities. In Europe, RRPs are proliferating, and the corresponding risk-assessment approach is further spreading internationally. The methodology comprises risk identification, scenario development, multi-criteria impact evaluation, expert likelihood estimation, a two-dimensional risk diagram and an analysis and prioritisation of safety capabilities. A compact overview and discussion is provided of the 25 published RRPs for the Netherlands, each covering between 9 and 40 hazards and threats, along with their most and least worrying risk scenarios. It appears that for many regions pandemic disease, electricity black-out and major flooding are most worrying, while transport accident, industry fire and disturbance of water supply are (relatively) least worrying. Also, in different regions similar risk scenarios (e.g., pandemic disease and electricity black-out) are assessed rather differently, both by likelihood and by impact seriousness. Apparent weaknesses of the RRP (and the NRA) approach so far are, among other: lack of stakeholder involvement, rigid multi-criteria impact evaluation, hybrid methods for likelihood estimation, forced comparison of disparate risk scenarios, and unclear decision rules for risk acceptance. Independent review and validation of major RRP components is recommended for strengthening overall results as a reliable basis for regional safety policies. The ‘new risk thinking’ is considered in view of the long-problematic standard-setting approach about Individual Risk and Group Risk in the framework of Dutch external-safety policies. The RRP approach may be called ambitious and much-demanding. External validation and closer cooperation between safety policy-makers and scientists seem desirable.


Charles Vlek
Prof. dr. Charles Vlek is emeritus hoogleraar omgevingspsychologie en besliskunde aan de Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen, Grote Kruisstraat 2/I, 9712 TS Groningen E-mail: c.a.j.vlek@rug.nl.
Artikel

De commanditaire vennootschap als jointventurevehikel: perikelen met het beheersverbod

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2013
Trefwoorden joint venture, commanditaire vennootschap, beheersverbod, bv/cv-structuur
Auteurs Mr. A.J.S.M. Tervoort
SamenvattingAuteursinformatie

    Onderzocht wordt in hoeverre de cv een passende rechtsvorm is voor een joint venture (JV). Daartoe wordt het verbod voor een commanditaire vennoot om daden van beheer te verrichten geanalyseerd. De conclusie is dat de reikwijdte van dit verbod zo onduidelijk is, dat een cv een minder geschikte rechtsvorm is voor een JV wanneer de partners joint control over hun samenwerkingsvehikel willen hebben zonder het risico te lopen op hoofdelijke verbondenheid voor diens schulden. Afgesloten wordt met een overzicht van enige structuurvarianten die beter bruikbaar lijken.


Mr. A.J.S.M. Tervoort
Mr. A.J.S.M. Tervoort is bedrijfsjurist en advocaat te Amsterdam en is als fellow verbonden aan het Zuidas Instituut voor Financieel Recht en Ondernemingsrecht te Amsterdam.
Toont 1 - 20 van 40 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.