Zoekresultaat: 27 artikelen

x
Jaar 2012 x

    In deze bijdrage wordt op experimentele wijze gezocht naar een antwoord op de vraag wat de rechtvaardiging is van de beperking van de handelingsbekwaamheid van de minderjarige en het het bewind over zijn vermogen. Bij wijze van experiment wordt een fictieve regeling in het leven geroepen, het zogenaamde tachtigplusbewind. Op grond van deze regeling wordt eenieder die de tachtigjarige leeftijd passeert van rechtswege beperkt in zijn handelingsbekwaamheid en verliest hij het bewind over zijn vermogen. Vervolgens wordt de vraag gesteld waarom een dergelijk tachtigplusbewind niet wenselijk is en de bescherminsgmaatregelen die minderjarigen treffen wel. Deze bijdrage is een onderdeel van een breder dissertatieonderzoek met als titel 'Minderjarigen en (de zorg voor hun) vermogen.'
    ---
    This contribution seeks, in an experimental manner, to find an answer to the question of what is the justification for restriction on the capacity of the minor and the administration of their assets. By way of experimentation, a fictitious arrangement is created, the so-called ‘eighty-plus-fiduciary-administration’. Under this scheme, anyone who is over the age of eighty will have their legal capacity limited, and lose control of their assets. The question then arises as to why this eighty plus rule is not desirable whilst the protective rules for minors are widely accepted. This contribution is part of a wider dissertation research entitled ‘Minors and (the care of) their assets’.


Mr. Hans ter Haar
Hans ter Haar is a lecturer in notarial law at the University of Groningen.

    As a result of reported cases of child abuse by Roman Catholic priests and brothers in The Netherlands, a Dutch solicitor has formally accused the archdiocese of Utrecht and the diocese of Rotterdam of conspiracy. The charges being ill-founded were rejected by the public prosecutor. The present article points out that the charge of conspiracy was ill-considered and legally untenable under Dutch criminal law, because it could not be maintained that the archdiocese of Utrecht or the diocese of Rotterdam were parties to an agreement to commit the offences in question. Unfortunately child abuse and the tendency to keep it silent are a common problem in Dutch society, not only within the Roman Catholic Church, so it should be addressed accordingly. The Dutch Bishops’ Conference and representatives of congregations established in The Netherlands have set up a fact-finding committee under the expert guidance of the elder states-man Mr. Deetman to make an independent investigation into the facts and circumstances of sexual abuse of children within the ecclesiastical province of The Netherlands and to make recommendations for redress and compensation. The committee has submitted its report in December 2011. Like this the Dutch bishops and congregations have set an example how the problem of prescribed cases of child abuse within a complex social organization can be revealed and dealt with. For that purpose criminal law is a less appropriate instrument. It is satisfying to see that other organizations, religious and secular, have taken similar initiatives.


René Guldenmund
Mr. R.M.A. Guldenmund studeerde burgerlijk recht en internationaal recht, en was van 1984-1993 onderzoeker aan de Universiteit Utrecht. Sindsdien werkte hij als jurist aan verschillende ministeries. Hij publiceerde o.a. over de strafrechtelijke handhaving van het EU-gemeenschapsrecht. Thans werkt hij aan het proefschrift God in de publieke ruimte. rene@guldenmund.eu.
Jurisprudentie

Wegener herzien

Rb. Rotterdam 27 september 2012

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 6 2012
Trefwoorden voorschrift artikel 41 Mw, Boetebeleidsregels 2009, feitelijk leidinggever, verjaring
Auteurs Mr. L.E.J. Korsten
SamenvattingAuteursinformatie

    De Rechtbank Rotterdam heeft het besluit op bezwaar van de NMa vernietigd. De door de NMa aan Wegener en (ex-)bestuurders opgelegde boetes zijn door de rechtbank fors verlaagd. Volgens de rechtbank had de NMa ten onrechte rechttoe rechtaan de Boetebeleidsregels toegepast wat leidde tot veel te hoge boetes. Daarnaast was de scope van de overtreding volgens de rechtbank beperkter dan de NMa had aangenomen. Omdat sprake was van voortdurende overtredingen faalt het beroep op verjaring. De door de NMa aan twee commissarissen opgelegde boetes zijn door de rechtbank geschrapt. Volgens de rechtbank vervulden de commissarissen een toezichthoudende rol. Aansprakelijkheid voor boetes past daar volgens de rechtbank niet bij.


