Zoekresultaat: 17 artikelen

x
Jaar 2010 x
Artikel

Ontslagrecht in het Koninkrijk der Nederlanden (2)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2010
Trefwoorden ontslagrecht, concordantiebeginsel, Antillen, Aruba, arbeidsrecht, Koninkrijk der Nederlanden, doorwerking, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
Auteurs Mr. F.M. Dekker
SamenvattingAuteursinformatie

    Volgens artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden zijn de wetgevers van de verschillende Koninkrijkslanden verplicht een aantal belangrijke rechtsgebieden ‘zoveel mogelijk’ op overeenkomstige wijze te regelen. In een tweetal artikelen onderzoekt de auteur in hoeverre zij met betrekking tot het ontslagrecht aan deze zogenoemde concordantieverplichting voldoen. Volgens de auteur houdt artikel 39 Statuut namelijk in dat een verschil in wetgeving tussen de drie Koninkrijkslanden slechts geoorloofd is indien daar een behoorlijke rechtvaardigingsgrond voor kan worden aangewezen. In dit tweede deel ligt de focus allereerst op gevolgen van de recente staatkundige hervormingen binnen het Koninkrijk voor het vigerende ontslagrecht. Conclusie hiervan is dat de materiële gevolgen voor het ontslagrecht zeer beperkt zijn. Met dit als uitgangspunt worden vervolgens de opzegbepalingen uit het BW, de rechterlijke ontbinding en het einde van rechtswege in de verschillende koninkrijkslanden met elkaar vergeleken. Uit deze vergelijking blijkt dat er tussen de verschillende landen een hoop ongerechtvaardigde verschillen bestaan. Deze verschillen lijken zich evenwel voornamelijk voor te doen op technisch-juridische gebieden. Bij het uitvaardigen van nieuwe wetgeving houden de wetgevers dus onvoldoende rekening met het concordantiebeginsel. De rechters uit het Koninkrijk kan men in dezen daarentegen weinig kwalijk nemen. Daar waar hun een zekere beoordelingsruimte wordt gelaten, bestaat er immers een grote mate aan concordantie. Door middel van concorderende interpretatie worden de open normen in de verschillende landen namelijk op dezelfde wijze ingevuld. Hierbij moet er echter wel voor worden gewaakt dat er een te grote mate van concordantie wordt bereikt. De rechter mag de verschillen in cultuur en gewoontes tussen de Koninkrijkslanden niet uit het oog verliezen.


Mr. F.M. Dekker
Mr. F.M. Dekker is externe promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen en advocaat(-stagiair) bij BarentsKrans N.V. te Den Haag.
Praktijk

Bevoegdheid, vertegenwoordiging en informatieplicht: bakens worden verzet

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 4 2010
Trefwoorden EEX-Verordening, schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, terhandstelling van algemene voorwaarden, dienstverlening
Auteurs Mr. T.H.M. van Wechem en Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
SamenvattingAuteursinformatie

    Het HvJEU heeft in recente jurisprudentie duiding gegeven aan artikel 5 lid 1 sub b EEX-Vo over de plaats van levering bij koop en de plaats van dienstverlening. De Hoge Raad heeft een landmarkarrest gewezen over de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Daarnaast is per 1 juli 2010 een nieuw artikel 6:234 BW van kracht geworden. De schrijvers bespreken deze arresten en nieuwe wetgeving en constateren dat de arresten en wetgeving niet alleen vragen beantwoorden, maar ook tot nieuwe vragen leiden.


Mr. T.H.M. van Wechem
Mr. T.H.M. van Wechem is wetenschappelijk adviseur bij Baker & McKenzie advocaten, notarissen en belastingadviseurs.

Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
Mr. drs. J.H.M. Spanjaard is advocaat bij La Gro Advocaten te Alphen aan den Rijn.
Artikel

Het richtlijnvoorstel consumentenrechten: quo vadis?

