Zoekresultaat: 20 artikelen

x
Jaar 2017 x
Artikel

Reactie: convocatierecht en agenderingsrecht – een rechtspolitieke wens als vader van Eikelbooms gedachten

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 10-11 2017
Trefwoorden convocatierecht, agenderingsrecht, aandeelhoudersactivisme, EU-recht, stakeholdersbenadering
Auteurs Mr. dr. F.G.K. Overkleeft
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteur geeft een reactie op het eveneens in dit nummer gepubliceerde artikel van Eikelboom over het convocatierecht (art. 2:110/111 BW) en het agenderingsrecht (art. 2:114a BW) van aandeelhouders in beursvennootschappen. De auteur laat zien dat Eikelboom in zijn beschouwing de verschillen in het toepasselijk juridisch kader voor deze onderscheidenlijke rechten miskent en dat Eikelboom voorts in dit verband een te brede uitleg aan artikel 6 van de Richtlijn Aandeelhoudersrechten uit 2007 geeft.


Mr. dr. F.G.K. Overkleeft
Mr. dr. F.G.K. Overkleeft is advocaat bij NautaDutilh te Amsterdam en redacteur van dit tijdschrift.

    Bij de uitleg van cao-bepalingen leek de Hoge Raad in 1993, met de introductie van de cao-norm, afstand te hebben genomen van de Haviltex-norm. De ‘grammaticale uitleg’ van cao-bepalingen raakte in zwang. Dit was niet de bedoeling. De Hoge Raad greep diverse keren in om de cao-norm te verduidelijken. In 2002, met het DSM/Fox-arrest, leek de cao-norm uitgekristalliseerd. Met het Condor-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de uitleg van een cao-bepaling de toepassing van de cao-norm niet in alle gevallen gerechtvaardigd is. In deze bijdrage wordt de ontwikkeling van de cao-norm toegelicht. De nieuwe grenzen zullen nog vastgesteld moeten worden. Mijn verwachting is dat het Condor-arrest als basis zal dienen voor een ontwikkeling waarbij cao-bepalingen uit bedrijfstak-cao’s en ondernemings-cao’s niet altijd volgens dezelfde methode zullen worden uitgelegd.


mr. dr. A. Stege
Mr. dr. A. Stege is advocaat bij Zilver Advocaten te Amsterdam.
Artikel

Kroniek Materieel strafrecht

Tijdschrift Advocatenblad, Aflevering 10 2017
Auteurs Frezia Aarts, Max den Blanken, Annick Diesfeldt e.a.

Frezia Aarts

Max den Blanken

Annick Diesfeldt

Chana Grijsen

Sophie Hof

Desiree de Jonge

Geert-Jan Kruizinga

Patrick van der Meij

Benjamin Mulder

Sabine Pijl

Ben Polman

Inge Raterman

Melissa Slaghekke

Aram Sprey

Paul Verweijen
Artikel

Rechtsgeldigheid van het relocatiebesluit en de betekenis van het solidariteitsbeginsel in het EU-asielbeleid

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 9-10 2017
Trefwoorden migratiecrisis, relocatie of herplaatsing van asielzoekers, naleving non-discriminatiebeginsel, inbreukprocedure, solidariteitsbeginsel
Auteurs Dr. mr. E.R. Brouwer
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 6 september 2017 verwierp het Hof van Justitie het beroep van Hongarije en Slowakije tot nietigverklaring van het Raadsbesluit van 22 september 2015. In dit besluit werd een door de Europese Commissie voorgesteld schema vastgesteld voor de relocatie of herplaatsing van asielzoekers vanuit Griekenland en Italië naar andere lidstaten van de Unie. Het Hof van Justitie verwerpt alle argumenten van de twee lidstaten waarmee de rechtsgeldigheid van het besluit werd betwist. In de uitspraak bevestigt het Hof van Justitie niet alleen de geldigheid van het relocatiebesluit met een beroep op het solidariteitsbeginsel, maar onderstreept ook het belang van een effectief rechtsmiddel tegen een herplaatsingsbesluit en de naleving van het non-discriminatiebeginsel.
    HvJ 6 september 2017, gevoegde zaken C-643/15 en C-647/15, Slowaakse Republiek en Hongarije/Raad van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2017:631


