Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 419 artikelen

x
Jaar 2013 x

    In 1998 a chapter on administrative enforcement was added to the GALA (in the so-called third Tranche). This contribution reflects on the legislative aims of this Tranche; to what extent these aims have been attained and what important developments have occurred since. As the third Tranche has led to little reform, a brief review will suffice. The developments after the third Tranche are discussed extensively, concerning both the third Tranche - amongst others the obligation in principle to enforce ('beginselplicht tot handhaving') - and reparatory sanctions since the fourth Tranche (2009), which amongst others regulated the execution of administrative reparatory sanctions and added regulation on administrative fines (a punitive sanction). Additionally, more general provisions of administrative law enforcement are discussed. The development of administrative enforcement are reflected against general developments in administrative law, such as harmonization and the increase of litigation. Lastly some bottlenecks will be noticed and solutions proposed.


Prof.mr.drs. Lex Michiels

    This contribution scrutinizes the effect of the General Administrative Act (Algemene wet bestuursrecht) on the doctrine of administrative supervision (bestuurlijk toezicht), especially on the (governmental) power of spontaneous annulment (spontane vernietigingsrecht) towards local authorities. In 1998 the legal provisions concerning administrative supervision have been transferred from the Local Government Act (Gemeentewet) to the General Administrative Act. Since then the doctrine was subject to several major changes, from which the 2006 Policy document on spontaneous annulment (Beleidskader spontane vernietiging) and the 2012 Act on re-vitalizing general supervision (Wet revitalisering generiek toezicht) are the most important. The provisions from the General Administrative Act concerning administrative supervision have hardly been changed; case law concerning spontaneous annulment mainly concerned the interpretation of the Policy documents. The provisions regarding administrative supervision and laid down in the General Administrative Act, can therefore be seen as of constant value of administrative supervision.


Mr. Hansko Broeksteeg
Mr. Broeksteeg is universitair hoofddocent Staatsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

    Sinds de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 heeft men herhaaldelijk getracht de gronden voor echtscheiding te verruimen. Hoewel deze gronden uiteindelijk pas verruimd werden in 1971, werd de tot die tijd bestaande situatie, waarbij echtscheiding slechts op vier gronden mogelijk was en echtscheiding met wederzijds goedvinden verboden was, als onwenselijk beschouwd. Dit gevoelen werd nog sterker na het arrest van de Hoge Raad uit 1883, de zogenaamde 'Groote Leugen'. Teneinde een einde te maken aan deze 'Groote Leugen' en in een poging het Nederlandse echtscheidingsrecht meer in lijn te brengen met het Duitse recht, heeft de Nederlandse secretaris-generaal voor Justitie, J.J. Schrieke, tussen 1942 en 1944 twee wijzigingsvoorstellen voorgelegd aan de Duitse autoriteiten welke destijds Nederland bezet hielden. Dit artikel analyseert beide wijzigingsvoorstellen en probeert een antwoord te geven op de vraag in hoeverre deze voorstellen het resultaat waren van een mogelijke invloed van het Nationaal Socialisme.
    ---
    Since the introduction of the Civil Code in 1838 one has repeatedly tried to extend the grounds for divorce. Although the grounds for divorce were not extended before 1971, the then existing situation, with only four grounds for divorce and a prohibition of divorce with mutual consent, was considered undesirable This sentiment became even stronger after the judgment of the Dutch Supreme Court of 1883, which became known as the 'Big Lie'. In order to stop this 'Big Lie' and in an attempt to bring Dutch divorce law more in line with German divorce law, the Dutch secretary-general of Justice, J.J. Schrieke, has presented the German authorities, which then occupied the Netherlands, with two draft revisions between 1942 and 1944. This article analyses both drafts and tries to answer the question to what extent these drafts were the result of a possible influence of National Socialism. This article is a summary of a part of the most important conclusions of the dissertation of the author, titled: 'National Socialist Family Law. The influence of National Socialism on marriage and divorce law in Germany and the Netherlands' defended at Maastricht University on 8 November 2012. A commercial edition of the dissertation is forthcoming.