Mr. L.E.J. Korsten
Mr. L.E.J. Korsten is advocaat bij DLA Piper Nederland N.V.

E. Dewitte
E. Dewitte is assistent aan het Instituut voor Goederenrecht, Katholieke Universiteit Leuven, Kulak.

V. Sagaert
V. Sagaert is hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven en Universiteit Antwerpen en directeur van het Instituut voor Goederenrecht van de Katholieke Universiteit Leuven.
Artikel

Afbakening van bevoegdheden en de toepassing van het ne bis in idem-beginsel in het mededingingsrecht na het Toshiba-arrest

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 5 2012
Trefwoorden Ne bis in idem-beginsel, Verordening 2003/1/EG, competentieverdeling, handhaving, boete
Auteurs Mr. R. Elkerbout LL.M
SamenvattingAuteursinformatie

    43 jaar na het Walt Wilhelm-arrest heeft de grote kamer van het Hof van Justitie zich in het Toshiba-arrest opnieuw uitgelaten over de onderlinge afbakening van bevoegdheden tussen de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten alsook over de betekenis van het ne bis in idem-beginsel bij de handhaving van het mededingingsrecht in grensoverschrijdende kartelzaken. De auteur bespreekt in deze bijdrage het arrest en de implicaties daarvan voor de afbakening van bevoegdheden binnen het Europese netwerk van mededingingsautoriteiten. Voorts wordt een aantal kritische kanttekeningen geplaatst bij het oordeel van het Hof van Justitie aangaande de toepassing van het ne bis in idem-beginsel in de onderhavige kartelzaak.


Mr. R. Elkerbout LL.M
Ruben Elkerbout is advocaat bij Stek in Amsterdam.
Praktijk

Kroniek rechtspraak bestuursrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 8 2012
Trefwoorden Awb, Bestuursrecht, Jurisprudentie, kroniek
Auteurs Mr. A.C. de Die en mr. C. Velink
SamenvattingAuteursinformatie

    De kroniek geeft een overzicht van de bestuursrechtelijke uitspraken op het gebied van het gezondheidsrecht in de periode februari 2011 tot en met juli 2012. Naast de jaarlijks terugkerende onderwerpen zoals de begrippen ‘besluit’ en ‘belanghebbende’, komen ook meer specifieke onderwerpen aan bod, zoals de beginselplicht en actieve openbaarmaking. Aandacht verdient in ieder geval de Wob-uitspraak over de openbaarmaking van het suïciderapport waardoor onder andere duidelijkheid is verkregen over de privacybescherming na overlijden. Ook interessant is de Wbp-uitspraak over de kennisneming van documenten in het kader van een onderzoek naar het functioneren van een medisch specialist.


Mr. A.C. de Die
Mieke de Die is advocaat bij Velink & De Die advocaten te Amsterdam.

mr. C. Velink
Caren Velink is advocaat bij Velink & De Die advocaten te Amsterdam.
Artikel

Tegen dovemansoren?

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2012
Trefwoorden strafrechtswetenschap, antiterrorismewetgeving, crime complex, social media
Auteurs Mr. dr. M.A.H. van der Woude
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage gaat de auteur, mede aan de hand van de casus van de antiterrorismewetgeving, nader in op de vraag wat de betekenis is van de strafrechtswetenschap bij de totstandkoming van nieuwe wet- en regelgeving op het terrein van orde en veiligheid. Haar standpunt is dat de rol van de strafrechtswetenschap binnen het wetgevingsproces tegenwoordig te beperkt is en geoptimaliseerd zou kunnen worden. Hierbij worden de strafrechtswetenschapper en de strafwetgever niet alleen in de schijnwerpers gezet, maar wordt ook de belangrijke en onlosmakelijke band tussen beiden benadrukt.