Dr. mr. E.R. Brouwer
Dr. mr. E.R. (Evelien) Brouwer is senior onderzoeker migratierecht, Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Access_open Schade in de virtuele wereld: de casus virtuele grooming

Tijdschrift Netherlands Journal of Legal Philosophy, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Virtuele grooming, Schade, Strafbaarstelling, Uitlokverbod
Auteurs Jeroen ten Voorde
SamenvattingAuteursinformatie

    As part of a package of legislative measures concerning cybercrime, the Dutch State Secretary for Security and Justice proposes to criminalize virtual grooming, that is the grooming of a person of minor age who, for example, does only exist as an online creature. The legislator’s principle argument for criminalization is based on the harm principle. This article examines the possibility of founding the criminalization of virtual grooming on this principle.


Jeroen ten Voorde
Jeroen ten Voorde is bijzonder hoogleraar strafrechtsfilosofie (leerstoel Leo Polak) aan de Rijksuniversiteit Groningen en universitair hoofddocent straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit Leiden.
Artikel

Access_open Filosofie in de rechtszaal

Tijdschrift Netherlands Journal of Legal Philosophy, Aflevering 2 2017
Trefwoorden rechtsfilosofie, politiek proces, onverdraagzaamheid, Wilders II
Auteurs Bert van Roermund
SamenvattingAuteursinformatie

    Naar aanleiding van het optreden van Paul Cliteur in het Wilders II-proces rijst de vraag hoe de inzet van een rechtsgang zich verhoudt tot de eigen aard van de filosofie. Aan de ene kant vertolkt filosofie precies dat register van waarheid dat in het recht aan de orde is. Aan de andere kant is die vertolking zo oneindig open dat ze strijdt met het gesloten karakter van het recht als een proces dat conflicten moet beëindigen door gezagvolle beslissingen. Socrates’ optreden in zijn eigen proces toont aan: de slechtste dienst die de filosofie het recht kan bewijzen, is het verlengstuk te worden van het positieve recht en zich bij voorbaat beschikbaar te stellen als een vindplaats van argumenten wanneer de juridische argumenten op zijn. De slotparagraaf argumenteert dat Cliteur deze socratische les terzijde legt. Als gevolg daarvan geeft hij een geforceerde lezing van het Felter-arrest en mist hij de kern van het begrip ‘onverdraagzaamheid’.


Bert van Roermund
Bert van Roermund is professor emeritus aan Tilburg Law School.
Artikel

Access_open Over verplichte excuses en spreekrecht

Wat is er mis met empirisch-juridisch onderzoek naar slachtoffers?

Tijdschrift Netherlands Journal of Legal Philosophy, Aflevering 2 2017
Trefwoorden empirical legal studies, apologies, procedural justice, humiliation, victim rights
Auteurs Vincent Geeraets en Wouter Veraart
SamenvattingAuteursinformatie

    The central question in this article is whether an empirical-legal approach of victimhood and victim rights could offer a sufficient basis for proposals of legal reform of the legal system. In this article, we choose a normative-critical approach and raise some objections to the way in which part of such research is currently taking place in the Netherlands, on the basis of two examples of research in this field, one dealing with compelled apologies as a possible remedy within civil procedural law and the other with the victim’s right to be heard within the criminal legal procedure. In both cases, we argue, the strong focus on the measurable needs of victims can lead to a relatively instrumental view of the legal system. The legal system must then increasingly be tailored to the wishes and needs of victims. Within this legal-empirical, victim-oriented approach, there is little regard for the general normative principles of our present legal system, in which an equal and respectful treatment of each human being as a free and responsible legal subject is a central value. We argue that results of empirical-legal research should not too easily or too quickly be translated into proposals for legal reform, but first become part of a hermeneutical discussion about norms and legal principles, specific to the normative quality of legal science itself.