Dr. Mariken Lenaerts LL.M., Ph.D.
Mariken Lenaerts obtained her doctorate at Maastricht University.
Artikel

Access_open Empirical Facts: A Rationale for Expanding Lawyers’ Methodological Expertise

Tijdschrift Law and Method, 2013
Trefwoorden empirical facts, research methods, legal education, social facts
Auteurs Terry Hutchinson
SamenvattingAuteursinformatie

    This article examines the importance of the social evidence base in relation to the development of the law. It argues that there is a need for those lawyers who play a part in law reform (legislators and those involved in the law reform process) and for those who play a part in formulating policy-based common law rules (judges and practitioners) to know more about how facts are established in the social sciences. It argues that lawyers need sufficient knowledge and skills in order to be able to critically assess the facts and evidence base when examining new legislation and also when preparing, arguing and determining the outcomes of legal disputes. For this reason the article argues that lawyers need enhanced training in empirical methodologies in order to function effectively in modern legal contexts.


Terry Hutchinson
Terry Hutchinson is Associate Professor, Law School at QUT Faculty of Law.
Artikel

Access_open ‘I’d like to learn what hegemony means’

Teaching International Law from a Critical Angle

Tijdschrift Law and Method, 2013
Trefwoorden Bildung, cultural hegemony, international law, teaching
Auteurs Christine E.J. Schwöbel-Patel
SamenvattingAuteursinformatie

    This contribution explores the possibility of teaching international law in a critical fashion. I examine whether the training which is taking place at law schools is establishing and sustaining a cultural hegemony (a term borrowed from Antonio Gramsci). I ask whether the current focus on technical practice-oriented teaching is a condition which should be questioned, even disrupted? In my thoughts on reorientations of this culture, a central term is the German word Bildung. Bildung refers to knowledge and education as an end in itself (John Dewey) as well as an organic process (Hegel), and therefore incorporates a wider understanding than the English word ‘education’. In terms of international law, a notion of Bildung allows us to acknowledge the political nature of the discipline; it may even allow us to ‘politicize’ our students.


Christine E.J. Schwöbel-Patel
Christine E.J. Schwöbel-Patel is Lecturer in Law at University of Liverpool.
Artikel

De rechtsmacht van de rechter en het toepasselijke recht op de EU-behandelingsovereenkomst

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 4 2013
Trefwoorden behandelingsovereenkomst, aansprakelijkheid, toepasselijk recht, rechtsmacht rechter
Auteurs Mr. R.P. Wijne
SamenvattingAuteursinformatie

    Patiënten die in een Belgische kliniek een (cosmetische) geneeskundige behandeling ondergaan, zijn niet langer een uitzondering. Net als in Nederland kunnen in België fouten worden gemaakt, kan de patiënt schade lijden en kunnen zich geschillen voordoen. Gewoontegetrouw zal de Nederlandse patiënt zich in zo’n geval tot de Nederlandse rechter wenden. Maar is dit wel de juiste weg en is het Nederlandse recht eigenlijk wel van toepassing? In de onderhavige bijdrage wordt op deze vragen antwoord gegeven aan de hand van een analyse van de Rome I-Verordening en de EEX-Verordening. Na een tussenconclusie wordt voorts bezien of de typering van de behandelingsovereenkomst als een consumentenovereenkomst of afspraken tussen arts en patiënt kunnen leiden tot de toepassing van ander recht.


Mr. R.P. Wijne
Mr. R.P. Wijne is auteur van het proefschrift Aansprakelijkheid voor zorggerelateerde schade, dat zij op 12 september 2013 heeft verdedigd. Wijne is voorts docent gezondheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam, lid-jurist bij de medische tuchtcolleges en medewerker bij het Wetenschappelijk Bureau van Holla Advocaten te Eindhoven.
Artikel

Naasten, fundamentele rechten en het Nederlandse limitatief en exclusief werkende artikel 6:108 BW: één probleem, twee perspectieven

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 4 2013
Trefwoorden EVRM, recht op leven, schadevergoeding, overlijdensschade, nabestaanden
Auteurs Mr. dr. J.M. Emaus en Mr. dr. R. Rijnhout
SamenvattingAuteursinformatie

