Zoekresultaat: 14 artikelen

x
Jaar 2017 x

    The nexus between religion and law is an important subject of comparative law. This paper, however, finds that the majority of comparative theorists rely on the immanent frame; that legal legitimacy can and should be separated from any objective truth or moral norm. But the fact of the matter is many constitutional systems were founded based on a complicated mixture between the transcendent and immanent frame. Whereas in the immanent frame, human actions are considered self-constituting, in the transcendent frame, human actions were judged in light of their correspondence to higher, divine laws and purposes.
    This article argues that it is not sufficient for comparative theorists to offer a perspective from the immanent frame. Comparative theorists in law and religion should understand at least basic religious doctrines and know how to systematize those doctrines. In other words, comparative theorist of law and religion should work within the transcendent frame. By using a transcendent frame, comparative theorists will be able to excavate the underlying structure of religion, and so they will understand better how theological ideas influence law. Furthermore, this paper will also present a thought experiment in applying the transcendent frame in comparative constitutional studies.


Stefanus Hendrianto
Stefanus Hendrianto is a scholar at Boston College, School of Theology and Ministry. In recent years, he has been a visiting professor at Santa Clara University School of Law (2013-2015) and a guest scholar at the Kellogg Institute for International Studies at the University of Notre Dame (2015-2016). He holds a Ph.D. degree from the School of Law, University of Washington, Seattle and LLM degree from Utrecht University, Netherlands, in addition to his LLB degree from Gadjah Mada University, Indonesia.
Artikel

Uitspraak Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 mei 2017, zaak C-133/15, Chavez-Vilchez e.a./Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank e.a.

Het belang van het kind in Zambrano-situaties

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 7 2017
Trefwoorden Europees burgerschap, verblijfsrecht ouder uit derde land, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, bewijsrecht daadwerkelijke dagelijkse zorg
Auteurs Prof. dr. A.A.M. Schrauwen
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 10 mei 2017 verduidelijkte het Hof van Justitie in de zaak Chavez-Vilchez welke belangen nationale autoriteiten dienen te wegen in de beoordeling of een niet-EU-ouder op grond van artikel 20 VWEU een afgeleid verblijfsrecht toekomt. In die belangenafweging spelen ook artikel 7 en 24 lid 2 van het EU Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een rol. Het tot nu toe gevolgde Nederlandse beleid stemt zowel inhoudelijk als met betrekking tot de bewijslast niet overeen met de uitleg die het Hof in deze zaak geeft.
    HvJ 10 mei 2017, zaak C-133/15, H.C. Chavez-Vilchez e.a./Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank e.a., ECLI:EU:C:2017:354


Prof. dr. A.A.M. Schrauwen
Prof. dr. A.A.M. (Annette) Schrauwen is hoogleraar Europese integratie bij het Amsterdam Centre for European Law and Governance en tevens opleidingsdirecteur Masteropleiding International and European Law aan de Universiteit van Amsterdam.

    De beslissing om een deskundige te benoemen behelst een discretionaire bevoegdheid van de rechtbank. Het Activiteitenbesluit is niet van toepassing op geuremissies nu het gaat om een IPPC-installatie waarop een BREF met BBT-conclusies van toepassing is.


Hans Paul Nijhoff
Jurisprudentie

De onbelemmerde richtlijnconforme uitleg van artikel 9a Waadi

HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:689, JAR 2017/136, m.nt. F.G. Laagland (zzp’er/Focus on Human B.V.)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Waadi, Belemmeringsverbod, Uitzendrichtlijn, Overeenkomst van opdracht, Inlener
Auteurs Prof. A.R. Houweling
SamenvattingAuteursinformatie