Vincent Geeraets
Vincent Geeraets is universitair docent aan de afdeling Rechtstheorie en rechtsgeschiedenis van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Wouter Veraart
Wouter Veraart is hoogleraar rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Access_open Geloof in de liberale democratie

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 3 2017
Trefwoorden Godsdienstvrijheid, Constitutionalisme, Democratie, Mensvisie, liberale democratie
Auteurs Mr. dr. Hans-Martien ten Napel
SamenvattingAuteursinformatie

    The liberal stance regarding religious freedom starts from a particular anthropology, which holds that in order to become fully human citizens must be able to build their lives on the foundations of their religious convictions. This starting point leads to distinctive conceptions of constitutionalism and democracy that make it possible for citizens to keep faith in liberal democracy. The so-called new critics of religious freedom, to the contrary, run the risk of eventually eroding trust in government by putting their substantial ideas of liberal democracy first and demanding of citizens and their organizations to act in conformity with these ideas.


Mr. dr. Hans-Martien ten Napel
Mr. dr. H.-M.Th.D. ten Napel is universitair hoofddocent Staats- en Bestuursrecht in Leiden. In 2014 ontving hij een Research Fellowship van het Center of Theological Inquiry in Princeton. Hierdoor kon hij aldaar een jaar deelnemen aan het onderzoeksproject ‘Law and Religious Freedom’. h.m.t.d.tennapel@law.leidenuniv.nl
Artikel

Voorbij procedurele rechtvaardigheid

De betrekkelijkheid van de beleving van respondenten

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Procedural Justice, Administrative law, Access to Justice, Outcomes of legal proceedings
Auteurs Dr. Nienke Doornbos
SamenvattingAuteursinformatie

    To overcome problems of juridification and formalization of administrative law, successful initiatives have been undertaken by professionals in the public administration and judiciary to improve administrative procedures. These initiatives have been inspired by theories of (perceived) procedural justice, as developed by Tyler and Lind (1988). Although the author acknowledges the importance of procedural justice, she argues that the strong focus on procedural aspects, based on subjective opinions of claimants, may unintentionally lead to a situation in which other important issues may be easily overlooked, such as the question why citizens would refrain from starting a lawsuit or the question what explains the low success rates of citizens in administrative law.


Dr. Nienke Doornbos
Nienke Doornbos is universitair docent bij de Afdeling Algemene rechtsleer van de Faculteit Rechtsgeleerdheid, Universiteit van Amsterdam.
Praktijk

De bezwaarprocedure: Onderzoek naar verbanden tussen de inrichting van de procedure en de inhoudelijke kwaliteit van bezwaarbehandeling

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Dispute resolution procedures, Quality, Administrative law, Objection procedure, Professional users
Auteurs Marc Wever LLM
SamenvattingAuteursinformatie

    If someone disagrees with an administrative order, he or she has to lodge an objection with the administrative authority responsible for the order. Only after the administrative authority has fully reconsidered the contested order is the interested party allowed to seek redress with the administrative courts. Estimates are that around 2.6 million objections are filled each year, making the administrative objection procedure the most frequently used dispute resolution procedure in the Netherlands. Numerous variations can be found in the way administrative authorities handle objections. Does this affect how professional users evaluate its quality? And if so, how can this be explained?


Marc Wever LLM
Marc Wever is promovendus & docent aan de Rijksuniversiteit Groningen en doet een promotieonderzoek naar de kwaliteit van bezwaarbehandeling door bestuursorganen.
Artikel

Euthanasie bij een verlaagd bewustzijn: de richtlijn en de praktijk

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 7 2017
Trefwoorden euthanasie bij verlaagd bewustzijn, euthanasie bij coma, combinatie euthanasie en palliatieve sedatie, consultatieplicht bij euthanasie
Auteurs Prof. dr. G.A. den Hartogh
SamenvattingAuteursinformatie

    Volgens de KNMG-richtlijn uit 2010 kan euthanasie bij een verlaagd bewustzijn alleen worden uitgevoerd als bij de patiënt nog tekenen van ernstig lijden waarneembaar zijn, of als de bewustzijnsverlaging het onbedoelde gevolg is van medicatie en dus in principe reversibel. Hoewel de richtlijn dat niet aangeeft zijn deze criteria ook van toepassing wanneer de bewustzijnsverlaging intreedt door opzettelijke sedatie op een moment dat de euthanasie nog niet kan worden uitgevoerd. De richtlijn bespreekt evenmin de situatie waarin de bewustzijnsverlaging intreedt voor het bezoek van de consulent. De toetsingscommissies gaan er nu van uit dat in dat geval toch aan het wettelijk consultatievereiste kan zijn voldaan. Dat de consulent echter niet uit eigen waarneming kan vaststellen of aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan, zou ertoe moeten leiden dat op de meldend arts een zwaardere bewijslast rust om aannemelijk te maken dat dit toch het geval is.