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 3 2010
Trefwoorden consumentenrecht, maximumharmonisatie, DCFR, Groenboek Europees contractenrecht
Auteurs Mr. dr. C.A.N.M.Y. Cauffman, Prof. mr. M.G. Faure LL.M. en Prof. mr. T. Hartlief
SamenvattingAuteursinformatie

    Het richtlijnvoorstel consumentenrechten oogstte veel kritiek vooral omdat het gericht was op maximumharmonisatie en omdat onvoldoende rekening werd gehouden met het DCFR. Over de vraag hoe het nu verder moet met het richtlijnvoorstel consumentenkoop lopen de meningen uiteen. Een viertal hoofdstromingen valt aan te wijzen. Zij worden hierna toegelicht. Tevens wordt ingegaan op het probleem van de rechtsgrond voor een instrument van gerichte maximumharmonisatie.


Mr. dr. C.A.N.M.Y. Cauffman
Mr. dr. C.A.N.M.Y. Cauffman is universitair docent Privaatrecht aan de Universiteit Maastricht.

Prof. mr. M.G. Faure LL.M.
Prof mr. M.G. Faure LL.M. is hoogleraar Vergelijkend en Internationaal Milieurecht aan de Universiteit Maastricht.

Prof. mr. T. Hartlief
Prof. mr. T. Hartlief is hoogleraar Privaatrecht aan de Universiteit Maastricht.
Artikel

Privaatrechtelijke handhaving van het verbod om misbruik te maken van een economische machtspositie: excessieve prijsvoering in de Rotterdamse haven?

Hof Den Haag 1 juni 2010, LJN BM6398 (Havenbedrijf Rotterdam/de oliesector)

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 10 2010
Trefwoorden misbruik, economische machtspositie, excessieve prijzen, bewijslast, bewijsmogelijkheden
Auteurs Mr. dr. E.-J. Zippro
SamenvattingAuteursinformatie

    De privaatrechtelijke handhaving van het verbod om misbruik te maken van een economische machtspositie wegens het hanteren van excessieve prijzen is niet eenvoudig. In deze bijdrage wordt nader ingegaan op de bestaande bewijsmogelijkheden om in een civiele procedure aan te tonen dat misbruik wordt gemaakt van een economische machtspositie door het in rekening brengen van excessieve prijzen.


Mr. dr. E.-J. Zippro
Mr. dr. E.-J. Zippro is universitair docent burgerlijk recht aan de Universiteit Leiden en research fellow van de Leiden Law School.
Artikel

Access_open Algemene bankvoorwaarden: modernisering, maar geen vernieuwing

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 2 2010
Trefwoorden Algemene Bankvoorwaarden, informatieplicht, titel 7.7B BW, zekerheidsrechten, beëindiging kredietrelatie
Auteurs Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
SamenvattingAuteursinformatie

    Per 1 november 2009 gelden de Algemene Bankvoorwaarden 2009, die de Algemene Bankvoorwaarden 1995 vervangen. De Algemene Bankvoorwaarden 2009 bevatten een modernisering ten opzichte van de voorwaarden uit 1995. Er is rekening gehouden met de bepalingen van titel 7.7B BW. Opmerkelijk is voorts de schrapping van de aansprakelijkheidsbeperking. De belangrijkste onderdelen uit de Algemene Bankvoorwaarden 1995 zijn niet gewijzigd, zodat de onder die voorwaarden gewezen rechtspraak haar gelding blijft behouden. De reikwijdte van de voorwaarden is evenwel beperkt, omdat de specifieke bankproducten hun eigen voorwaarden kennen die boven de algemene bankvoorwaarden prevaleren.


Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
Mr. drs. J.H.M. Spanjaard is advocaat bij La Gro Advocaten te Alphen aan den Rijn.
Jurisprudentie

Kennelijk onredelijk ontslag vanuit historisch perspectief verklaard

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2010
Trefwoorden kennelijk onredelijk ontslag, schadevergoeding, vergoeding naar billijkheid, begroten, ex tunc, ontbinding, kantonrechtersformule, leeftijdsdiscriminatie
Auteurs Mr. D.J. Buijs
SamenvattingAuteursinformatie

    De arresten Van de Grijp/Stam en Rutten/Breed met betrekking tot kennelijk onredelijk ontslag hebben geleid tot commotie. Dat is begrijpelijk in het kader van de rechtsontwikkeling van het afgelopen decennium, maar wanneer de problematiek wordt geplaatst in het kader van de rechtsontwikkeling van de afgelopen eeuw, wordt het nieuwe onder de zon gevormd door de invoering van het nieuwe BW en de onbedoelde gevolgen daarvan voor de als bijzondere overeenkomst aangemerkte arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst is minder bijzonder dan sommigen menen en de leer van de Hoge Raad met betrekking tot kennelijk onredelijk ontslag vergt weliswaar vaardigheden, maar de praktijk leert dat de rechter door de Hoge Raad niet voor een onmogelijke opgave wordt gesteld.


Mr. D.J. Buijs
Mr. D.J. Buijs is kantonrechter.
Artikel

Het IPR-vennootschapsrecht en Boek 10 BW: een nadere toelichting

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 7-8 2010
Trefwoorden internationaal privaatrecht, corporaties, vestigingsvrijheid, faillissement
Auteurs Mr. S.M. van den Braak
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel bespreekt de auteur het internationaal privaatrecht met betrekking tot corporaties. Daarbij gaat zij achtereenvolgens in op het toepasselijk recht, de verplaatsing van de statutaire zetel, de aansprakelijkheid in faillissement en de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen.


Mr. S.M. van den Braak
Mr. S.M. van den Braak is hoofddocent bij de sectie Handelsrecht en Notariaat, Molengraaff Instituut voor Privaatrecht, Universiteit Utrecht.
Praktijk

Oneerlijkheid aan banden: Luxemburg spreekt zich uit vóór consumenten

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 2 2010
Trefwoorden consumentenrecht, ambtshalve toetsing, richtlijn oneerlijke bedingen, rapport LOVCK
Auteurs Mr. dr. T.H.M. van Wechem en Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
SamenvattingAuteursinformatie

    Krachtens recente rechtspraak van het HvJEU moet de nationale rechter ambtshalve bedingen toetsen op hun eerlijkheid aan hand van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het HvJEU breidt de verplichting ambtshalve te toetsen uit naar andere consumentenbeschermingsrichtlijnen. Om de toetsing nadere sturing te geven heeft een werkgroep van rechters een rapport met aanbevelingen geschreven over de ambtshalve toetsing van Europees consumentenrecht. Schrijvers bespreken de rechtspraak van het HvJEU, het rapport en plaatsen kritische kanttekeningen bij een recent arrest van de Hoge Raad waarin de Hoge Raad niet ambtshalve toetste.


Mr. dr. T.H.M. van Wechem
Mr. dr. T.H.M. van Wechem is verbonden aan Baker & McKenzie advocaten, notarissen en belastingadviseurs, redacteur van dit blad en directeur van Law@Work B.V.

Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
Mr. drs. J.H.M. Spanjaard is als advocaat werkzaam bij La Gro Advocaten te Alphen aan den Rijn.
Discussie

Handhaving door de Consumentenautoriteit: een goed samenspel met het Burgerlijk Wetboek en Europese regelgeving?

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 2 2010
Trefwoorden Consumentenautoriteit, duaal stelsel, handhaving, algemene voorwaarden, Europese regelgeving
Auteurs Mr. E.S. van Nimwegen LL.M.
SamenvattingAuteursinformatie

    De Consumentenautoriteit kan alleen consumentenrecht van Europese oorsprong handhaven als collectieve consumentenbelangen in het geding zijn. Hierbij lijkt de Consumentautoriteit meer te handelen vanuit een nationale dan vanuit een Europese perceptie, wat voor problemen kan zorgen. Ook het duale stelsel kan tot ingewikkelde situaties leiden, wat door middel van een aantal voorbeelden op het gebied van algemene voorwaarden wordt aangetoond. De keuze voor een bestuursrechtelijk una via-stelsel is wellicht de oplossing. Het samenspel van de Consumentautoriteit met het Burgerlijk Wetboek en Europese regelgeving is nu in ieder geval nog niet vlekkeloos.


