Zoekresultaat: 194 artikelen

x
Jaar 2015 x

    In this paper, an attempt is made to work out a methodology for comparative legal research, which goes beyond the ‘functional method’ or methodological scepticism.
    The starting point is the idea that we need a ‘toolbox’, not a fixed methodological road map, and that a lot of published, but largely unnoticed, research outside rule and case oriented comparative law offers varying approaches, which could usefully be applied in comparative research. Six methods have been identified: the functional method, the structural one, the analytical one, the law-in-context method, the historical method, and the common core method. Basically, it is the aim of the research and the research question that will determine which methods could be useful. Moreover, different methods may be combined, as they are complementary and not mutually exclusive.This paper focuses on scholarly comparative legal research, not on the use of foreign law by legislators or courts, but, of course, the methodological questions and answers will largely overlap.


Mark Van Hoecke
Professor of Comparative Law at Queen Mary University of London, and Professor of Legal Theory and Comparative Law at Ghent University

    Central to this contribution is the question whether Dworkin’s theory of constructive interpretation as a method of applying law for the judge, can be used as a method of legal-dogmatic research. Constructive interpretation is a method of legal interpretation that aims to find a normative unity in the diversity of rules that characterize a legal system. In order to find an answer to this question, the key elements of Dworkin’s theory are explained and applied to the author’s PhD research. Methodological difficulties that could give rise to problems when applying Dworkin’s theory, are investigated. In the end, the author concludes that since the judge and the scholar use quite the same methods when interpreting law, the principles of constructivism should fit legal research well, even though some aspects of Dworkin’s theory are difficult to operationalize in practice. As a leading notion however, constructivism constitutes a workable method of legal research.


Francisca Christina Wilhelmina de Graaf LL.M
Fanny de Graaf is a PhD candidate at the Faculty of Law, VU University.
Praktijk

Voorhangprocedures voor inwerkingtredingsbesluiten: een staatsrechtelijk gedrocht?

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2015
Trefwoorden wetgeving, inwerkingtredingsbesluiten, voorhangprocedures, Aanwijzingen voor de regelgeving, amendementen
Auteurs Mr. T.C. Borman
SamenvattingAuteursinformatie

    Sinds de eeuwwisseling lijkt een fenomeen in opkomst dat wat de juridische vormgeving betreft gelijkenis vertoont met parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde wetgeving, maar bij nadere beschouwing toch heel wat anders is: voorhangprocedures voor koninklijke besluiten waarmee een wet in werking wordt gesteld. Op het eerste gezicht lijkt dat vreemd: als de Tweede en Eerste Kamer een wet aannemen, mag toch worden verondersteld dat zij ook willen dat de wet in werking treedt. Maar zo simpel blijkt dat toch niet te zijn. De wet wordt dan weliswaar door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen, maar zij behouden zich daarbij uitdrukkelijk het recht voor om te beslissen of en wanneer de wet (of een gedeelte) daarvan) daadwerkelijk effect krijgt. Dit is een nieuw fenomeen, dat staatsrechtelijk bijzonder is te noemen. Immers, de behandeling van een wet in de Tweede en Eerste Kamer kan daarmee eigenlijk nog een keer worden overgedaan. De aanvaarding in de Tweede en Eerste Kamer krijgt daarmee slechts het karakter van een voorwaardelijk groen licht. De inwerkingtreding van de wet is formeel gesproken niet langer een vanzelfsprekend sequeel van de totstandkoming ervan. Sinds 2001 zijn er op dertien wetsvoorstellen amendementen ingediend waarin een voorhangprocedure voor een inwerkingtredingsbesluit werd voorgesteld. Daarnaast zijn er twee gevallen waarin de regering het initiatief nam. Al deze gevallen worden in het artikel besproken en van enkele conclusies voorzien.


Mr. T.C. Borman
Mr. T.C. Borman is werkzaam bij de directie Wetgeving en Juridische Zaken van het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Artikel

