Zoekresultaat: 11 artikelen

x
Jaar 2013 x
Diversen

Onrustige onafhankelijkheid

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 4 2013
Trefwoorden WRR-rapport, onafhankelijkheid, kernwaarde
Auteurs Margot Aelen en Gustaaf Biezeveld
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt voortgebouwd op het idee dat onafhankelijkheid een kernwaarde is van toezicht. De auteurs gaan in op de voornaamste redenen voor onafhankelijkheid en de oorzaken van de ‘onrust’. Tot slot schetsen zij de contouren van een structurele oplossing voor de spanning tussen de politiek en toezichthouders.


Margot Aelen
M. Aelen LL.M is promovenda aan de Universiteit Utrecht en tevens lid van de redactie van dit tijdschrift.

Gustaaf Biezeveld
Mr. G.A. Biezeveld is lid van de redactie van dit tijdschrift.
Diversen

Juridische ruggengraat toezicht mag niet ontbreken

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 4 2013
Trefwoorden WRR-rapport, legaliteitsbeginsel, bestuursrecht, bestuursprocesrecht
Auteurs Annetje Ottow en Madeleine de Cock Buning
SamenvattingAuteursinformatie

    Juridische aspecten van het toezicht komen in het WRR-rapport slechts incidenteel aan de orde. In deze bijdrage gaan de auteurs door waar de WRR op dit punt ophield door nadere kleuring te geven aan de voor toezicht zo bepalende juridische context.


Annetje Ottow
Prof. mr. A.T. Ottow is hoogleraar economisch publiekrecht, Universiteit Utrecht en non- executive director Competition Markets Authority United Kingdom.

Madeleine de Cock Buning
Prof. mr. dr. M. de Cock Buning is voorzitter van het Commissariaat voor de Media en hoogleraar Media-Communicatie en Auteursrecht aan de faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht.
Praktijk

De zelfstandige AMvB: hoe staat het daarmee?

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2013
Trefwoorden zelfstandige algemene maatregel van bestuur, algemene maatregel van bestuur, Aanwijzingen voor de regelgeving, Raad van State
Auteurs Mr. T.C. Borman
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de stand van zaken rond de figuur van de zelfstandige AMvB sinds het jaar 2000. Er wordt een beschrijving gegeven van de vijftien zelfstandige (ontwerp-)AMvB’s die sindsdien tot stand zijn gebracht. Daarbij wordt veel aandacht geschonken aan de opvattingen van de Raad van State en de daarmee niet altijd overeenkomende opvattingen van de regering. Een van de conclusies is dat de vraag hoe de regering de toelaatbaarheid van een zelfstandige AMvB beoordeelt, sterk afhangt van de interpretatie die een individuele minister geeft aan artikel 89 Gw.


Mr. T.C. Borman
Mr. T.C. Borman is werkzaam bij de directie Wetgeving van het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Artikel

De invloed van bestuursrechtelijke normen op het privaatrecht

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 7 2013
Trefwoorden verhouding publiek-privaatrecht, private regulering, toezicht, open normen
Auteurs Mr. M.W. Scheltema
SamenvattingAuteursinformatie

    Het publiekrecht (bestuursrecht) kan op verschillende wijzen doorwerken in het privaatrecht, onder meer via privaatrechtelijke open normen en het behartigen van publieke belangen door private entiteiten. Beide nemen een grote vlucht. Dat creëert nieuwe uitdagingen in het grensgebied tussen het (internationale en nationale) publiek- en privaatrecht.


Mr. M.W. Scheltema
Mr. M.W. Scheltema is advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn en deeltijdhoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Artikel

De wenselijkheid van een algemene zorgplicht in de Wft

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2013
Trefwoorden Wijzigingswet financiële markten 2014, Wet op het financieel toezicht, Autoriteit Financiële Markten, zorgplicht, financiëledienstverleners
Auteurs mr. N.A. van Opbergen
SamenvattingAuteursinformatie

