Zoekresultaat: 12 artikelen

x
Jaar 2010 x
Artikel

De wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2010
Trefwoorden staatkundige hervormingen, staatkundige vernieuwingen, Statuut voor het Koninkrijk, Antillenproject, wijziging van het Statuut
Auteurs Mr. dr. S. Hillebrink
SamenvattingAuteursinformatie

    De belangrijkste wijzigingen van het Statuut betroffen de samenstelling van het Koninkrijk: Suriname werd in 1975 onafhankelijk, Aruba kreeg in 1986 een status aparte, en nu dus de in 1986 al door velen als onvermijdelijk beschouwde opheffing van de Nederlandse Antillen. Ook deze keer is ervoor gekozen om de hoofdlijnen van het Statuut intact te laten en alleen die wijzigingen door te voeren die noodzakelijk waren om de overeengekomen staatkundige veranderingen te realiseren. Over dit uitgangspunt is de nodige discussie gevoerd in de Staten-Generaal tijdens de behandeling van het wetsvoorstel, naast de vragen waarom de Grondwet niet gewijzigd werd voor de BES-eilanden, wat de betekenis is van de Statuutbepaling over de BES-eilanden (art. 1 lid 2), wat voor geschillenregeling de regering voor ogen heeft (art. 12a en 38a) en wat precies het probleem is met de implementatie van verdragen (art. 27). In deze bijdrage gaat de auteur (kort) op deze onderwerpen in en bespreekt hij twee vragen waarover in de openbare stukken vrijwel niets te vinden is, maar die in de ambtelijke voorbereiding van de Statuutwijziging een rol speelden, namelijk de vraag wie de Antillen opheft, en welke formele rol de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten konden spelen bij de totstandkoming van de rijkswetgeving die op basis van de Slotverklaring van 2006 tot stand zou komen.


Mr. dr. S. Hillebrink
Mr. dr. S. Hillebrink werkt bij de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en was in het kader van de staatkundige hervormingen gedetacheerd bij de directie Wetgeving van het ministerie van Justitie.
Artikel

Ontslagrecht in het Koninkrijk der Nederlanden (2)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2010
Trefwoorden ontslagrecht, concordantiebeginsel, Antillen, Aruba, arbeidsrecht, Koninkrijk der Nederlanden, doorwerking, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
Auteurs Mr. F.M. Dekker
SamenvattingAuteursinformatie

    Volgens artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden zijn de wetgevers van de verschillende Koninkrijkslanden verplicht een aantal belangrijke rechtsgebieden ‘zoveel mogelijk’ op overeenkomstige wijze te regelen. In een tweetal artikelen onderzoekt de auteur in hoeverre zij met betrekking tot het ontslagrecht aan deze zogenoemde concordantieverplichting voldoen. Volgens de auteur houdt artikel 39 Statuut namelijk in dat een verschil in wetgeving tussen de drie Koninkrijkslanden slechts geoorloofd is indien daar een behoorlijke rechtvaardigingsgrond voor kan worden aangewezen. In dit tweede deel ligt de focus allereerst op gevolgen van de recente staatkundige hervormingen binnen het Koninkrijk voor het vigerende ontslagrecht. Conclusie hiervan is dat de materiële gevolgen voor het ontslagrecht zeer beperkt zijn. Met dit als uitgangspunt worden vervolgens de opzegbepalingen uit het BW, de rechterlijke ontbinding en het einde van rechtswege in de verschillende koninkrijkslanden met elkaar vergeleken. Uit deze vergelijking blijkt dat er tussen de verschillende landen een hoop ongerechtvaardigde verschillen bestaan. Deze verschillen lijken zich evenwel voornamelijk voor te doen op technisch-juridische gebieden. Bij het uitvaardigen van nieuwe wetgeving houden de wetgevers dus onvoldoende rekening met het concordantiebeginsel. De rechters uit het Koninkrijk kan men in dezen daarentegen weinig kwalijk nemen. Daar waar hun een zekere beoordelingsruimte wordt gelaten, bestaat er immers een grote mate aan concordantie. Door middel van concorderende interpretatie worden de open normen in de verschillende landen namelijk op dezelfde wijze ingevuld. Hierbij moet er echter wel voor worden gewaakt dat er een te grote mate van concordantie wordt bereikt. De rechter mag de verschillen in cultuur en gewoontes tussen de Koninkrijkslanden niet uit het oog verliezen.