De verschuivende functies van de Awb

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2015
Trefwoorden harmonisatie, rechtseenheid, borging van rechtsstatelijkheid
Auteurs Prof. dr. B.J. Schueler
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage gaat aan de hand van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in op een van de drie hoofdcategorieën van rechtseenheid die Stip en Zijlstra onderscheiden, namelijk de rechtseenheid die ziet op het voorkomen van verschillende uitleg en toepassing van dezelfde rechtsnormen binnen een rechtsorde. De auteur bespreekt de vijf belangrijkste redenen om algemene regels van bestuursrecht in de Awb op te nemen in plaats van een regeling te maken voor deelterreinen. Hij bespreekt deze redenen vanuit vijf invalshoeken: rechtseenheid, kenbaarheid, voorspelbaarheid, efficiëntie van wetgeving en borging van rechtsstatelijkheid. In het huidige tijdsgewricht zijn met name die laatste twee van belang door twee ontwikkelingen. Ten eerste proberen bestuur en wetgevers de slagkracht van het bestuur te vergroten. De Awb waarborgt dat burgers de middelen houden die nodig zijn om voor hun belangen en rechten op te komen. Ten tweede komt door verschuivingen het zwaartepunt in wetgeving steeds meer bij het bestuur te liggen: normstelling wordt meer bestuurlijk ingekleurd, de rechter wordt op afstand gezet en de wetgever laat inhoudelijke regelgeving over aan het bestuur. Dit werpt een nieuw licht op de waarborgfunctie van de Awb, die het handelen van het bestuur normeert.


Prof. dr. B.J. Schueler
Prof. dr. B.J. Schueler is hoogleraar bestuursrecht, in het bijzonder het omgevingsrecht, aan de Universiteit Utrecht en staatsraad in de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel

Militaire actoren en accenten in de veiligheidszorg in twintigste-eeuws België

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 4 2015
Trefwoorden security, policing, Belgium, twentieth century, gendarmerie
Auteurs Jonas Campion Phd in History (UCLouvain, Paris Sorbonne – Paris IV)
SamenvattingAuteursinformatie

    Since mid-January 2015, nearly 300 soldiers were mobilized by the Belgian government to ensure the safety of public places in Liège, Brussels, Antwerp and Verviers, providing assistance to local and federal police forces. This provoked intense political and public debate about the issue of the provision of security in a democratic society, raising questions such as: which are the goals of security policies and what kind of risks are they supposed to address? Which control instances should be responsible for the provision of security and how should they operate? The central issue, here, is whether either civilian or military actors and practices are the most appropriate for surveillance and policing tasks. As a matter of fact, this discussion goes back to the Belgian independence and has marked the entire history of the Belgian police system, since at the heart of it, there has long been a military police force, the gendarmerie. In this contribution, we examine how the militarization of security and policing tasks evolved across the twentieth century in Belgium, which socio-political conditions shaped these evolutions, and what kind of arguments pro or contra military approaches have been advanced in this process.


Jonas Campion Phd in History (UCLouvain, Paris Sorbonne – Paris IV)
Jonas Campion is postdoconderzoeker aan de Universiteit Lille 3, France (Irhis, gesteund door het région Nord-Pas-de-Calais) en gastprofessor aan het UCLouvain, België.
Praktijk

Migranten en minderheden in het vizier van staat en politie

Een langetermijnperspectief

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 4 2015
Auteurs Prof. dr. Margo De Koster
Auteursinformatie

Prof. dr. Margo De Koster
Prof. dr. M. De Koster is universitair docent historische criminologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Vrije Universiteit Brussel.
Jurisprudentie

Obesitas en handicap: een zwaar probleem voor het Hof van Justitie van de EU?

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2015
Trefwoorden Obesitas, Hof van Justitie van de EU, Gelijke behandeling, Ziekte, Gebrek
Auteurs Prof. P. Foubert en E. Veronesi
Auteursinformatie

Prof. P. Foubert
Prof. P. Foubert is hoogleraar aan de Universiteit Hasselt (België).

E. Veronesi
E. Veronesi is doctoraatsstudente aan de Universiteit Hasselt (België).

Rein Wesseling
Prof. mr. R. Wesseling is advocaat bij Stibbe en hoogleraar Competition and Regulation Law aan de Universiteit van Amsterdam.
Artikel

Timab Industries S.A.: eerste ‘hybride zaak’ doorstaat eerste rechterlijke toetsing

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2015
Trefwoorden Schikking, Verordening (EG) nr. 622/2008, hybride procedure, alternatieve handhaving
Auteurs Mr. S.M.M.C. Vinken en Mr. drs. M.W.J. Jongmans
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Gerecht heeft in het arrest Timab Industries en Compagnie Financière et de participations Roullier (Timab) voor het eerst uitspraak gedaan over het hybride karakter van de schikkingsprocedure op grond van Verordening (EG) nr. 622/2008. Het hybride karakter is gelegen in de omstandigheid dat alle karteldeelnemers behoudens Timab de zaak met de Commissie hebben geschikt. In de tweede plaats is het arrest van belang, omdat aan Timab een boete werd opgelegd die aanzienlijk hoger was dan de bovengrens van de bandbreedte van boetes die haar door de Commissie in de schikkingsprocedure was voorgehouden. In dit artikel worden de overwegingen van het Gerecht met betrekking tot deze onderwerpen besproken en van kort commentaar voorzien.
    Gerecht 20 mei 2015, zaak T-456/10, Timab Industries, ECLI:EU:T:2015:296 (hogere voorziening verzocht: C-411/15P)


Mr. S.M.M.C. Vinken
Mr. S.M.M.C. (Silvia) Vinken is advocaat bij BANNING N.V.