    Het recht onder het EVRM, zoals zich dat vormt in de rechtspraak van het EHRM, leidt tot inconsistenties in het Nederlandse schadevergoedingsrecht: een naaste van een persoon die slachtoffer is geworden van een schending van het recht op leven kan tegenwoordig immers alleen vergoeding van eigen immateriële schade vorderen als de schending is gepleegd door een overheidsorgaan. Deze inconsistentie verdient aandacht, maar men realisere zich dat we hier raken aan bredere problematiek. Wij menen daarom dat er in de discussie over de inconsistentie eerst aandacht moet zijn voor de bredere vragen: hoe werken fundamentele rechten door en welke derde verdient waarvan vergoeding? Centraal staan daarbij steeds de overkoepelende kernvragen: wie verdient rechtens een remedie en waarom?


Mr. dr. J.M. Emaus
Mr. dr. J.M. Emaus is docent en onderzoeker aan het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht en verbonden aan het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law (UCALL) en het Utrecht Centre for Regulation and Enforcement in Europe (RENFORCE).

Mr. dr. R. Rijnhout
Mr. dr. R. Rijnhout is universitair docent aan het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht, verbonden aan het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law (UCALL) en redacteur van dit tijdschrift.
Jurisprudentie

IPR-problemen in de WOR en het enquêterecht

Ondernemingskamer 21 december 2012, JAR 2013/67 (VLM II) en HR 29 maart 2013, JOR 2013/166 (Chinese Workers)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2013
Trefwoorden WOR, enquêterecht, IPR, toepasselijk recht, bevoegde rechter, VLM, Chinese Workers
Auteurs F.G. Laagland
SamenvattingAuteursinformatie

    De Ondernemingskamer is de enige bevoegde rechter in feitelijke instantie in WOR- en enquêtezaken. In korte tijd moest de Ondernemingskamer in beide rechtsgebieden oordelen over twee zaken die zich afspeelden binnen internationaal concernverband. Bij internationale kwesties komt het internationaal privaatrecht (IPR) om de hoek kijken. Het gaat bij het IPR om twee te onderscheiden aspecten: (1) de internationale bevoegdheid van de rechter (rechtsmacht) en (2) zijn oordeel over het op het internationale rechtsgeschil toepasselijke recht. In deze bijdrage gaat de auteur aan de hand van de VLM II-beschikking en de Chinese Workers-beschikking na hoe de Ondernemingskamer in WOR- en enquêtezaken omgaat met vragen van internationaal-privaatrechtelijke aard.


F.G. Laagland
Mw. mr. F.G. Laagland is docent/onderzoeker sociaal recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en redactiesecretaris van ArA.
Jurisprudentie

Verplichte vervroegde pensionering van piloten: leeftijdsdiscriminatie?

HR 13 juli 2012, JAR 2012/209, NJ 2012, 396 (werknemers/KLM en VNV)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2013
Trefwoorden vervroegd pensioenontslag, leeftijdsdiscriminatie, objectieve rechtvaardigingsgronden, legitiem doel, proportionaliteit, motivering
Auteurs T. Jaspers
SamenvattingAuteursinformatie

    Verplicht vervroegd pensioen is een fenomeen dat weliswaar steeds minder voorkomt, maar voor sommige beroepen nog vrij normaal is. Bij luchtvaartmaatschappijen zoals de KLM, maar daar niet alleen, geldt nog steeds een regeling dat piloten ruim voor de AOW-leeftijd, variërend van 56 tot 60 jaar, met pensioen (moeten) gaan. Er geldt een automatisch pensioenontslag. In 2012 heeft de Hoge Raad zich opnieuw moeten buigen over wat door piloten als leeftijdsdiscriminatie wordt aangemerkt. In 2006 had de Hoge Raad dat ook al eens gedaan in soortgelijke zaken. In de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie vindt men inmiddels een uitgebreide jurisprudentie op verplicht pensioenontslag. In zijn recente arrest van 2012 volgt de Hoge Raad de lijn van de rechtspraak van het Europese Hof en komt tot de conclusie dat er weliswaar sprake is van ‘onderscheid naar leeftijd’, maar dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat zoals door KLM en de vakbond van piloten was aangegeven. Deze uitspraak is niet alleen van belang voor deze KLM-piloten, maar gaat verder, omdat het verplichte of automatische pensioenontslag, niet alleen ‘vervroegd’ maar ook op latere leeftijd, zoals dat tegenwoordig vaker voorkomt, hier aan de orde is. In deze annotatie wordt de motivering van de Hoge Raad – en van het hof van Amsterdam in appèl – tegen het licht gehouden en geconfronteerd met de wijze waarop het Europese Hof en de hoogste gerechten in Duitsland en Frankrijk te werk gaan. Er kan gerede twijfel rijzen of de redeneringen in de Nederlandse rechtspraak wel even sound en houdbaar zijn als we in de rechtspraak van het Europese Hof en het Duitse Bundesarbeitsgericht aantreffen. De materie is weerbarstig, dat is wel duidelijk. Zij heeft vele facetten, niet in het minst uit een oogpunt van werkgelegenheidsbeleid, landelijk én lokaal of zelfs op het niveau van de onderneming. In deze annotatie worden de verschillende invalshoeken belicht om tot een oordeel te komen óf en zo ja onder welke voorwaarden een dergelijk onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd zou kunnen zijn en welke eisen gesteld zouden moeten worden aan de motivering ervan.