Mr. F.M. Dekker
Mr. F.M. Dekker is externe promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen en advocaat(-stagiair) bij BarentsKrans N.V. te Den Haag.
Boekbespreking

Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 4 2010
Trefwoorden hoger beroep, cassatieberoep, Nederlandse Antillen, Aruba
Auteurs Mr. A. Hammerstein
SamenvattingAuteursinformatie

    Bespreking van G.C.C. Lewin, Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (diss. Universiteit van de Nederlandse Antillen), 2010.


Mr. A. Hammerstein
Mr. A. Hammerstein is raadsheer bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Artikel

Bestraffing van cocaïnesmokkelaars

Richtlijnen, rechters, rechtbanken en de persoon van de dader

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 3 2010
Trefwoorden straftoemetingsrichtlijnen, cocaïnesmokkel, rechters, Schiphol
Auteurs mr. dr. Miranda Boone en Prof. dr. Dirk J. Korf
SamenvattingAuteursinformatie

    In the Netherlands, the number of cocaine traffickers arrested at Schiphol International Airport peaked in 2003. In May 2003, sentencing guidelines regarding cocaine traffickers were redefined into a smaller number of categories (wider quantity ranges, less specified offender categories) with lower sentences than before. New guidelines allowed criminal courts more flexibility, and judges were expected to sentence cocaine traffickers more often than before in accordance with guidelines. All cases, at all four applicable criminal courts, against cocaine traffickers that had been arrested at Schiphol in 2003 were analyzed (877 simple court and 994 full court cases). In between 30 and 40 percent of cases sentences were not according to the guidelines (mostly lower), and even more frequently than before the new guidelines had been introduced. Experience as a judge (number of years) was not associated with keeping up with guidelines, but male judges sentenced suspects more often than female judges in discordance with guidelines (and consequently below guidelines). In line with American literature, personal characteristics of suspects appeared strong predictors of the extent judges conformed to sentencing guidelines. Female offenders were twice as often as male offenders sentenced lower than the guidelines. The same result was found for offenders born or living in the Netherlands, versus migrants and offenders living abroad.


mr. dr. Miranda Boone
Mr. dr. M. Boone is Universitair hoofddocent strafrecht en criminologie aan de Universiteit Utrecht, m.m.boone@uu.nl.

Prof. dr. Dirk J. Korf
Prof. dr. D.J. Korf is bijzonder hoogleraar criminologie en directeur van het Bonger Instituut, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit van Amsterdam, d.j.korf@uva.nl.
Hoofdartikel

Ontslagrecht in het Koninkrijk der Nederlanden (1)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2010
Trefwoorden ontslagrecht, concordantiebeginsel, Antillen, Aruba, arbeidsrecht, Koninkrijk der Nederlanden, doorwerking, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
Auteurs Mr. F.M. Dekker
SamenvattingAuteursinformatie