Mr. E.S. van Nimwegen LL.M.
Mevrouw mr. E.S. van Nimwegen LL.M. is afgestudeerd aan de Universiteit Leiden en Boston University.
Artikel

De testamentaire stichting

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 3 2010
Trefwoorden stichting, erfrecht, uiterste wilsbeschikking
Auteurs Mr. T.F.H. Reijnen
SamenvattingAuteursinformatie

    De wet geeft de mogelijkheid bij uiterste wilsbeschikking een stichting op te richten. Door middel van een dergelijke stichting kunnen erfrechtelijke moeilijkheden worden opgelost of voorkomen. Uitgebreid wordt ingegaan op de oprichtingsvereisten en de gevolgen van gebreken daarin. Voorts wordt stilgestaan bij eisen die gesteld kunnen worden aan de inhoud van de statuten en de wijze van benoeming en ontslag van bestuurders. Tot slot komen ook enkele praktische aspecten aan de orde, waaronder die ten aanzien van de algemeen nut beogende instelling.


Mr. T.F.H. Reijnen
Mr. T.F.H. Reijnen is verbonden aan het Centrum voor Notarieel Recht, Radboud Universiteit Nijmegen (theo@reijenadvies.nl).
Artikel

Einde aan de crisis in de Natuurbeschermingswet?

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 2 2010
Trefwoorden Natuurbeschermingswet, Crisis- en herstelwet, stikstofdepositie, bestaand gebruik, strijd Europees recht
Auteurs Mr. drs. M.M. Kaajan
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet in werking getreden. In dit artikel worden de belangrijkste wijzigingen van de Natuurbeschermingswet 1998 als gevolg van de Crisis- en herstelwet, mede in het licht van recente jurisprudentie, besproken en van commentaar bezien. De centrale vraag daarbij is in hoeverre deze wijzigingen in strijd (kunnen) zijn met Europees recht en welke consequenties dit voor de praktijk zou kunnen hebben. Geconcludeerd wordt dat zowel wat betreft de regeling van bestaand gebruik en de verplichting om maatregelen te treffen indien de kwaliteit van een Natura 2000-gebied dat verlangt als ook wat betreft de specifieke wettelijke regeling die nu in de Natuurbeschermingswet is opgenomen voor activiteiten die kunnen leiden tot stikstofdepositie, mogelijk sprake zou kunnnen zijn van strijdigheid met de Vogel- en/of Habitatrichtlijn. De hierdoor ontstane onzekerheid en onduidelijkheid kan tot uitvoeringsproblemen in de praktijk leiden, waardoor het streven van de Crisis- en herstelwet om bij te dragen aan versnelling van procedures en projecten juist belemmerd kan worden.


Mr. drs. M.M. Kaajan
Mr. drs. M.M. Kaajan is als advocaat verbonden aan Stibbe te Amsterdam.
Artikel

Maatschappelijk verantwoord concurreren

Mededingingsrecht in een veranderende wereld

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 3 2010
Trefwoorden maatschappelijk verantwoord concurreren, marktwerking, guidance, maatschappelijke belangen
Auteurs Mr. T.R. Ottervanger
SamenvattingAuteursinformatie

    Een overgangsfase naar een nieuw tijdperk. Afscheid van een blind geloof in vrije marktwerking als enig heilzaam middel voor het scheppen van welvaart. De eenzijdige focus op efficiëntie en groei is onderworpen aan kritische herwaardering. Begrippen als duurzaamheid en welzijn winnen sterk aan betekenis als maatstaf voor beleid zowel van regeringen als van ondernemingen. Zo gaat de SER in zijn recente advies Overheid én Markt ervan uit dat het sociaal-economisch beleid gericht is op een breed welvaartsbegrip: naast materiële vooruitgang (welstand, productiviteitsgroei) ook sociale vooruitgang (welzijn, sociale cohesie), goede kwaliteit van de leefomgeving en een schoon milieu. Wat betekent deze ontwikkeling voor het mededingingsrecht?