Prof. dr. G.A. den Hartogh
Govert den Hartogh is emeritus hoogleraar ethiek aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was lid van een regionale toetsingscommissie euthanasie van 1998 tot 2010 en was voorzitter van de commissie die de KNMG-richtlijn Euthanasie bij een verlaagd bewustzijn heeft opgesteld. Dit artikel geeft alleen zijn eigen opvattingen weer. Andermaal dank aan Henri Wijsbek voor nuttig en deskundig commentaar.
Artikel

Delegatie van regelgevende bevoegdheid in Nederland: tijd voor herbezinning

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 4 2017
Trefwoorden delegatie, experimenteerwetgeving, kaderwetgeving
Auteurs Prof. mr. L.F.M. Verhey en Mr. C.S. Aal
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage staat delegatie van regelgevende bevoegdheid in Nederland op het niveau van de centrale overheid centraal. Het lijkt tijd voor een herbezinning op het geldende constitutionele kader voor delegatie. De auteurs merken op dat deze uitgangspunten weliswaar formeel nog worden onderschreven, maar onder druk van maatschappelijke veranderingen wordt daar in de praktijk steeds vaker van afgeweken. De samenleving verandert in technologisch, economisch en cultureel opzicht snel en de regering staat voor de uitdaging om wetgeving die veranderingen bij te laten benen. Dit gebeurt mede door bijvoorbeeld steeds meer gebruik te maken van kaderwetgeving, waarbij op formeel wetsniveau alleen kaderstellende regels worden vastgelegd; de uitwerking vindt plaats in lagere regelgeving. Dit roept echter de nodige vragen op over onder meer de positie van het parlement als controleur en medewetgever. Het is vanwege deze ontwikkelingen dat het volgens de auteurs tijd is voor een herbezinning op het constitutionele kader voor delegatie.


Prof. mr. L.F.M. Verhey
Prof. mr. L.F.M. (Luc) Verhey is hoogleraar op de Kirchheiner leerstoel aan de Universiteit Leiden, staatsraad bij de Afdeling advisering van de Raad van State en redacteur van RegelMaat.

Mr. C.S. Aal
Mr. C.S. (Charald) Aal is wetgevingsjurist bij de Afdeling advisering van de Raad van State.
Jurisprudentie

Het verlies van een kans op een beter behandelingsresultaat

HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2987

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 2 2017
Trefwoorden causaal verband, kansschade, medische aansprakelijkheid
Auteurs Mr. H.P. Verdam
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze zaak betreft de vraag of door het handelen van een medisch beroepsbeoefenaar een verlies op een beter behandelingsresultaat verloren is gegaan en vormt daarmee de eerste medische-aansprakelijkheidszaak waarin de Hoge Raad het leerstuk van kansschade toepast. De Hoge Raad verduidelijkt hoe de vaststelling van het condicio sine qua non-verband bij kansschade dient te geschieden.


Mr. H.P. Verdam
Mr. H.P. Verdam is advocaat bij Kennedy Van der Laan.
Artikel

‘Een verdrag met potentieel vérstrekkende gevolgen’

De toepassing van het VN-verdrag Handicap door de Nederlandse rechter

Tijdschrift Handicap & Recht, Aflevering 1 2017
Auteurs Mr. G.J.W. Pulles
SamenvattingAuteursinformatie