    In artikel 9a Waadi is een verbod op het stellen van belemmeringsbedingen bij ‘terbeschikkingstelling van arbeidskrachten’ opgenomen. Aanleiding voor dit verbod was de equivalent in de Uitzendrichtlijn die Nederland moest implementeren. De parlementaire geschiedenis van artikel 9a Waadi geeft geen houvast voor de uitleg van het precieze bereik van het artikel. Er wordt enkel verwezen naar de Uitzendrichtlijn die deels via de Waadi in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd. Bijgevolg is voor het bereik van artikel 9a Waadi het bereik van artikel 6 lid 2 Uitzendrichtlijn van belang. Het Hof van Justitie van de EU heeft tot op heden geen uitspraak gedaan over het precieze bereik van artikel 6 lid 2 Uitzendrichtlijn. Dit maakt het oordeel van de Hoge Raad van 14 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:689, JAR 2017/136, m.nt. F.G. Laagland (zzp’er/Focus on Human B.V.)) en diens weigering prejudiciële vragen te stellen extra interessant. De auteur staat in dit commentaar stil bij twee vragen:
    Beschermt artikel 9a Waadi ook een ex-werknemer die bij de inlener op basis van een overeenkomst van opdracht (geen arbeidsovereenkomst) werkzaamheden gaat verrichten? En zo ja, bieden de tekst en toelichting van artikel 9a Waadi de nationale rechter voldoende ruimte richtlijnconform te interpreteren?
    Beschermt artikel 9a Waadi ook de werknemer die reeds een vast contract heeft bij de uitlener?


Prof. A.R. Houweling
Prof. A.R. Houweling is hoogleraar Arbeidsrecht aan de Erasmus School of Law.
Artikel

De strekkingsbeperking binnen het Europese mededingingsrecht: het EVA-Hof puzzelt mee

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 5 2017
Trefwoorden mededingingsrecht, doelbeperking, Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie, strekkingsbeperking, rechtspraak
Auteurs Mr. J. Mulder
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze uitspraak van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie gaat in op een langslepende discussie omtrent de invulling van het onderzoek dat vereist is om te kunnen concluderen dat sprake is van een mededingingsrechtelijke strekkingsbeperking. Lange tijd was sprake van onduidelijkheid omtrent de exacte rol van de mededingingsbeperkende gevolgen binnen dit onderzoek. In de Cartes Bancaires-uitspraak heeft het Hof van Justitie besloten dat voor strekkingsbeperkingen geen enkel onderzoek is vereist naar de concrete gevolgen mits de overeenkomst behoort tot een categorie gedragingen waarvan de ervaring leert dat zij in voldoende mate de mededinging nadelig kunnen beïnvloeden. Daarnaast moet worden vastgesteld dat een overeenkomst in het licht van de economische en juridische context in staat is de mededinging te beperken. Het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie volgt deze benadering op een zeer heldere en systematische wijze. Na lezing van de uitspraak rijst echter de vraag: ontaardt een beoordeling van de economische en juridische context in bepaalde marktsituaties niet toch in een beoordeling van de gevolgen van een overeenkomst?
    EVA-Hof 22 december 2016, zaak E-03/16, Ski Taxi, Follo Taxi/Noorwegen


Mr. J. Mulder
Mr. J. (Jotte) Mulder is universitair docent aan de Universiteit Utrecht binnen de afdeling economisch publiekrecht van het Europa Instituut.
Artikel

Beheersen en bestrijden – het voorzorgsbeginsel en informatieplichten bij de onzekere risico’s van Q-koorts

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 3 2017
Trefwoorden Q-koorts, aansprakelijkheid, voorzorgsbeginsel, milieuaansprakelijkheid
Auteurs Mr. M.J.W. (Matthijs) Timmer en Mr. N. (Nikky) van Triet
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel gaan de auteurs in op de rol die het voorzorgsbeginsel speelt in de uitspraak van de Rechtbank Den Haag over de aansprakelijkheid van de Staat vanwege de Q-koortsepidemie.


Mr. M.J.W. (Matthijs) Timmer
Mr. M.J.W. Timmer is legal counsel bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij.

Mr. N. (Nikky) van Triet
Mr. N. van Triet is advocaat bij Van der Feltz advocaten en promovenda aan de Radboud Universiteit Nijmegen op het gebied van overheidsaansprakelijkheid bij informatieverstrekking.
Artikel

Alsof zij nooit geboren waren …

Herinnering, ontkenning en de oude Jodenbuurt in Amsterdam

Tijdschrift Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit, Aflevering 2 2017
Trefwoorden memorialisation, Holocaust, Amsterdam, memory, social construction
Auteurs prof. mr. Chrisje Brants
SamenvattingAuteursinformatie