Mr. T.R. Ottervanger
Mr. T.R. Ottervanger is advocaat bij Allen & Overy en hoogleraar Europees Recht, in het bijzonder het Mededingingsrecht, in Leiden.
Artikel

De rol van de accountant bij grensoverschrijdende fusie

Tijdschrift Vennootschap & Onderneming, Aflevering 4 2010
Trefwoorden inbrengverklaring, accountantsverklaring, aanwijzing accountant, deskundigenverklaring, grensoverschrijdende fusie
Auteurs Mr. G.C. van Eck en Mr. E.R. Roelofs
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteurs behandelen de rol van de accountant bij een grensoverschrijdende fusie die ziet op het afgeven van een inbrengverklaring in de zin van artikel 2:328 lid 1 tweede volzin BW bij een outbound grensoverschrijdende fusie. Tevens worden de aanwijzing van één accountant en de goedkeuring van deze aanwijzing voor de verdwijnende vennootschap(pen) en de verkrijgende vennootschap bij een grensoverschrijdende fusie besproken.


Mr. G.C. van Eck
Mr. G.C. van Eck is werkzaam als notaris bij Loyens & Loeff.

Mr. E.R. Roelofs
Mr. E.R. Roelofs is promovendus aan de Universiteit Utrecht.
Artikel

Het EVRM en de Europese Unie: van Bosphorus naar Lissabon

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3 2010
Trefwoorden Verdrag van Lissabon, Gelijkwaardigheidsvermoeden, Dublin II, Handvest van de grondrechten
Auteurs Prof. dr. J. Callewaert
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Verdrag van Lissabon is op 1 december 2009 in werking getreden. De grondrechten nemen er een plaats in die ongeëvenaard is in de geschiedenis van de Europese Unie (EU). Met het Verdrag krijgt immers het Handvest van de grondrechten primairrechtelijke waarde en krijgt de EU de opdracht om tot het EVRM toe te treden. Bovendien worden de bevoegdheden van het Hof van Justitie (Hof) in aanzienlijke mate uitgebreid in domeinen die, zoals de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, voor de grondrechten van bijzonder belang zijn.


Prof. dr. J. Callewaert
Prof. dr. J. Callewaert is adjunct-griffier van de Grote Kamer bij het Europees Hof voor de rechten van de mens, ereprofessor aan de Duitse Universiteit voor administratieve wetenschappen (Speyer) en gastprofessor aan de Universiteit Louvain (België).
Jurisprudentie

Snel helderheid van het Hof over de bewaring: het arrest Kadzoev

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3 2010
Trefwoorden Kadzoev, bewaring illegaal verblijvende derdelanders, opvangrichtlijn, procedurerichtlijn asiel, terugkeerrichtlijn
Auteurs Mr. A. Pahladsingh
SamenvattingAuteursinformatie

    In zijn arrest van 30 november 2009 heeft het Hof van Justitie met toepassing van de prejudiciële spoedprocedure (PPU) zich voor de eerste keer uitgelaten over de toepassing van de bewaring bij illegaal verblijvende derdelanders op het grondgebied van de lidstaten. Opmerkelijk hierbij is dat de implementatietermijn van de terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG) nog niet was verstreken op het moment van dit arrest. Het Hof heeft de maximumtermijn van de bewaring ten aanzien van een illegaal verblijvende derdelander verduidelijkt door te overwegen dat deze maximaal zes maanden mag duren en dat deze slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden mag worden verlengd. De bewaring van een asielzoeker valt volgens het Hof niet onder het toepassingsbereik van Richtlijn 2008/115/EG, maar onder de reikwijdte van de opvangrichtlijn en de procedurerichtlijn asiel. Ook is van belang dat de bewaring moet zijn gericht op verwijdering van de persoon en niet mag worden opgelegd enkel als maatregel in het kader van de openbare orde of openbare veiligheid.