Mr. drs. M.W.J. Jongmans
Mr. drs. M.W.J. (Martijn) Jongmans is advocaat bij BANNING N.V.
Artikel

Het Hof van Justitie van Schumacker tot Kieback: indirecte discriminatie van buitenlandse werknemers in de inkomstenbelasting

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2015
Trefwoorden vrij verkeer van werknemers, indirecte discriminatie, Kieback-arrest, inkomstenbelasting, hypotheekrenteaftrek
Auteurs Mr. dr. J.J. van den Broek
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Nederlandse en internationale belastingrecht onderscheidt voor de heffing van inkomstenbelasting ingezeten van niet-ingezeten belastingplichtigen. Niet-ingezeten werknemers hebben in de werkstaat meestal geen recht op fiscale tegemoetkomingen in verband met hun persoonlijke of gezinssituatie, zoals hypotheekrenteaftrek. Hoewel dit op zich gerechtvaardigd is, vormt het volgens het Hof van Justitie onder omstandigheden indirecte discriminatie op grond van nationaliteit. Deze bijdrage bespreekt de hoofdlijnen in de jurisprudentie van het Hof van Justitie op dit terrein, inclusief het Kieback-arrest van 18 juni 2015. De Hoge Raad vraagt in laatstgenoemde zaak of Nederland verplicht is om aan een ingezetene van Duitsland die tijdelijk in Nederland gewerkt heeft en vervolgens naar de Verenigde Staten emigreerde, hypotheekrenteaftrek te verlenen in verband met zijn in Duitsland gelegen woning. De verrassende uitkomst van deze procedure illustreert hoe complex Europees rechtersrecht kan zijn.
    HvJ 18 juni 2015, zaak C-9/14, Staatssecretaris van Financiën/D.G. Kieback, ECLI:EU:C:2015:406


Mr. dr. J.J. van den Broek
Mr. dr. J.J. (Harm) van den Broek is als universitair hoofddocent belastingrecht verbonden aan de Radboud Universiteit
Praktijk

PARP voor schadeverzekeraars

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2015
Trefwoorden schadeverzekeraars, productontwikkeling
Auteurs Mr. F.M.A. ’t Hart
SamenvattingAuteursinformatie

    De toenemende maatschappelijke druk op banken, verzekeraars en andere financiële dienstverleners om zo veel mogelijk zorg te dragen dat consumenten de juiste financiële beslissingen nemen, heeft tot nieuwe regelgeving geleid. Regelgeving die aanbieders van financiële producten verplicht om bij de ontwikkeling van hun producten – kort gezegd – rekening te houden met het klantbelang en om te bezien op welke wijze het ontwikkelde financiële product terechtkomt bij de doelgroep waarvoor het financiële product ook daadwerkelijk bedoeld is. De regels over productontwikkeling worden door de wetgever beschouwd als een nadere uitwerking van het algemene vereiste dat een financiële onderneming zorg dient te dragen voor een beheerste en integere bedrijfsuitoefening. De in 2013 ingevoerde regels behelzen meer dan een juridisch-technische toetsing van een voorgenomen financieel product. Ook zal rekening moeten worden gehouden met maatschappelijke inzichten en aspecten van reputationele aard. De commotie rondom het aanbod van een grote verzekeraar om klanten korting te geven op schadeverzekeringen indien klanten bereid zijn om bepaalde persoonsgegevens met de verzekeraar te delen, is daarvan een goed voorbeeld.


Mr. F.M.A. ’t Hart
Mr. F.M.A. ’t Hart is advocaat bij Hart Advocaten te Amsterdam.
Casus

Enkele gedachten over de arbeidsovereenkomst in het concern

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2015
Trefwoorden arbeidsovereenkomst, concern, werknemer
Auteurs Prof. dr. R.M. Beltzer
SamenvattingAuteursinformatie

    De werknemer in het concern heeft veelal niet alleen te maken met degene met wie hij de arbeidsovereenkomst ondertekende, maar ziet zich tevens geconfronteerd met allerhande ‘derden’ die direct of indirect hun invloed uitoefenen op de arbeidsovereenkomst. Denk aan de situatie dat de werkgever niet meer in staat is het loon te betalen omdat de moedervennootschap al haar leningen heeft opgeëist. Een ander concernonderdeel kan zelfs in het geheel niet als derde worden ervaren, bijvoorbeeld in de veelvoorkomende situatie dat de werknemer binnen een concern feitelijk permanent werkt binnen een andere vennootschap dan die waarmee hij de arbeidsovereenkomst sloot. De centrale vraag van de auteur is of het recht voldoende rekening houdt met de arbeidsovereenkomst binnen het concern.