    Volgens artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden zijn de wetgevers van de verschillende Koninkrijkslanden verplicht een aantal belangrijke rechtsgebieden ‘zoveel mogelijk’ op overeenkomstige wijze te regelen. In een tweetal artikelen onderzoekt de auteur in hoeverre zij met betrekking tot het ontslagrecht aan deze zogenaamde concordantieverplichting voldoen. In dit eerste deel van de tweeluik ligt de focus allereerst op het concordantiebeginsel. Volgens de auteur houdt artikel 39 Statuut in dat een verschil in wetgeving tussen de drie Koninkrijkslanden slechts geoorloofd is indien daar een behoorlijke rechtvaardigingsgrond voor kan worden aangewezen. Met dit als uitgangspunt worden vervolgens de drie regelingen inzake de preventieve ontslagtoetsing met elkaar vergeleken. Daaruit blijkt dat er tussen het Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen 1945 en de beide Landsverordeningen beëindiging arbeidsovereenkomsten een hoop ongerechtvaardigde verschillen bestaan. Ook tussen de landsverordeningen onderling bestaan de nodige verschillen. Geconcludeerd moet daarom worden dat de Koninkrijkswetgevers op dit terrein niet aan hun Statutaire concordantieverplichting voldoen.


Mr. F.M. Dekker
Mr. F.M. Dekker is externe promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen en advocaat(-stagiair) bij BarentsKrans N.V. te Den Haag
Jurisprudentie

Kennelijk onredelijk ontslag vanuit historisch perspectief verklaard

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2010
Trefwoorden kennelijk onredelijk ontslag, schadevergoeding, vergoeding naar billijkheid, begroten, ex tunc, ontbinding, kantonrechtersformule, leeftijdsdiscriminatie
Auteurs Mr. D.J. Buijs
SamenvattingAuteursinformatie

    De arresten Van de Grijp/Stam en Rutten/Breed met betrekking tot kennelijk onredelijk ontslag hebben geleid tot commotie. Dat is begrijpelijk in het kader van de rechtsontwikkeling van het afgelopen decennium, maar wanneer de problematiek wordt geplaatst in het kader van de rechtsontwikkeling van de afgelopen eeuw, wordt het nieuwe onder de zon gevormd door de invoering van het nieuwe BW en de onbedoelde gevolgen daarvan voor de als bijzondere overeenkomst aangemerkte arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst is minder bijzonder dan sommigen menen en de leer van de Hoge Raad met betrekking tot kennelijk onredelijk ontslag vergt weliswaar vaardigheden, maar de praktijk leert dat de rechter door de Hoge Raad niet voor een onmogelijke opgave wordt gesteld.


Mr. D.J. Buijs
Mr. D.J. Buijs is kantonrechter.
Artikel

Mark of Cain op het voorhoofd van de jeugdige verdachte?

Over stigmatisering en privacy in het jeugdstrafrecht

Tijdschrift PROCES, Aflevering 4 2010
Trefwoorden privacy jeugdigen, stigmatisering, labeling, proportionaliteit, bescherming, overlast
Auteurs MSc LLM BA Maria de Jong-de Kruijf en Prof. mr. drs. Mariëlle Bruning
SamenvattingAuteursinformatie

    Labeling van jongeren in het jeugdstrafrecht kan leiden tot stigmatisering. Stigmatisering van jongeren moet voor zover mogelijk worden voorkomen, ook in het jeugdstrafrecht. Verschillende recente ontwikkelingen in het jeugdstrafrecht, zoals de toenemende neiging om jongeren met probleemgedrag te registreren in databases en om naar aanleiding van dit gedrag in casusoverleggen met deelnemers afkomstig uit jeugdstrafrecht en (jeugd)zorg in brede zin gegevens uit te wisselen, leiden mogelijk tot meer stigmatisering van de jeugdige (verdachte). De ontwikkelingen die wij in deze bijdrage beschrijven zijn registratiesystemen, met name ProKid en JCO Support, justitiële documentatie en Halt-afdoeningen, casusoverleggen in de Veiligheidshuizen en groepsgerichte aanpakken. Deze probleemgebieden tasten de privacy van de minderjarige (verdachte) aan en leiden in mindere of meerdere mate tot stigmatisering. Wij zullen voor elke ontwikkeling bespreken in hoeverre sprake is van (te veel) stigmatisering en zo ja of en hoe dit zo veel mogelijk kan worden beperkt.