Mr. dr. M.A.H. van der Woude
Mr. dr. M.A.H. van der Woude is werkzaam als universitair docent bij het Instituut voor Strafrecht & Criminologie, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden.
Artikel

Cultuur van organisaties als aangrijpingspunt voor toezicht

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 3 2012
Trefwoorden toezicht, handhaving, regulering, organisatiecultuur, inspecteren
Auteurs Prof. dr. ing. F.J.H. Mertens
SamenvattingAuteursinformatie

    In het toezicht wordt getracht organisaties in hun feitelijk functioneren te beïnvloeden en te beheersen. Een van de aspecten van organisaties waar de belangstelling van de toezichthouders steeds meer naar uit gaat, is cultuur. Cultuur wordt dan gezien als de ‘driver’ achter het handelen van organisaties en in de wens om gevaren te voorkomen zoekt de toezichthouder naar aangrijpingspunten die tijdig zicht geven op waarschijnlijk gedrag en vooral ongewenst gedrag. In deze bijdrage bespreekt de auteur enkele problemen die aan de cultuurnotie als aangrijpingspunt van wettelijk toezicht verbonden zijn. Concluderend leidt het artikel tot het inzicht dat aan de cultuurnotie nog veel onduidelijk is en dat de hantering ervan in het toezicht dan ook meer vragen oproept dan dat er mee beantwoord kunnen worden.


Prof. dr. ing. F.J.H. Mertens
Prof. dr. ing. F.J.H. Mertens is lid van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en was tot 1 september 2011 hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft.
Artikel

Omgevingswet: gemiste of benutte kansen?

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 2 2012
Trefwoorden Omgevingswet, integraal toetsingskader, omgevingsverordening, gefaseerde invoering, rechtsbescherming
Auteurs Prof. dr. F.P.C.L. Tonnaer
SamenvattingAuteursinformatie

    De Omgevingswet beoogt de veelheid aan wetten in het omgevingsrecht te integreren. In deze bijdrage bespreekt de auteur enkele dilemma’s in het wetgevingsproces. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan: de voorlopige keuze van de minister om de gemeentelijke structuurvisie niet te verplichten, een herhaald pleidooi voor het streven naar een integraal toetsingskader voor omgevingsvergunningen, de problematiek die samenhangt met het hanteren van twee procedures voor onderdelen van de gemeentelijke omgevingsverordening en de (te) rooskleurige manier waarop de minister aankijkt tegen de invoering van de Omgevingswet.


Prof. dr. F.P.C.L. Tonnaer
Prof. dr. F.P.C.L. (Frans) Tonnaer is deeltijdhoogleraar omgevingsrecht bij de Open Universiteit en algemeen directeur van Tonnaer Adviseurs in Omgevingsrecht.
Artikel

Surveilleren en opsporen in een internetomgeving

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 5 2012
Trefwoorden Policing, Internet, open-source intelligence, iColumbo, police power
Auteurs J.J. Oerlemans en B.J. Koops
SamenvattingAuteursinformatie

    Publicly available information on the Internet about people or criminal acts can be relevant to criminal investigations. This article analyses to what extent Dutch criminal procedure law allows open source intelligence for law-enforcement purposes. When more than ‘minor’ privacy interferences arise, an explicit investigatory power in the criminal procedure code is required. Minor infringements are allowed under the general task description in the Police Act 1993. It is unclear however when ‘substantial’ privacy infringements arise. On the basis of ECHR jurisprudence on foreseeability and the Dutch criteria for ‘systematic observation’, the authors conclude that Internet data-gathering will often require an explicit investigatory power and can only be used for criminal investigation with an order from the public prosecutor, but not, except for small-scale and ad hoc searches, for general police practice purposes. Because the Internet is much different in its nature from a decade ago and the investigatory powers are not in all respects easily applicable to Internet surveillance, the authors argue that the Dutch legislator must take action and make clear under which conditions information on the Internet can be gathered by law enforcement.


J.J. Oerlemans
Mr. Jan-Jaap Oerlemans is promovendus bij eLaw@Leiden, Centrum voor Recht in de Informatiemaatschappij van de Universiteit Leiden. Daarnaast is hij juridisch adviseur bij Fox-IT.

B.J. Koops
Prof. dr. Bert-Jaap Koops is hoogleraar regulering van technologie bij TILT – Tilburg Institute for Law, Technology and Society van de Universiteit van Tilburg.