Prof. dr. R.M. Beltzer
Prof. dr. R.M. Beltzer is hoogleraar Arbeid & Onderneming aan de Universiteit van Amsterdam.
Casus

Een praktijkstudie naar de pre-pack en de beoogd curator als vernieuwend instrument in de Nederlandse insolventiepraktijk

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2015
Trefwoorden pre-pack, beoogd curator, effectief instrument, insolventiepraktijk, praktijkstudie
Auteurs Mr. ir. drs. A.G. Beunk
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit onderzoek is door middel van negentien interviews met betrokkenen uit de brede insolventiepraktijk een model ontwikkeld ter beoordeling en toetsing van de effectiviteit van een pre-pack en een beoogd curator. Aan de orde komen daarbij de doelstelling, de afweging van de voor- en nadelen en de voorwaarden voor een pre-pack.


Mr. ir. drs. A.G. Beunk
Mr. ir. drs. A.G. Beunk schreef dit artikel naar aanleiding van haar afstudeeronderzoek Master Accounting & Control aan de Vrije Universiteit.
Praktijk

De accountant: immer een belangrijke poortwachter

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2015
Trefwoorden accountant, poortwachter, vertrouwensman, maatschappelijk verkeer, reputatie
Auteurs Prof. dr. mr. M. Pheijffer en Prof. dr. R.J.M. Jeurissen
SamenvattingAuteursinformatie

    De accountant is een belangrijke actor in het maatschappelijk verkeer: hij voegt vertrouwen toe aan de financiële verantwoording van ondernemingen en andere organisaties. De auteurs gaan in hun bijdrage met name in op wat onder het ‘publiek belang’ en de ‘poortwachtersfunctie’ van de accountant dient te worden verstaan. De auteurs betogen dat naast de controlerende taak van de accountant, diens signalerende en waarschuwende rol van betekenis is. Indien de accountant die rol goed weet te vervullen, levert hij maatschappelijk bezien toegevoegde waarde. Die kan worden versterkt door de implementatie van de door de werkgroep Toekomst accountantsberoep voorgestelde maatregelen, 53 in getal.


Prof. dr. mr. M. Pheijffer
Prof. dr. mr. M. Pheijffer RA is hoogleraar Accountancy aan Nyenrode Business Universiteit en hoogleraar Forensische Accountancy aan de Universiteit Leiden.

Prof. dr. R.J.M. Jeurissen
Prof. dr. R.J.M. Jeurissen is hoogleraar Bedrijfsethiek aan Nyenrode Business Universiteit.
Artikel

Het levenstestament

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 6 2015
Trefwoorden life will, power of attorney, protection of vulnerable adults, mental (in)capacity, ageing
Auteurs Mr. C.G.C. Engelbertink
SamenvattingAuteursinformatie

    A legal document appointing one or more people to help a person make decisions or to make decisions on the person’s behalf is a power of attorney (levenstestament). It is meant to be used in situations when illness prevents a person to make decisions that need to be made. In the levenstestament certain trusted people have been given the authority to manage money affairs, property and medical decisions on behalf of the ill person. The document is registered. The author argues that mental incapacity can also be temporarily or partially.


Mr. C.G.C. Engelbertink
Mr. Chanien Engelbertink is estate planner en (levens)executeur te Bussum.
Artikel

Woningovervallen op ouderen: een zeldzaam, maar heftig fenomeen

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 6 2015
Trefwoorden house robberies, oldsters, violence, risk factors, house robbery offenders
Auteurs Dr. B. Rovers en S. Mesu MSc
SamenvattingAuteursinformatie

    In recent years the total number of violent robberies in the Netherlands has gone down sharply, but the number of robberies on private homes doesn’t decline. Especially robberies on private homes of the elderly are notorious for the level of violence used by the attackers, while the loot is often negligible. In this article the authors investigate this offense. Chances of becoming a victim are very small, but people who are robbed in their own homes often face severe violence. On the one hand these high violence levels and consequential injuries are related to the age of the victims: the elderly resist the attackers more than younger people do, and because of their age they are more vulnerable to physical attacks. On the other hand the high levels of violence are typical of (all) robberies on private homes: the unknown space and the unpredictable behavior of residents contribute to this. Most of these robberies are poorly planned and executed. This also explains why so many of these incidents turn nasty. The elderly are not specially targeted, the reasons they are robbed do not differ from other robberies on private homes: the attackers expect an easy accessible and substantial loot. In many cases both assumptions turn out to be wrong. Risk factors and prevention options are discussed.