T. Jaspers
Prof. mr. A.P.C.M. Jaspers is emeritus hoogleraar Sociaal Recht aan de Universiteit Utrecht.
Artikel

Promoveren in het arbeidsrecht – een overzicht

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2013
Trefwoorden dissertaties, proefschriften, promotor, sociaal recht, proefschriftthema’s
Auteurs R.M. Beltzer
SamenvattingAuteursinformatie

    Wie wil weten welke dissertaties in Nederland op het terrein van het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht zijn verschenen, wacht een lange zoektocht. De verscheidene digitale bibliotheken bieden (nog) geen makkelijk doorzoekbaar, relevant overzicht. In deze bijdrage is gepoogd een dergelijk overzicht te geven. De bijdrage bevat niet alleen een lijst van de door de auteur gevonden dissertaties, maar ook informatie omtrent, onder andere, (trends in) gekozen proefschriftthema’s, aantallen dissertaties per faculteit en per decennium.


R.M. Beltzer
Prof. mr. R.M. Beltzer is hoogleraar arbeid en onderneming aan de Universiteit van Amsterdam.
Jurisprudentie

Access_open Tien jaar later: kritische beschouwingen bij de visie van het Europees Hof op de sharia

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 3 2013
Trefwoorden European Court of Human Rights, Sharia, Refah Partisi, human rights
Auteurs Maurits Berger
SamenvattingAuteursinformatie

    The article discusses the implications of the Refah Partisi vs. Turkey case. The Court has made onerous assumptions about the notion sharia by declaring it a ‘violation of [European Human Rights] Convention values’. The Court should not have ventured into an interpretation of a highly technical and controversial term like ‘sharia’, especially when done so in connection with the inciting use of that term by Refat Partisi members. Moreover, given the fact that sharia also encompasses religious rituals like prayer, fasting and burial, calling sharia a violation of human rights is a misnomer. The Court should not have allowed itself to get lured into a domain it is not knowledgeable about but should have stuck to strict legal reasoning.


Maurits Berger
Prof. dr. mr. M.S. Berger is hoogleraar Islam in het hedendaagse Westen aan de Universiteit Leiden en hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. M.S.Berger@religion.leidenuniv.nl.
Artikel

Access_open De levensbeschouwelijke identiteit van de ongebonden geestelijk verzorger

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 3 2013
Trefwoorden spiritualiteit,, geestelijke verzorging, gezondheidszorg, ambtelijke binding
Auteurs Jurn de Vries
SamenvattingAuteursinformatie

    Spiritual assistance to people in an institute, was of old a task of churches and religious or philosophical communities. In the intramural health care more and more health care chaplains are working, the position of which is based only on an appointment of the management and not at the same time on a mission of a church or comparable community. This is experienced as a problem, because there is no supervision on the qualities of these health care chaplains. Therefore a committee recently proposed to establish a Council for Independent Spirituality, who tests the qualification and the competence of unattached health care chaplains and take care of their work.