    De toetreding van het Koninkrijk der Nederlanden tot het VN-verdrag Handicap zal leiden tot nieuwe rechtsontwikkelingen op het gebied van bescherming van de rechten van personen met een handicap. Een belangrijke rol zal daarbij zijn weggelegd voor de rechter, die immers over de toepassing en interpretatie van het Verdrag zal gaan oordelen in concrete gevallen. De rechter zal daarbij rekening moeten houden met de regels die gelden voor de toepassing van internationaal recht. Dit artikel handelt over de wijzen waarop de rechter het Verdrag kan toepassen en op die manier kan laten doorwerken in de Nederlandse rechtsorde. Het gaat in op de Nederlandse regels voor rechtstreekse, indirecte en horizontale toepassing. Daarbij wordt aandacht besteed aan de uitspraak van 10 oktober 2014 van de Hoge Raad, waarin een hele nieuwe maatstaf voor rechtstreekse toepassing van internationaal recht werd aangelegd. Daarnaast komen de rol en de invloed van Europese rechtspraak van het EHRM en van het HvJ EU en van uitspraken van internationale verdragscomités aan de orde. Het artikel verschaft praktijkjuristen daarmee hopelijk extra argumenten om bij te dragen aan een wezenlijke bescherming van de rechten en waardigheid van personen met een handicap.


Mr. G.J.W. Pulles
Mr. G.J.W. (Gerrit Jan) Pulles is advocaat in Amsterdam en verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij werkt aan een proefschrift over doorwerking van economische en sociale rechten.
Praktijk

De ‘governmentality’ van een lokaal prostitutieveld?

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 1 2017
Trefwoorden Prostitution, Policy, Morality, Governing, Empirical research
Auteurs Eelco van Wijk Msc
SamenvattingAuteursinformatie

    Many scholars interpreted the lifting of the ban on brothels in 2000 (often called the legalization of prostitution) in The Netherlands, as a sign that selling sex was no longer deemed morally objectionable. Governing prostitution thus became primarily a technical matter of government. A task that, for a large part, was delegated to municipalities. However, nearly two decades later, the debate surrounding prostitution (policy) is still characterized by its moral tone of voice, and we lack insight into the strategies and techniques deployed by local governments. This raises two important questions. First, what actually happens in legalized local prostitution markets? Extant research, focusses too much on (changes in) national policy, and too little on what key actors (such as municipalities) are actually doing in local prostitution markets. Second, what is the role of moral aspects? When local actors are studied, insufficient attention is paid to the influence of moral issues. My PhD research addresses these two questions, by looking at the relationship between moral beliefs surrounding prostitution and the way in which local governments attempt to stabilize or change the modus operandi of a local prostitution market. It develops a theoretical framework combining field theory and Foucauldian governmentality concepts, and tries to shed light on the broader theme of the relation between morality and governing in late modern times.


Eelco van Wijk Msc
Eelco van Wijk is onderzoeker en docent aan de afdeling bestuurswetenschap en politicologie van de Faculteit der Sociale Wetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Uitleg in commerciële verhoudingen naar Nederlands en Engels recht: de betekenis van ‘business common sense’ als gezichtspunt

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 5 2017
Trefwoorden uitleg, Haviltex, commerciële verhoudingen, rechtsvergelijking, Engels recht
Auteurs Mr. drs. M. van Kogelenberg
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage bespreekt de auteur de Nederlandse uitspraak Parkking Ontwikkeling B.V. c.s./Alberts q.q. en de Engelse uitspraak Wood v Capita Insurance Services, respectievelijk gewezen door de Hoge Raad en het Supreme Court. Daarbij wordt specifiek ingegaan op de vraag of, en zo ja in welke mate, in uitlegkwesties in professionele, commerciële verhoudingen rekening gehouden wordt met ‘zakelijke logica’, ofwel ‘business common sense’. Met andere woorden: kent de rechter gewicht toe aan het argument dat het vanuit commercieel oogpunt onwaarschijnlijk is dat een van beide partijen een bepaalde uitleg heeft voorgestaan?


Mr. drs. M. van Kogelenberg
Mr. drs. M. van Kogelenberg is werkzaam als universitair docent privaatrecht bij het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht.
Artikel

Samenloop bij gemengde overeenkomsten

Enige gedachten over de toepassing van art. 6:215 BW naar aanleiding van HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:405, RvdW 2017/342

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 4 2017
Trefwoorden samenloop, benoemde overeenkomsten, uitleg, verbintenis, rechtsgevolgen
Auteurs Mr. dr. P.S. Bakker
SamenvattingAuteursinformatie

    Over de in art. 6:215 BW geregelde samenloop van rechtsregels bij gemengde overeenkomsten wees de Hoge Raad onlangs een belangwekkend arrest (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:405, RvdW 2017/342), dat meer duidelijkheid biedt over de wijze waarop art. 6:215 BW moet worden toegepast. Dit arrest staat in deze bijdrage centraal.