    In het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2014 wordt voorgesteld een algemene zorgplicht voor financiëledienstverleners vast te leggen in de Wet op het financieel toezicht (art. 4:24a nieuw). Belangrijkste argument daarvoor is informatiescheefheid tussen financiëledienstverleners en klanten. Belangrijkste argument daartegen is rechtsonzekerheid voor financiëledienstverleners, omdat onduidelijk zou zijn wanneer de zorgplicht wordt overtreden. Voor een succesvolle handhaving van de algemene zorgplicht is vereist dat de AFM dit alleen doet in evidente gevallen. Het voorgestelde artikel moet deels worden gewijzigd.


mr. N.A. van Opbergen
Mevrouw Van Opbergen heeft dit artikel geschreven naar aanleiding van haar afstudeerscriptie.
Artikel

De levenslange vrijheidsstraf internationaal vergeleken

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 2 2013
Trefwoorden life sentences, whole life imprisonment, human rights, European Court of Human Rights, release prospect
Auteurs D. van Zyl Smit
SamenvattingAuteursinformatie

    Life imprisonment is difficult to define. Sentences that are not called life imprisonment may also be indefinite sentences of detention which may result in the detention of offenders in prison until they die there. Even where a sentence is called ‘life imprisonment’ it may be difficult to ascertain for how long the offender will actually be held and what criteria will be applied to considering his eventual release. This paper sketches some recent developments in respect of indeterminate sentences that are not called life imprisonment, even though they amount to it in practice. It then turns to the question of life sentences that are imposed without provision for any fixed period after which they should be reconsidered. Questions are raised about the extent to which such sentences are acceptable in Europe, the United States and elsewhere, particularly in instances where at sentence there is an indication that the offenders may not be considered for release at all. It is argued that human rights law is moving towards requiring that all persons sentenced to life imprisonment should have a reasonable prospect of release. Given the widespread support for life imprisonment this paper seeks to raise some human rights concerns that arise with the use of this sentence. The concerns are essentially twofold. First, the sentence may be imposed in instances where it would be disproportionate punishment to do so. Secondly, the procedures for its implementation, in particular those that relate to the potential release of persons serving life sentences, may not be adequate to meet the requirement of a realistic prospect of release.


D. van Zyl Smit
Prof. Dirk van Zyl Smit is als hoogleraar vergelijkend internationaal en penitentiair recht verbonden aan de University of Nottingham.
Discussie

Victimalisering van het strafproces

Een herstelrechtelijk commentaar

Tijdschrift Tijdschrift voor Herstelrecht, Aflevering 1 2013
Trefwoorden slachtofferrechten, procespartij, strafproces, herstelrecht
Auteurs John Blad
SamenvattingAuteursinformatie

    The author discusses the proposals done by Richard Korver, a Dutch victim-solicitor, with regard to the legal position of the victim in the Dutch penal procedure. They amount to making the victim a fully equipped party to the procedure with – as it were – the same arms as the offender and his solicitor has. These proposals include an autonomous right to appeal against the verdict in first instance, a right to make a victim statement of opinion, the right to rebuke the bench, and the right to be heard in almost every procedural and substantial decision of any authority in the penal process and in the execution of punishment. The authors comment is that these proposals, when realized, will imply an intensification of the polarized legal debate in the penal procedure, with more risks of secondary victimization. The problem is not that the defendant will oppose two prosecutors, but that the victim will find the public prosecutor not on his side when the latter does his job as he should: serving the interests of justice. The inquisitorial procedure does allow for participation of victims, but only in so far as this participation can serve the interests of establishing the truth of the matter and determining proportionate and equal punishment. Meanwhile the risk of instrumentalising the victim and his needs in interests in punitive strategies exists. Restorative practices offer a much better context for an assertive victim to defend his interests and satisfy his needs, staying out of a debate in which the measure of punishment functions as the yardstick of his suffering. Regular civil law procedures could be the second option and criminal procedures should be relegated again to their rightful place as ultima ratio.