    Naar het huidige Nederlandse contractenrecht is voor de geldigheid van een overeenkomst niet vereist dat er een zekere evenredigheid bestaat tussen de wederzijdse prestaties van twee private partijen. De heersende opvatting in het Nederlandse (en Europese) privaatrecht is dat de iustum pretium-leer (leer van de rechtvaardige prijs) geen deel van het contractenrecht uitmaakt en ook niet zou mogen uitmaken. Het in het Nederlandse privaatrecht ingenomen standpunt ten aanzien van de iustum pretium-leer wordt echter in belangrijke mate doorkruist voor wat betreft de provisieafspraken tussen de cliënt en de financiële dienstverlener door de recente invoering van de ‘kennelijke onredelijkheidsnorm’ in de financiële toezichtwetgeving. In deze bijdrage wordt ingegaan op deze ontwikkeling in het bestuursrecht en haar betekenis voor de contractspraktijk.


Prof. dr. O.O. Cherednychenko
Prof. dr. O.O. Cherednychenko is adjunct hoogleraar Europees privaatrecht en rechtsvergelijking aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Artikel

Nationale koppen op EU-regelgeving; een relevante discussie?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 6 2012
Trefwoorden nationale koppen, implementatie, harmonisatie, regeldruk
Auteurs Mr. dr. J. Stoop
SamenvattingAuteursinformatie

    Dit artikel gaat over de vraag of het relevant is nationale koppen (op EU-regelgeving) te onderscheiden van ‘gewoon’ nationaal beleid. De conclusie luidt dat dit niet het geval is.


Mr. dr. J. Stoop
Mr. dr. J. Stoop is werkzaam bij de Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, Afdeling Risico en Milieukwaliteit, unit EU-milieurecht.
Casus

Enkele AFM-boetebesluiten ter zake van overkreditering langs de lat van het bepaalbaarheidsgebod

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2012
Trefwoorden AFM, bepaalbaarheidsgebod, bestuurlijke boete, boetebesluit, overkreditering
Auteurs Mr. C.F.J. van Tuyll
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage staat de vraag centraal of de AFM, als deze tot beboeting overgaat, de door haar voorgestane invulling van het financiële voorschrift vooraf voldoende kenbaar maakt aan de markt. Deze verplichting vloeit voort uit het bepaalbaarheidsgebod dat via de band van art. 7 EVRM van toepassing is op bestuurlijke boetes. De auteur onderzoekt aan de hand van diverse boetebesluiten die de AFM in 2010-2011 wegens overkreditering aan kredietverstrekkers als Rabobank, ING, DSB en ELQ Hypotheken N.V. heeft opgelegd of de AFM de door haar voorgestane invulling van bepaling ter zake van overkreditering vooraf voldoende helder kenbaar heeft gemaakt aan de markt. Na het wettelijk kader van het overkrediteringsvoorschrift te hebben geschetst, gaat de auteur in op de algemene gedachte achter de open norm. Voorts worden de diverse boetebesluiten van de AFM die aan de geselecteerde kredietverstrekkers zijn opgelegd, besproken en beoordeeld. Bij de beoordeling of de AFM zich wel voldoende rekenschap heeft gegeven van het bepaalbaarheidsgebod staat centraal of de boeteoplegging voor ondertoezichtstaanden in voldoende mate te voorzien was, in het licht van eerder door de AFM gegeven interpretaties ten aanzien van het voorschrift.


Mr. C.F.J. van Tuyll
Mr. C.F.J. van Tuyll is advocaat bij Loyens & Loeff te Amsterdam.
Artikel

Over de effectiviteit van mediation in gevallen van geweld tussen partners

Resultaten van een empirisch onderzoek in Oostenrijk

Tijdschrift Tijdschrift voor Herstelrecht, Aflevering 2 2012
Trefwoorden herstelrecht, slachtoffer-daderbemiddeling, huiselijk geweld, geweld tegen vrouwen
Auteurs Christa Pelikan
SamenvattingAuteursinformatie

