Zoekresultaat: 10 artikelen

x
Jaar 2014 x
Casus

Governance en bescherming van banken

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2014
Trefwoorden banken, publiek belang, publiek aandeelhouderschap, privatisering, Interventiewet, overheidsinvloed, vijandige overnames, beschermingsconstructies, certificering
Auteurs Prof. mr. D.F.M.M. Zaman, Mr. G.M. Portier en Mr. dr. J. Nijland
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage bespreken de auteurs de vraag welke publiek- en privaatrechtelijke mogelijkheden er bestaan om op permanente wijze een bank (of andere financiële instelling) te beschermen tegen beleid dat niet gericht is op het publieke belang. Daarbij worden mogelijke publiek- en privaatrechtelijke instrumenten vergeleken en geplaatst in een nationaal- en Europeesrechtelijk kader. Aangezien publiekrechtelijke instrumenten uit hoofde van de Interventiewet slechts onder bepaalde voorwaarden inzetbaar zijn (dreigende insolventie van de onderneming of instabiliteit van het financieel stelsel) en traditionele beschermingsconstructies slechts kunnen worden ingezet ter voorkoming van vijandige overnames, zien de auteurs mogelijkheden voor het gebruik van aanvullende privaatrechtelijke instrumenten ter stimulering van beleid van banken gericht op het publieke belang.


Prof. mr. D.F.M.M. Zaman
Prof. mr. D.F.M.M. Zaman is notaris te Rotterdam, (bijzonder) hoogleraar Notarieel ondernemingsrecht aan de Universiteit Utrecht en (gewoon) hoogleraar Notarieel ondernemingsrecht aan de Universiteit Leiden.

Mr. G.M. Portier
Mr. G.M. Portier is notaris te Amsterdam.

Mr. dr. J. Nijland
Mr. dr. J. Nijland is universitair docent aan de Universiteit Leiden.

    De afgelopen jaren verloopt het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg bij de overheid stroef; in een aantal gevallen hebben de ambtenarenorganisaties het overleg zelfs geheel opgeschort. Zij menen dat het opschorten van het overleg tot gevolg heeft dat het bevoegd gezag geen besluiten kan nemen ten aanzien van nieuwe arbeidsvoorwaarden en reorganisaties, omdat niet wordt voldaan aan de voorgeschreven overlegverplichtingen. Eenzijdige opschorting van het overleg wordt daarmee een belangrijk pressiemiddel voor de ambtenarenorganisaties. Met name de centrales van overheidspersoneel binnen de sector Defensie zien hierin een alternatief voor de werkstaking: militairen mogen immers niet staken. In de overlegregeling voor de sector Defensie wordt deze situatie niet geadresseerd. Kernvraag in deze bijdrage is in hoeverre de minister van Defensie deze impasse formeel kan doorbreken.


mr. Nataschja Hummel
Hoofdartikel

De binding van werkgevers aan collectieve arbeidsovereenkomsten

Enkele beschouwingen over juridische factoren die binding bevorderen of verzwakken

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2014
Trefwoorden cao, alternatieve binding, vakbonden, rechtsvergelijking, representativiteit
Auteurs Prof. F. Dorssemont
SamenvattingAuteursinformatie

    De dekkingsgraad (vertaling van coverage) van cao's wordt gedefinieerd als de verhouding van het aantal werknemers dat gebonden is aan een cao tot het geheel van de werkende bevolking. In deze bijdrage beperk ik me tot een analyse van de juridische factoren die de binding van werkgevers bevorderen dan wel bemoeilijken. De volgende nationale rechtsordes worden in het onderzoek op systematische wijze betrokken: België, Nederland, Italië, Frankrijk en Duitsland. De problematiek van de binding aan (Europese) cao's wordt eveneens onderzocht binnen de rechtsorde van de Europese Unie.
    Het klassieke scenario van cao-binding (door een cao te sluiten dan wel door lidmaatschap van een ondertekenende werkgeversorganisaties) kan worden bevorderd door een verplichting voor werkgevers in te bouwen om tot onderhandelingen over te gaan. Omgekeerd kan de toegang tot de onderhandelingstafel worden belemmerd door aan werkgeversorganisaties representativiteitseisen op te leggen. Voor het klassieke bindingsscenario bestaan in een aantal nationale rechtsordes enkele ‘alternatieven’. Deze alternatieven leiden ertoe dat een werkgever die noch aan de onderhandelingen heeft deelgenomen, noch aangesloten is bij een onderhandelende organisatie alsnog verplicht wordt bepaalde cao-bepalingen toe te passen. De vraag of een gebondenheid (aan een sectorale of intersectorale cao) die niet op de wilsuiting van de werkgever berust per se strijdig is met de (negatieve) vakverenigingsvrijheid, komt aan bod. In de slotbeschouwingen wordt onderzocht welke 'alternatieven' dienstig kunnen zijn om de dekkingsgraad op te voeren.