Jurn de Vries
Dr. J.P. de Vries is onderzoeker aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Kampen. vries.jpde@tiscali.nl.
Artikel

Verzamelwetgeving: meer dan een opeenhoping van wijzigingsvoorstellen

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2013
Trefwoorden verzamelwetgeving, voorstel van wet
Auteurs mr. W.A.E. Brüheim
SamenvattingAuteursinformatie

    Verzamelwetgeving lijkt met name in de Eerste Kamer een imagoprobleem te hebben. De bezwaren tegen dit type wetgeving hebben echter veelal slechts betrekking op een klein deel van de wetten die in de praktijk met dit begrip worden aangeduid. In deze bijdrage wordt daarom een scherpere definitie van het begrip verzamelwetgeving voorgesteld. Ook wordt ingegaan op een betrekkelijk recente nota waarin criteria worden gegeven om de opportuniteit te beoordelen van het opnemen van een onderwerp in een verzamelwetsvoorstel.


mr. W.A.E. Brüheim
mr. W.A.E. Brüheim is werkzaam als senior juridisch adviseur en coördinator internationale zaken bij de Kiesraad.
Discussie

Rosanvallon en de wet van de tegendemocratie

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2013
Trefwoorden democratie, tegendemocratie, meerderheid, algemeen belang
Auteurs Prof. Dr. W.J. Witteveen
SamenvattingAuteursinformatie

    De parlementaire democratie berust op basisficties die niet goed begrepen worden en niet goed meer werken. Omdat het moeilijk blijkt om de tegenstrijdige verwachtingen van de politieke cultuur waar te maken, doen zich voortdurend fricties voor. Rosanvallon verschaft een historische en filosofische analyse van deze onbevredigende en onhoudbare situatie en schetst een tegendemocratie die het bestel weer legitimiteit kan verschaffen.


Prof. Dr. W.J. Witteveen
Prof. Dr. W.J. Witteveen is hoogleraar rechtstheorie en retorica aan de Universiteit van Tilburg.

    Preventive interventions against terrorist attacks can be justified on legal and moral grounds. The Dutch broad-based approach against terrorism also addresses radicalizations processes. It is, however, hard to justify why a government in a liberal democracy should be allowed to intervene in processes of radicalization where danger to society is not obvious. A reason to justify intervention is when a (former) radical asks for help. Theories based on the ideas of Kant and Rawls also allow for intervention if an individual’s autonomy is diminished because he is member of a sect or under the spell of a charismatic leader. Other interventions with regard to (prevention of) radicalization cannot be justified by deontological theories such as Kant’s and Rawls’. Virtue ethics or teleology would, however, allow interventions but only if they are geared towards helping the individual in their quest to the good life. This justification allows for interventions that are, for example, focused on supporting individuals to critically reflect, reason and discuss about the good life and a just society. Based on the teleological justification constraints can be derived for preventive interventions with regard to radicalization or even deradicalisation. Notice that individuals cannot be forced to join these programs because there is no legal basis.


Anke van Gorp
Dr. ir. Anke van Gorp is onderzoeker en hogeschooldocent Ethiek en Veiligheid aan de Hogeschool Utrecht, Integrale Veiligheidskunde, Faculteit FMR. E-mail: anke.vangorp@hu.nl

Arnold Roosendaal
Mr. Arnold Roosendaal is onderzoeker bij TNO, afdeling Strategy and Policy for the Information Society.
Artikel

De afstand tussen burger en rechter

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2013
Trefwoorden Confidence in the judiciary, punitivity gap, accessibility gap
Auteurs Marijke Malsch
SamenvattingAuteursinformatie

    The distance between the public and the judiciary takes two forms: a punitivity gap and an accessibility gap. This article discusses both types of gap and elaborates on the issue of whether the existence of these gaps influences confidence in the judiciary. From the literature, it appears that the public is generally of the opinion that courts sentence too leniently. However, experiments show that when citizens receive information on a specific case, they become less punitive. Information provision may also help to bridge an accessibility gap, as does actual citizen involvement in the administration of justice. The relation between the gaps discussed and confidence in the judiciary is not clear as yet. The article discusses methods generally used to assess confidence and suggests that confidence may be increased by a reduction of the two gaps.