MSc LLM BA Maria de Jong-de Kruijf
Maria de Jong-de Kruijf MSc LLM BA is onderzoeker aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden.

Prof. mr. drs. Mariëlle Bruning
Prof. mr. drs. Mariëlle Bruning is hoogleraar jeugdrecht aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden.
Artikel

Agenten met een vredesmissie

Ervaringen van Nederlandse politiefunctionarissen

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 4 2010
Auteurs H. Sollie
SamenvattingAuteursinformatie

    The Dutch police participated in eleven peace missions since 2000. This article describes the experiences of Dutch police officers who carried out police reform during recent missions in Bosnia, Sudan, Kosovo and Afghanistan. In their role as instructor and/or adviser, these police officers taught local constables (basic) policing and management skills. During their mission, they were confronting many obstacles that stem from cultural differences, ethnic tensions, opportunism, unwillingness, corruption and language barriers. Given these limitations, expectations regarding police reform must be tempered. Creating or transforming local police into effective law-enforcement institutions that operate under the rule of law and with respect for human rights, is not a quick fix. However, by means of training and advice, local police officers realize that they should protect and serve.


H. Sollie
Henk Sollie Msc. is als onderzoeker verbonden aan de Faculteit Management en Bestuur van de Universiteit Twente. Dit artikel is gebaseerd op een onderzoek dat de auteur heeft uitgevoerd voor het Programma Politie & Wetenschap dat in 2010 is gepubliceerd onder de titel Civiele politie op vredesmissie. Uitzendervaringen van Nederlandse politiefunctionarissen in de serie Politiekunde, nr. 33. Naast de ervaringen rondom de missiewerkzaamheden en de samenwerking met de lokale politie, worden in deze rapportage ook de samenwerking met internationale collegae, de leef- en veiligheidsomstandigheden binnen een missie en het voorbereidings- en re-integratietraject beschreven.
Artikel

Criminaliteit en etniciteit

Criminele carrières van autochtone en allochtone jongeren uit het geboortecohort 1984

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 2 2010
Trefwoorden criminele carrière, meisjescriminaliteit, cohortonderzoek, allochtonencriminaliteit
Auteurs Dr. mr. Arjan Blokland, Kim Grimbergen, Dr. Wim Bernasco e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    This article describes the officially recorded criminal careers from age twelve to 22 for all boys and girls who were born in the Netherlands in 1984. Using data on police contacts (HKS) we ask: (1) What proportion of the 1984 birth cohort has a police contact between ages twelve and 22?, (2) What are the criminal career characteristics of those registered?, (3) What is the nature of the crimes these youths are registered for?, and (4) How do chronic offenders and recidivists differ from one-time offenders? We answer these questions separately for boys and girls and for youths of different ethnic origin. Ethnicity was based on the country of birth of (one of) the parents. Our results show that 23 percent of men and 5 percent of women born in 1984 had at least one police contact prior to age 23. Youths of non-Dutch origin were overrepresented in police registrations. Overrepresentation was strongest for boys of Moroccan origin: 54 percent was registered at least once, and of those registered one third were registered five times or more. Moroccan girls were also overrepresented.


Dr. mr. Arjan Blokland
Dr. mr. A. Blokland is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), ABlokland@nscr.nl.

Kim Grimbergen
K. Grimbergen is adviseur voor Reclassering Nederland regio Rotterdam-Dordrecht, kim_grimbergen@msn.com.

Dr. Wim Bernasco
Dr. W. Bernasco is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), WBernasco@nscr.nl.