John Blad
John Blad is hoofddocent strafrechtswetenschappen aan de Erasmus Law School Rotterdam, hoofdredacteur van dit tijdschrift en visiting fellow aan de Renmin University en de China University of Politics and Law, Beijing.
Jurisprudentie

Access_open Het verbod op gezichtsbedekkende kleding

Getoetst door het Grondwettelijk Hof van België

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 1 2013
Auteurs Carla Zoethout
SamenvattingAuteursinformatie

    The Court recognizes the appeal to the freedom of religion, as laid down in Article 10 European Convention of Human Rights. This freedom is not illimitable, however. According to the Court, the prohibition of wearing face-covering clothes is legitimate and the aims of public security, equality of men and women, and the wish to express a specific viewpoint on ‘living together in society’, are in conformity with the limitation clause of Article 10 ECHR. The Court considers the law proportionate and ‘necessary in a democratic society’ with a view to the aims of the law, with the caveat that the law is not applicable in places of worship open to the public.
    In the annotation, the parliamentary debate leading to the adoption of the law is analyzed. The law is a clear expression of a specific stance towards society in general and the position of men and women in particular. As it is a choice by the democratic institutions, the Court takes an attitude of restraint in this matter. All the same, the question is raised whether the term ‘in publicly accessible places’ may prove to be too vague and with that, not proportional to the legitimate aims pursued.


Carla Zoethout
Dr. C.M. Zoethout is universitair hoofddocent Staatsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Zij is redactielid van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. C.M.Zoethout@uva.nl.
Artikel

De wetgever als keuzearchitect

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 1 2013
Trefwoorden gedragsregulering, evidence-based wetgeven, irrationaliteit, nudging, new governance
Auteurs Prof. dr. R.A.J. van Gestel
SamenvattingAuteursinformatie

    Wie de wet niet louter gebruikt om bestaande normen, zeden en gewoonten te codificeren, maar ook om gedrag te modificeren, zal rekening moeten houden met kennis uit de gedragswetenschappen. Met name gedragseconomisch onderzoek richt zich in toenemende mate op voorspelbaar irrationeel keuzegedrag van burgers. Zogeheten nudges of slimme prikkels worden voorgesteld om het gedrag van burgers te reguleren. De vraag is echter hoe evidence-based nudges zijn, in hoeverre ze wetgeving overbodig maken en of de wetgever überhaupt wel rekening wenst te houden met wetenschappelijke inzichten. In deze bijdrage wordt betoogd dat (wetgevings)juristen veel kunnen leren van recente inzichten uit gedragswetenschappelijk onderzoek, maar dat we er tegelijkertijd ook geen overspannen verwachtingen van moeten koesteren. Bovendien is het van belang om de normatieve vragen die een rol spelen bij het ‘manipuleren’ van keuzegedrag niet uit het oog te verliezen.


Prof. dr. R.A.J. van Gestel
Prof. dr. R.A.J. van Gestel is hoogleraar theorie en methode van wetgeving aan de Universiteit van Tilburg en redacteur van RegelMaat. r.a.j.vangestel@uvt.nl
Artikel

Gelijke behandeling bij toerekening kartelinbreuken

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1/2 2013
Trefwoorden Toerekening, Gelijke behandeling, Gelijkheidsbeginsel, Non-discriminatie, Alliance One
Auteurs Mr. S.C.H. Molin
SamenvattingAuteursinformatie

    In Alliance One stelt het Hof van Justitie voor het eerst vast dat de Europese Commissie bij de toerekening van kartelinbreuken niet met twee maten mag meten. Dit arrest is van fundamenteel belang voor de beschikkingspraktijk van de Commissie alsook voor de nationale mededingingsautoriteiten en rechterlijke instanties van de lidstaten.


Mr. S.C.H. Molin
Mr. S.C.H. Molin is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek N.V.

    This article examines the actual application of European administrative soft law in light of the Dutch principle of legality. European administrative soft law is not legally binding. However, European administrative soft law can generate judicial binding effects for the Member States on the basis of the jurisprudence of the Court of Justice. Moreover, the research on the actual application of administratice soft law in the field of European subsidies shows that it can also have a 'de facto' binding effect for the Member Sates.

    The (legal and actual) binding effects of European administrative soft law are problematic in light of the principle of legality, according to which binding norms must be laid down in hard law. The article argues that with the application of administrative soft law, three functions of the principle of legality (the principle provides legal certainty and legitimacy and serves as a safeguard against public authorities) are not sufficiently met. Several possible solutions that may resolve this tension are proposed.


Claartje van Dam
Claartje van Dam is masterstudent Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit Leiden.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.