Marijke Malsch
Marijke Malsch is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) te Amsterdam, en rechter-plaatsvervanger bij de Rechtbank Haarlem en het Hof Den Bosch. Bij de Vrije Universiteit (VU) verzorgt zij het vak ‘Recht en Praktijk’. Enkele publicaties: ‘De aanvaarding en naleving van rechtsnormen door burgers: participatie, informatieverschaffing en bejegening’, in: P.T. de Beer & C.J.M. Schuyt (red.), Bijdragen aan waarden en normen, Amsterdam: Amsterdam University Press 2004, p. 77-106. En: Democracy in the courts. Lay participation in European criminal justice systems, Aldershot: Ashgate 2009.
Artikel

Verschillen tussen burgers in vertrouwen in de rechtspraak

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2013
Trefwoorden Confidence in the judiciary, framing, windtunneling
Auteurs Bert Niemeijer en Peter van Wijck
SamenvattingAuteursinformatie

    The degree to which individuals have confidence in the judiciary varies substantially. In this paper, we take the heterogeneity of the population as a starting-point. Our basic idea is that signals about the judiciary acquire significance through frames, schemes of interpretation. Using focus groups we portrayed contrasting frames of citizens. These frames enable us to test the consequences of measures to promote confidence. Measures that tend to increase confidence according to one frame may decrease confidence according to another. This yields dilemmas for those looking for possibilities to promote confidence. One possibility to deal with these dilemmas is to differentiate between different audiences.


Bert Niemeijer
Bert Niemeijer is (bijzonder) hoogleraar rechtssociologie aan de Vrije Universiteit en coördinator strategieontwikkeling bij het ministerie van Veiligheid en Justitie. Recente publicaties: ‘Wat leren wetsevaluaties ons over de effectiviteit van wetgeving?’, in: M. Hertogh & H. Weyers (red.), Recht van onderop. Antwoorden uit de rechtssociologie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2011, p. 41-61; ‘De verklaring van geschilgedrag – Gedragseconomische bijdragen en hun beperkingen’, in: W.H. van Boom, I. Giesen & A.J. Verheij (red.), Capita civilologie. Handboek empirie en privaatrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 109-145 (met C. Klein Haarhuis).

Peter van Wijck
Peter van Wijck is universitair hoofddocent rechtseconomie aan de Universiteit Leiden en coördinator strategieontwikkeling bij het ministerie van Veiligheid en Justitie. Recente publicaties: ‘The economics of pre-crime interventions’, European Journal of Law and Economics 2013-35, p. 441-458 en (met Ben van Velthoven), Recht en efficiëntie: een inleiding in de economische analyse van het recht, Deventer: Kluwer, vijfde druk, 2013.
Artikel

Vertrouwen en wantrouwen in de Belgische justitie en de rol van de krantenberichtgeving

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2013
Trefwoorden Trust in justice system, Belgium, reporting of newspapers
Auteurs Stien Mercelis
SamenvattingAuteursinformatie

    In this contribution it has been set out that trust in the Belgian justice system cannot be taken for granted. The article contains empirical research on the reporting of newspapers on the Belgian justice system and tries to uncover a possible causal relationship between reading certain newspapers and trust in the justice system. Although it turns out that quality newspapers report on the justice system in a more negative way, readers of popular papers have less trust in the justice system. A direct link between negative reporting and reduced trust was therefore not found. Socio-economic variables and the priming effect on punitive attitudes in popular newspapers are cited as possible explanations.


Stien Mercelis
Stien Mercelis is master in de Rechten en bachelor in de Criminologie. Momenteel is zij assistente Rechtssociologie aan de Universiteit Antwerpen. Zij schrijft een proefschrift over de interne en externe factoren van het vertrouwen in de Belgische justitie als openbare dienst.
Artikel

Transparantie leidt niet vanzelfsprekend tot vertrouwen in de rechtspraak

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2013
Trefwoorden Transparency, information, factors influencing confidence in the judiciary
Auteurs Petra Jonkers
SamenvattingAuteursinformatie

    Transparency of institutions like the judiciary is often assumed to increase confidence. However, a recent survey concerning opinions about the judiciary showed that in many cases one trusts the judiciary without having any special interest in the judiciary itself. It revealed that confidence in the judiciary depends on various factors like anomy, social trust, general institutional trust, personal experience and feelings about a fair chance in a hypothetical case for court. And transparency will not easily change these factors. Furthermore, providing information can both strengthen and weaken confidence due to the personal backgrounds of those receiving the information. Finally, this paper discusses whether strategic and positive information that is needed to increase confidence allows for drawing one’s own conclusions as transparency promises.