    The Austrian social historian Christa Pelikan wrote in 2009 an article with the following title: On the efficacy of Victim-Offender-Mediation in cases of partnership violence in Austria, or: Men don’t get better, but women get stronger: Is it still true?
    It contains outcomes of an empirical study which reads in short: The efficacy of VOM in cases partnership violence is to a large part due to the empowerment of the women victims, but partly, albeit to a smaller percentage, also due to an inner change, to insight and following from that a change of behaviour on the side of the male perpetrators. These achievements should be understood as part of a comprehensive societal change – a change of expectations regarding the use of violence in intimate partnerships. The research presented is to be perceived against the background of another study carried out 10 years before; its title was: ‘The efficacy of criminal law interventions in cases of partnership violence: Comparing The Criminal Trial and Victim-Offender Mediation (out of court offence compensation – ATA)’. Quantitaive and qualitative research is used, as well as a description of cases. In our journal a Dutch translation of this relevant (2009) article on RJ and domestic violence has been published.


Christa Pelikan
Christa Pelikan is senior onderzoeker aan het Institute for Sociology of Law and Criminology in Wenen. Zij is een van de oprichters van het European Forum for Restorative Justice.

    In this feature authors review recently published books on subjects of interest to readers of Recht der Werkelijkheid.


Erhard Blankenburg
Erhard Blankenburg is emeritus hoogleraar rechtssociologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Artikel

Menarini en KME: marginale of volle toetsing van mededingingsboetes door de rechter?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2012
Trefwoorden mededinging, boetes, beoordelingsruimte, beleidsvrijheid, ambtshalve toetsing
Auteurs Mr. dr. R. Stijnen
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zaak Menarini heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat de toetsing van mededingingsboetes door de Italiaanse bestuursrechter voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM. Vlak daarna heeft het Hof van Justitie in de zaak KME geoordeeld dat het algemene wettigheidstoezicht tezamen met de volledige rechtsmacht van de unierechter bij door verordeningen bepaalde sancties voldoen aan de eisen van een effectieve rechtsbescherming als thans verankerd in artikel 47 Handvest. De vraag is of deze arresten gevolgen hebben voor de beoordelings- en beleidsruimte van de Europese Commissie of de nationale mededingingsautoriteit.


Mr. dr. R. Stijnen
Mr. dr. R. (Rogier) Stijnen is senior stafjurist bij de Rechtbank Rotterdam.
Praktijk

Kroniek Nederlands mededingingsrecht 2011

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 2 2012
Trefwoorden regelgeving, mededingingsafspraken, machtspositie, procedurele aangelegenheden
Auteurs Mr. A.R. Bosman, Mr. E. Oude Elferink, Mr. R.N.A. Nieuwmeyer e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Het verslagjaar 2011 bracht een aardige oogst aan zaken en ontwikkelingen voort. De NMa rondde zes kartelzaken af met een boetebesluit en legde daarmee aan vierendertig ondernemingen een boete op van in totaal 39,7 miljoen euro. Dat bedrag is beduidend lager dan in 2010, maar aanmerkelijk hoger dan in 2009. Twee natuurlijke personen hebben boetes opgelegd gekregen van in totaal 75.000 euro. Aan geen van de kartelzaken die tot boetes hebben geleid is een clementiemelding voorafgegaan. Daar staat tegenover dat in drie zaken gebruik is gemaakt van informatie afkomstig van andere overheidsinstanties. In zes zaken is het onderzoek stopgezet vanwege onvoldoende bewijs.


Mr. A.R. Bosman
Mr. A.R. Bosman is als advocaat werkzaam bij CMS Derks Star Busmann.

Mr. E. Oude Elferink
Mr. E. Oude Elferink is als advocaat werkzaam bij CMS Derks Star Busmann.

Mr. R.N.A. Nieuwmeyer
Mr. R.N.A. Nieuwmeyer is als advocaat werkzaam bij CMS Derks Star Busmann.

Mr. A.P.C. Hazelhoff
Mr. A.P.C. Hazelhoff is als advocaat werkzaam bij CMS Derks Star Busmann.

    The future of wiretapping is threatened by encryption and developments in the telecommunications industry. Internet communications changed the wiretapping landscape fundamentally. In practice it is often impossible to wiretap all possible internet connections. Not all communication providers are obliged to execute wiretap orders. This limits the use of a wiretap in an increasingly digital world. Although the content of certain encrypted Voice-over-IP communications and private messages might not be visible to law enforcement officials, the traffic data are. These traffic data show when the suspect connects to certain communication services, which provide important clues to proceed in a criminal investigation. It is important to have a discussion whether our wiretap laws need to be amended to better fit the needs of law enforcement. However, to make such a debate possible we need transparency. A good first step is to provide details and statistics about the use of internet wiretaps.