Prof. dr. Paul Nieuwbeerta
Prof. dr. P. Nieuwbeerta is hoogleraar criminologie, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden, p.nieuwbeerta@ law.leidenuniv.nl.
Artikel

Schade herstellen tijdens jeugddetentie

Tijdschrift PROCES, Aflevering 3 2010
Trefwoorden herstelrecht, justitiële jeugdinrichting, slachtoffer-daderbemiddeling, verantwoordelijkheid
Auteurs Annemieke Wolthuis en Myriam Vandenbroucke
SamenvattingAuteursinformatie

    Ook als jongeren eenmaal in een justitiële jeugdinstelling verblijven, is leren over slachtoffers en werken aan genoegdoening cruciaal. Herstelgericht werken biedt hiertoe mogelijkheden. De vraag is hoe herstelgericht werken kan worden geïmplementeerd in een justitiële jeugdinrichting. De pedagogische infrastructuur van Forensisch Centrum Teylingereind is een goed voorbeeld. Herstelgericht werken heeft een positief effect op de jeugdige daders en de inrichtingscultuur. Het geeft jongeren inzichten in de eigen verantwoordelijkheid, het effect van hun gedrag op het slachtoffer en mogelijkheden te werken aan herstel van de schade die zij aangericht hebben. Dat blijkt uit onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut: ‘Schade herstellen tijdens jeugddetentie’.


Annemieke Wolthuis
Annemieke Wolthuis is onderzoeker aan de Open Universiteit Nederland en verbonden aan het Verwey-Jonker Instituut in Utrecht.

Myriam Vandenbroucke
Myriam Vandenbroucke is onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut.
Artikel

Een som van misverstanden

Het kabinet-Den Uyl en de immigratie van Surinamers

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 2 2010
Auteurs J.M.M. van Amersfoort
SamenvattingAuteursinformatie

    In 1973 a new Dutch cabinet was formed. One of the central points of its programme was to revise the relations with the former Dutch colonies in the West Indies to be able to stop the immigration from Suriname. This immigration was seen by this government as a serious threat to Dutch society. In reality the migration was modest in numbers and consisted for a good deal of middle class people. In 1967 there were 13.000 Surinamese in the Netherlands. But the immigration had gained momentum and in 1972 there were 51.000. The cabinet launched a vigorous campaign to change the relations with Suriname and close the border for immigrants. The outcome of this policy was that there were 110.000 Surinamese in the Netherlands in 1975 and the immigration caused indeed problems that were unknown before. In this article the reasons for the complete failure of the anti-immigration policy are analysed.


J.M.M. van Amersfoort
Prof. dr. Hans van Amersfoort is emeritus hoogleraar in de Bevolkingsgeografie aan de Universiteit van Amsterdam.
Artikel

Access_open Integratie en religie

Godsdienst en levensovertuiging in het integratiebeleid etnische minderheden

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 1 2010
Trefwoorden etnische minderheden, immigratie, integratiebeleid
Auteurs Ben Koolen
SamenvattingAuteursinformatie

    Since 30 years the Netherlands’ government practises an integration policy towards ethnic minorities. From the beginning, this comprehensive approach is challenged by demands of immigrated religious communities, e.g. the erection of buildings of worship. For the government, religion is an influential circumstance, not an object of the policy-making process. Therefore religious matters deserve political attention.The mid-nineties of the twentieth century brought the Islam into the focus of national policy. The first issue concerned the appointments on a temporary basis of Turkish imams by the Turkish authorities. That evoked the need for a Dutch training-school in order to be prevented from further admissions from abroad. In the meantime, compulsory introductory courses for religious leaders with a non-EU- or EEA-nationality were introduced. Since nine-eleven, the threats of Islamic ultra-orthodox tendencies dominate the political discourse.


Ben Koolen
Dr. G.M.J.M. Koolen studeerde niet-westerse religies aan de Nijmeegse universiteit, alwaar hij in 1993 promoveerde op het proefschrift Een seer bequaem middel. Onderwijs en Kerk onder de 17e eeuwse VOC (Kampen). Tot zijn pensionering in 2003 was hij werkzaam in verschillende functies in het kader van integratiebeleid, sinds 1982 bij de coördinerende directie Minderheden-/Integratiebeleid van het ministerie van Binnenlandse Zaken respectievelijk Justitie. Hij is redactielid van dit tijdschrift.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.