Petra Jonkers
Petra Jonkers is politicoloog en stafmedewerker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Zij promoveerde in 2003 in Nijmegen op een rechtssociologisch onderzoek naar de kwaliteit van wetgeving. Recente publicaties: ‘Inzicht in gedrag voorwaarde voor goede wetgeving’, Regelmaat 2013-28(1), p. 6-21; ‘Zet transparantie liever in voor bekritiseerbaarheid dan voor vertrouwen’, in: D. Broeders, C. Prins, H. Griffioen, P. Jonkers, M. Bokhorst & M. Sax (red.), Speelruimte voor transparantere rechtspraak, Amsterdam: Amsterdam University Press 2013, p. 449-479.
Artikel

Geen woorden maar daden

De invloed van legitimiteit en vertrouwen op het nalevingsgedrag van verkeersovertreders

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2013
Trefwoorden perceptions of legitimacy, Compliance, procedural justice
Auteurs Marc Hertogh, Bert Schudde en Heinrich Winter
SamenvattingAuteursinformatie

    For many years, most regulatory research focused on instrumental motivations for compliance, which emphasize the role of rewards and punishments related to (dis)obeying the law. However, more recent studies have also emphasized the potential role of normative motivations. Using survey data collected from a sample of 1,182 traffic offenders in the Netherlands, and building on the ‘procedural justice model’ which was first developed in Why People Obey the Law (Tyler 1990), this paper explores how perceptions of legitimacy shape regulatory compliance. The study makes three contributions to the literature. First, this study is one of the few studies in which the procedural justice model is tested in Continental Europe. Second, following recent critiques in the literature, the paper introduces three modifications to the original model. Third, and unlike most previous studies, this study is not entirely based on self-reporting by drivers, but includes actual evidence about their behavior as well. With regard to the self-reported level of compliance, our study largely confirms Tyler’s (1990) original findings. Yet with regard to the observed level of compliance, there are also important differences between both studies. These findings will be explained by shifting our focus of attention from Tyler’s ‘universalistic’ approach to ‘legitimacy-in-context’ (Beetham 1991).


Marc Hertogh
Marc Hertogh is hoogleraar Rechtssociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Centrale thema’s in zijn onderzoek zijn de maatschappelijke effecten van wetgeving, de maatschappelijke beleving van recht en rechtsstaat, en de legitimiteit van het overheidsoptreden. Recente publicaties: Scheidende machten: de relatiecrisis tussen politiek en rechtspraak (Boom Juridische uitgevers 2012) en (met Heleen Weyers) Recht van onderop: antwoorden uit de rechtssociologie (Ars Aequi Libri 2011).

Bert Schudde
Bert Schudde studeerde sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en is werkzaam als onderzoeker bij Pro Facto. Hij heeft brede onderzoekservaring in toegepast beleids- en evaluatieonderzoek, grootschalig surveyonderzoek en kwantitatieve analyse.

Heinrich Winter
Heinrich Winter is directeur van Pro Facto, bureau voor bestuurskundig en juridisch onderzoek, onderwijs en advies. Daarnaast is hij in Groningen bijzonder hoogleraar Toezicht. Hij is veelvuldig betrokken bij wetsevaluaties, waarover hij ook publiceert. Recente publicaties over toezicht zijn ‘Waar blijft het interbestuurlijk toezicht?’, in: Publicaties van de Staatsrechtkring nr. 16 (Wolf Legal Publishers 2012) en ‘Meten van de effecten van toezicht. Yes we can?’, Tijdschrift voor Toezicht 2012/2, p. 63-80. In 2013 schreef hij met Bert Marseille de handleiding Professioneel behandelen van bezwaarschriften voor BZK/Prettig contact met de overheid.
Toont 1 - 20 van 419 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7 8 9 20 21
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.