J.J. Oerlemans
Mr. Jan-Jaap Oerlemans is promovendus bij eLaw@Leiden, Centrum voor Recht in de Informatiemaatschappij van de Universiteit Leiden. Daarnaast is hij juridisch adviseur bij Fox-IT.
Artikel

Politieonderzoek in open bronnen op internet

Strafvorderlijke aspecten

Tijdschrift Tijdschrift voor Veiligheid, Aflevering 2 2012
Trefwoorden criminal investigation, surveillance, OSINT, investigation powers, legal basis
Auteurs Bert-Jaap Koops
SamenvattingAuteursinformatie

    Analysing large amounts of data goes to the heart of the challenges confronting intelligence and law enforcement professionals today. Increasingly, this involves Internet data that are ‘open source’ or ‘publicly available’. Projects such as the European FP7 VIRTUOSO aim at developing platforms for open-source intelligence by law enforcement and public security, which open up opportunities for large-scale, automated data gathering and analysis. However, the mere fact that data are publicly available does not imply an absence of restrictions to researching them. This paper investigates one area of legal constraints, namely Dutch criminal-procedure law in relation to open-source data gathering by the police. Which legal basis is there for this activity? And under what conditions can foreign open sources be investigated?
    After sketching the context of the VIRTUOSO project and legal constraints of open-source intelligence in general, this paper discusses provisions of the Dutch Police Act 1993 and the Code of Criminal Procedure to determine which is the correct legal basis for gathering data from openly accessible and semi-open sources. Next, cross-border gathering of data is discussed on the basis of article 32 of the Cybercrime Convention. The paper draws the conclusion that investigating open sources by the police will often go beyond what is allowed on the basis of the general task description of the police (art. 2 Police Act 1993); hence, an order from the Public Prosecutor for systematic observation or intelligence is required. Moreover, the tools used must meet the non-manipulability and auditing requirements of the Dutch Decree on Technical Devices in Criminal Procedure.


Bert-Jaap Koops
Prof. dr. Bert-Jaap Koops is hoogleraar regulering van technologie bij TILT – Tilburg Institute for Law, Technology, and Society, Universiteit van Tilburg. Het onderzoek voor dit artikel werd mede gefinancierd door het Europese KP7-project VIRTUOSO (projectnr. FP7-SEC GA-2009-242352).
Hoofdartikel

Grenzen aan de rechtsvormende taak van de rechter in het privaatrecht en het arbeidsrecht

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2012
Trefwoorden rechtsvormende taak, wetgever-plaatsvervanger, rechtszekerheid, privaatrechtelijke benadering
Auteurs Prof. mr. C.J.H. Jansen en Prof. mr. C.J. Loonstra
SamenvattingAuteursinformatie

    Het lijkt een bijna uitgemaakte zaak dat de rechter een rechtsvormende taak heeft. De Hoge Raad heeft op het gebied van het algemene privaatrecht grenzen aan deze taak gesteld, bijvoorbeeld door te overwegen dat een bepaalde oplossing vanuit het oogpunt van rechtszekerheid onaanvaardbaar is of dat een bepaalde uitspraak de rechtsvormende taak van het college te boven gaat. Naar aanleiding van een drietal recente arbeidsrechtelijke uitspraken van de Hoge Raad onderzoeken de schrijvers de grenzen aan zijn rechtsvormende taak op het terrein van het arbeidsrecht. In het verleden ging het college op dit politiek gevoelige rechtsgebied wel erg ver in zijn optreden als wetgever-plaatsvervanger.


Prof. mr. C.J.H. Jansen
Prof. mr. C.J.H. Jansen is hoogleraar rechtsgeschiedenis en burgerlijk recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen, en tevens bijzonder hoogleraar Romeins recht aan de UvA.

Prof. mr. C.J. Loonstra
Prof. mr. C.J. Loonstra is hoogleraar arbeidsrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en adviseur bij Boontje Advocaten Arbeidsrecht te Amsterdam.
Toont 1 - 20 van 27 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.