    After catastrophic events, memorialisation is part of coming to terms with the past and rebuilding the future. It is also part of the social construction of the past – a struggle between conflicting representations of past events by different groups in society, with different memories, interests and degrees of power to influence which version of history is eventually recognized as correct and which is denied. In Western Europe, we tend to study such processes in parts of the world far removed from our own, forgetting that the major genocide of the 20th century, took place in our own cities, and that a process of memorialisation was ongoing there for many years after the war. The Jewish quarter in the centre of Amsterdam has many monuments, buildings and museums connected to the history of the Jews of Amsterdam, the majority of whom died in the death camps of the Shoa. The memory landscape of the Jewish quarter is dynamic, a reflection of a culture of remembrance and denial concerning the Second World War, in which events and people are remembered, but others forgotten. What can the urban landscape of Amsterdam tell us about this culture and its relationship to social and political events during and after the war? What/who are remembered and what/who forgotten, by whom, and why? How has that changed over time?


prof. mr. Chrisje Brants
Prof. mr. Chrisje Brants is emeritus hoogleraar straf(proces)recht bij het Willem Pompe Instituut, Universiteit Utrecht, en professor of law bij Northumbria University, Newcastle, Verenigd Koninkrijk.
Artikel

Uitspraak Hof van Justitie van de Europese Unie, 7 maart 2017, zaak C-638/16 PPU, X. en X./België

Een gemiste kans voor een uniforme en mensenrechtelijke uitleg van de Visumcode wat betreft de afgifte van een humanitair visum

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2017
Trefwoorden humanitair visum, kortverblijfvisum, Visumcode, recht op asiel, refoulementverbod
Auteurs Dr. mr. E.R. Brouwer
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 7 maart 2017 oordeelde het Hof van Justitie in de zaak X. en X./België dat het Unierecht niet verplicht tot de afgifte van een humanitair visum om personen in staat te stellen op het grondgebied van een van de lidstaten asiel aan te vragen. Anders dan geadviseerd door advocaat-generaal Mengozzi concludeert het Hof van Justitie dat in dergelijke gevallen de Visumcode (Verordening (EU) nr. 810/2009) niet van toepassing is. Hiermee is de uitspraak een gemiste kans om duidelijkheid te bieden inzake de uitleg van artikel 25 van de Visumcode en de extraterritoriale toepassing van artikelen 4 en 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
    HvJ 7 maart 2017, zaak C-638/16 PPU, X. en X./België, ECLI:EU:C:2017:173


Dr. mr. E.R. Brouwer
Dr. mr. E.R. (Evelien) Brouwer is senior onderzoeker migratierecht, Vrije Universiteit Amsterdam
Casus

De rechter als wetgevingswaakhond

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 2 2017
Trefwoorden beleidsneutraliteit, proportionaliteitstoets, evidence base, Daubert-doctrine
Auteurs Prof. dr. R.A.J. van Gestel
SamenvattingAuteursinformatie

    We zien in de Verenigde Staten momenteel hoe belangrijk rechterlijke controle op de kwaliteit van wetgeving kan zijn, bijvoorbeeld bij het omstreden inreisverbod voor migranten uit ‘islamitische landen’. Gevaar daarbij is echter dat de rechter te veel in politiek vaarwater terechtkomt. Misschien dat de Amerikaanse rechter op dit punt wat kan leren van het Hof van Justitie van de EU, dat een procedurele toets heeft ontwikkeld om de ‘evidence base’ van wetten te toetsen door bijvoorbeeld te kijken in hoeverre er impact assessments zijn uitgevoerd volgens de methoden die daartoe in het wetgevingsbeleid ontwikkeld zijn. Tegelijkertijd laat de Luxemburgse jurisprudentie zien dat men er daarbij misschien toch niet altijd aan ontkomt om ook naar de kwaliteit van het onderliggende bewijs te kijken. Hier kan Luxemburg wellicht wat leren van het U.S. Supreme Court, dat regels heeft ontwikkeld met betrekking tot de vraag hoe rechters dienen om te gaan met deskundigenbewijs en wetenschappelijke gegevens.


Prof. dr. R.A.J. van Gestel
Prof. dr. R.A.J. (Rob) van Gestel is hoogleraar Regulering en Juridische methoden en technieken aan de Tilburg Law School.

Mr. dr. M.C. Ploem
Corrette Ploem is onderzoeker/docent gezondheidsrecht bij het AMC/Universiteit van Amsterdam, en lid van de redactie van dit tijdschrift.