Mr. dr. P.S. Bakker
Mr. dr. P.S. Bakker is advocaat bij Spigt Dutch Caribbean en verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Steekt de wind op? De Strategische Milieueffectrapportage verruimd

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3 2017
Trefwoorden Milieu, Richtlijn 2001/42/EG, Plan en programma, Windenergie
Auteurs Mr. F.M. Fleurke
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zaak D’Oultremont e.a. spreekt het Hof van Justitie zich uit over de reikwijdte van Richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s. Enkele kernbegrippen worden ruim uitgelegd met verwijzing naar de doelstelling van de richtlijn: integratie van milieuoverwegingen. Het begrip plannen en programma’s wordt zo geïnterpreteerd dat een besluit geen betrekking hoeft te hebben op een specifiek gebied, het besluit geen compleet kader hoeft vast te stellen, en dat algemene regels ook kunnen worden aangemerkt als ‘plan en programma’. Het arrest heeft hiermee aanzienlijke gevolgen voor de Nederlandse praktijk aangaande ruimtelijk ordening.
    HvJ 27 oktober 2016, zaak C-290/15, Patrice D’Oultremont e.a./Région wallonne, ECLI:EU:C:2016:816


Mr. F.M. Fleurke
Mr. F.M. (Floor) Fleurke is als Universitair hoofddocent verbonden aan de Tilburg Law School.
Diversen

Exoneraties voor indirecte schade

Over de uitleg van dit boilerplate-beding naar Nederlands en Anglo-Amerikaans recht

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 1 2017
Trefwoorden Uitleg, indirecte schade, Gevolgschade, Anglo-Amerikaans recht, Exoneratie
Auteurs Mr. J.W.A. Dousi
SamenvattingAuteursinformatie

    Een veelgebruikte aansprakelijkheidsbeperking (exoneratie) is een uitsluiting voor zogenoemde ‘indirecte schade’. Deze term is afkomstig uit het Anglo-Amerikaanse recht. De auteur bespreekt deze Anglo-Amerikaanse achtergrond en betoogt dat deze achtergrond, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een gezichtspunt kan zijn bij de uitleg van dit begrip naar Nederlands recht en bovendien een bron van inspiratie voor contractspartijen wanneer zij bij het opstellen van het contract een definitie opnemen van de term ‘indirecte schade’. De auteur concludeert dat de Anglo-Amerikaanse betekenis goed is in te passen in het Nederlandse recht, omdat zij aansluit bij (en kan fungeren als een verdere verfijning van) het element voorzienbaarheid in de toerekeningstoets van artikel 6:98 BW.


Mr. J.W.A. Dousi
Mr. J.W.A. Dousi is promovendus bij de Radboud Universiteit Nijmegen en legal counsel bij Koninklijke FrieslandCampina N.V.
Artikel

De eenzijdige rechtshandeling

Bespreking van het proefschrift van mr. C. Spierings

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 1 2017
Trefwoorden eenzijdige rechtshandeling, rechtsvergelijking, autonomie
Auteurs Prof. mr. V. Mak
SamenvattingAuteursinformatie

    Charlotte Spierings schreef een knap proefschrift over de eenzijdige rechtshandeling. Zij bevrijdt de figuur uit haar ‘stiefmoederlijke’ hoekje in het burgerlijk recht door gedetailleerd en systematisch uit te werken in welke omstandigheden een partij eenzijdig rechtsgevolgen kan creëren. Hoewel de veelzijdigheid van het onderwerp eraan in de weg staat een gemene deler te vinden, brengt zij belangrijke verbanden in kaart tussen de verschillende vormen.


Prof. mr. V. Mak
Prof. mr. V. Mak is hoogleraar Nederlands en Europees verbintenissenrecht aan de Universiteit van Tilburg.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.