Mr. A. Pahladsingh
Mr. A. Pahladsingh is jurist bij de afdeling Kennis en Onderzoek van de Raad van State.
Jurisprudentie

Sardische ecotaks vormt een obstakel voor het vrije dienstenverkeer

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3 2010
Trefwoorden (in)directe belastingen, discriminatieverbod, beperkingsverbod, (dis)convergentie
Auteurs Mr. M.F.G. Wools
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zaak Regione Sardegna krijgt de grote kamer van het Hof van Justitie EU een precaire keuze voor convergentie voor de kiezen. Te weten de keuze tussen enerzijds het beperkte discriminatieverbod dat geldt bij belastingen (op goederen) en anderzijds het ruime beperkingsverbod dat geldt bij diensten. In casu wordt namelijk door Sardinië een ecotaks geheven over bepaalde diensten, waarbij een onderscheid wordt gemaakt naargelang de fiscale woonplaats van de dienstverrichter. Het Hof concludeert nu dat – alhoewel de ecotaks geldt zonder onderscheid – hierdoor de dienstverrichting door niet-ingezetenen duurder wordt dan door wel ingezetenen. Met andere woorden, deze extra kosten maken het verrichten van grensoverschrijdende diensten minder aantrekkelijk. Het gevolg van deze convergentiekeuze is dat vanaf nu bij belastingen over diensten het verbod eerder zal zijn geschonden dan bij belastingen op goederen. Mijns inziens heeft dit te gelden bij zowel directe als indirecte belastingen over diensten.


Mr. M.F.G. Wools
Mr. M.F.G. Wools is universitair juniordocent Europees recht bij de vaksectie Internationaal en Europees recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

    In oktober 2009 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan in de zaken Wolzenburg en ČEZ; beide in een grote kamer. Deze zaken waren overigens niet gevoegd en betreffen materieelrechtelijk totaal verschillende regimes: het Europees Aanhoudingsbevel, respectievelijk het Euratom-Verdrag. Desalniettemin kwam in beide zaken de vraag aan de orde in hoeverre nationale wetgeving kon worden getoetst aan het verbod op discriminatie naar nationaliteit van artikel 12 EG-Verdrag (thans art. 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Artikel 12 EG-Verdrag is alleen van toepassing binnen de werkingssfeer van het EG-Verdrag, terwijl beide zaken niet het EG-Verdrag betroffen, maar een kaderbesluit op grond van de (voormalige derde pijler) van het EU-Verdrag, respectievelijk het Euratom-Verdrag. Volgens het Hof in de zaak Wolzenburg kunnen uitvoeringsmaatregelen van een (derde pijler) kaderbesluit direct worden getoetst aan artikel 12 EG-Verdrag (thans art. 18 VWEU). In de zaak ČEZ concludeerde het Hof daarentegen dat een zaak die binnen de reikwijdte van het Euratom-Verdrag valt niet (rechtstreeks) kan worden getoetst aan artikel 12 EG-Verdrag (thans art. 18 VWEU), maar dat dat slechts kon via de band van het algemene gelijkheidsbeginsel. Twee verschillende oplossingen, met hetzelfde resultaat. Deze oplossingen zijn mijns inziens overigens in lijn met het Verdrag van Lissabon en het lijkt erop dat het Hof daarmee alvast een voorschot neemt op de nieuwe (systematiek van de) verdragen.


Mr. W.W. Geursen
Mr. W.W Geursen is promovendus aan de Vrije Universiteit, Amsterdam.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.