Dr. B. Rovers
Dr. Ben Rovers is criminoloog/onderzoeker bij onderzoeksbureau BTVO in Den Bosch.

S. Mesu MSc
Sally Mesu MSc is teamleider Informatieknooppunt Korpsleiding (en voormalig onderzoeker) bij de Nationale Politie.
Artikel

Systeemmishandeling: recht doen aan de zienswijzen van ouderen zelf

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 6 2015
Trefwoorden Definitions of elder abuse, System abuse, Societal norms, Institutional reforms, Discrimination of the elderly
Auteurs Dr. J. Lindenberg, Dr. Y. Mysyuk en Prof.dr. R.G.J. Westendorp
SamenvattingAuteursinformatie

    Two approaches have dominated the way elder abuse is explained and defined: the intrapersonal and interpersonal approaches. More recently, an environmental approach is emerging that takes into account contextual factors. This approach also meets the perspectives of older individuals themselves better. They describe how they feel abused or neglected by the system – by the way in which we organize our institutions. Institutions mirror our society and are shaped in interaction with societal norms and expectations. This influences the way in which older individuals are looked upon, are being approached, and how they see themselves within these institutions. This system abuse is currently beyond the scope of the most commonly used definitions and approaches of elder abuse. However, it is important to acknowledge system abuse, because it makes explicit how older individuals feel abused by and within our institutions. The distress and harm that they experience can therewith be acknowledged and prevented.


Dr. J. Lindenberg
Dr. Jolanda Lindenberg is wetenschappelijk stafmedewerker bij de Leyden Academy on Vitality and Ageing en tevens verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).

Dr. Y. Mysyuk
Dr. Yuliya Mysyuk is recent gepromoveerd op haar proefschrift over perspectieven op ouderenmishandeling in Nederland en verbonden aan de Leyden Academy on Vitality and Ageing.

Prof.dr. R.G.J. Westendorp
Prof. dr. Rudi Westendorp is hoogleraar ouderengeneeskunde aan de afdeling publieke gezondheidszorg van de Universiteit van Kopenhagen en tevens verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).

    In haar proefschrift heeft Melissa van den Broek een juridisch onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het antiwitwastoezicht in Nederland, Zweden, Spanje en het Verenigd Koninkrijk. Daar waar Van den Broek Spanje als minst effectieve toezichtsysteem van deze vier landen beoordeelt, heeft de Financial Action Task Force (FATF) de effectiviteit van het toezicht door Spanje als goed (‘substantial’) beoordeeld. Het verschil lijkt er met name in te liggen dat de FATF de kennis van de Spaanse toezichthouder over de witwasrisico’s bij de onder toezicht staande instellingen en in de sectoren als belangrijk positief punt heeft meegewogen, terwijl Van den Broek meer in algemene zin naar kennis over instellingen kijkt.


Maud Bökkerink
Mr. drs. M. Bökkerink is toezichthouder specialist bij DNB en werkzaam bij het expertisecentrum integriteit en strategie.
Boekbespreking

LITER of de beginselen van goed markttoezicht

Boekbespreking van Annetje Ottow, Market and Competition Authorities: Good Agency Principles

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 4 2015
Auteurs Adrienne de Moor-van Vugt
SamenvattingAuteursinformatie

    Ottow stelt in haar boek Market and Competition Authorities vast dat handhaving slechts het sluitstuk vormt van een omvattender strategie in het markttoezicht. Deze strategie moet worden ingebed in heldere uitgangspunten voor goed toezicht, LITER genoemd. Ottow ontleent inspiratie voor de ontwikkeling van LITER aan de ervaringen met de oprichting van ACM en de Britse CMA. De door inductief redeneren verkregen beginselen heeft zij vervolgens opnieuw tegen het licht gehouden van de theorie op dit gebied. Dit geheel biedt nuttige inzichten voor theorie en praktijk.


Adrienne de Moor-van Vugt
Dr. Adrienne de Moor-van Vugt is hoogleraar Bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam.
Toont 1 - 20 van 194 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7 8 9 10
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.