    Verweerder heeft in redelijkheid aansluiting gezocht bij de standaardgeluidnormen in het Activiteitenbesluit. Hogere waarden dan de standaardgeluidsnormen van het Activiteitenbesluit zijn in redelijkheid aanvaardbaar indien niet op korte termijn een meer geschikte, alternatieve locatie voorhanden is.


Hans Paul Nijhoff
Artikel

Het EVRM en een strafbaarstelling voor overtreding van een visumsysteem in de strijd tegen het terrorisme

Tijdschrift PROCES, Aflevering 1 2017
Trefwoorden Terrorismebestrijding, Visumstelsel, FTF, Mensenrechten
Auteurs Ernesto M.J. Lentze
SamenvattingAuteursinformatie

    A visa system covered by criminal law could adequately confront the current issues surrounding terrorism and in particular Foreign Terrorist Fighters (FTF’s). Classical legal research demonstrates that the idea of creating a criminal offense for breaching this visa system does not conflict with relevant human rights parameters of the European Convention, except in cases where journalists or non-journalists with a strong civil expression would be prevented to undertake obvious journalistic activities. The latter differs during a state of emergency, but this is undesirable given the fundamental role of freedom of expression within democratic constitutional societies.


Ernesto M.J. Lentze
Ernesto Lentze is politicoloog, jurist en journalist.

    Nederlandse kinderen lijken minder te weten over kinder- en mensenrechten dan andere kinderen in Europa. Om die reden zien beleidsmakers, wetenschappers en maatschappelijke organisaties een noodzaak om formele educatie op deze onderwerpen te introduceren in alle onderwijsniveaus. Wat denken middelbare leerlingen zelf hier echter over? Dit artikel onderzoekt het rechtsbewustzijn van kinderen in drie Nederlandse middelbare scholen ten aanzien van hun specifieke rechten als kinderen. Het wordt duidelijk dat kinderen ideeën en meningen hebben over hun rechten en daarmee een rechtsbewustzijn hebben, ook als zij geen rechtenjargon gebruiken. Hun rechtsbewustzijn bestaat uit moraliteit, wat verklaart dat zij bepaalde rechten zelf bedenken: sommige thema’s vinden zij zo belangrijk dat zij voelen dat ze deel uitmaken van hun fundamentele rechten als kinderen. Het integreren van mensenrechteneducatie in het schoolcurriculum zou een nodige, maar is een onvoldoende oplossing voor het ‘probleem’ dat voor ons ligt. Het is namelijk niet bewezen of meer kennis op deze onderwerpen ook leidt tot verandering van gedrag. De kinderen maakten namelijk ook bewuste keuzes om níet hun rechten in te roepen, maar om hun problemen anderszins op te lossen. Dit moet worden meegenomen om interventies effectief te laten zijn, zodat niet het tegenovergestelde van wat gewenst is, wordt bereikt. En effectieve interventies dienen daarnaast aan te sluiten bij het dagelijks leven van de kinderen. Volgens de leerlingen zijn kinderrechten vooral ook iets dat we moeten doen en oefenen.
    Dutch children seem to be less informed about children’s and human rights than their peers in other European states. Therefore, policy makers, academics and CSOs recognise a need to introduce formal education on these matters in all levels of schooling. But what do secondary school children themselves think about this? This article explores the legal consciousness of children in three Dutch schools on their specific rights as children. It has been evidenced that children have ideas and opinions about their rights and therefore have a legal consciousness, though without using the language of the law. Their legal consciousness consists of morality, which explains their ‘invention’ of certain rights: some themes are of such importance that they feel these are part of their fundamental rights as children. Integrating human rights education into the school curriculum may be a necessary, but is an insufficient solution to the ‘problem’ at hand. It has not been evidenced whether more knowledge changes their behavior. The children made informed decisions to not invoke their rights, and to solve their problems differently. Effective interventions need to take this into account in order to relate to their everyday lives and avoid having the opposite effect of what is intended. According to the students, children’s rights are mostly something to be done or practiced.


Carrie van der Kroon LL.M.
Carrie van der Kroon works as a programme officer on girls’ rights in the Global South at Defence for Children International – ECPAT the Netherlands. She obtained her masters in Legal Research (Cum Laude) at Utrecht University in the Netherlands, specialising in international children’s rights from a socio-legal perspective.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.