Prof. F. Dorssemont
Prof. F. Dorssemont is hoogleraar Arbeidsrecht aan de Universiteit catholique de Louvain (België)
Artikel

Grensoverschrijdende omzetting en de jaarrekening

Tijdschrift Vennootschap & Onderneming, Aflevering 0708 2014
Trefwoorden grensoverschrijdende omzetting, jaarrekeningrecht, titel 2.9 BW
Auteurs Mr. R.A. Hagens
SamenvattingAuteursinformatie

    Vanaf het moment van grensoverschrijdende omzetting is de vennootschap onderworpen aan het jaarrekeningrecht van de ontvangende lidstaat. De auteur bespreekt in deze bijdrage enkele aandachtspunten.


Mr. R.A. Hagens
Mr. R.A. Hagens is kandidaat-notaris bij Allen & Overy te Amsterdam.
Artikel

Horizontale werking van het EU-Grondrechtenhandvest: de kogel lijkt door de kerk

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 5 2014
Trefwoorden Richtlijn 2002/14/EG, Recht op informatie en raadpleging van werknemers binnen een onderneming, EU-Handvest van de Grondrechten, Algemene beginselen van EU-recht, Horizontale werking
Auteurs Prof. mr. H.C.F.J.A. de Waele
SamenvattingAuteursinformatie

    Kunnen bepalingen uit het EU-Handvest van de Grondrechten worden ingeroepen in horizontale verhoudingen, dat wil zeggen in gedingen waarin twee private partijen tegenover elkaar staan? In het arrest Association de médiation sociale lijkt het Hof van Justitie deze principevraag bevestigend te beantwoorden. Daarbij onderstreept het bovendien de vitaliteit van de Mangold/Kücükdeveci-rechtspraak, waarin al eerder werd uitgemaakt dat richtlijnbepalingen die een uitwerking vormen van een algemeen beginsel van EU-recht, onder omstandigheden eveneens als zodanig in gedingen tussen particulieren kunnen worden toegepast. Tegelijkertijd houdt het Hof van Justitie zich echter op de vlakte en krijgen de theoretische mogelijkheden geen praktisch vervolg, omdat er in casu een beroep werd gedaan op een onvoldoende concrete Handvestbepaling. Ogenschijnlijk heeft het hiermee niettemin een beslissende stap gezet, en is voor toekomstige gevallen de kogel door de kerk.HvJ EU 15 januari 2014, zaak C-176/12, Association de médiation sociale/Union locale des syndicats CGT, Hichem Laboubi, Union départementale CGT des Bouches-du-Rhône, Confédération générale du travail, n.n.g.


Prof. mr. H.C.F.J.A. de Waele
Prof. mr. H.C.F.J.A. (Henri) de Waele is hoogleraar internationaal en Europees recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en gastprofessor Europees institutioneel recht aan de Universiteit Antwerpen.
Wetenschap

Het enquêterecht en het toetsen van besluiten in arbitrage

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2014
Trefwoorden Arbitrage, vernietigen, besluiten, enquêtegeschillen, beroepsrecht, art 2:16 BW, art 26 WOR, geschillenregeling, Groenselect, Erasmus/Harbour
Auteurs Mr. H.R. Pleiter
SamenvattingAuteursinformatie

    Het vernietigen van besluiten is evenals het enquêterecht vanwege de openbare orde non-arbitrabel. De erga omnes-werking van de uitspraak/voorzieningen staat aan de arbitrabiliteit in de weg. De auteur betoogt dat de praktijk baat kan hebben bij een geval-tot-gevalbenadering ten aanzien van arbitrabiliteit van enquêtegeschillen. Met het vernieuwde bv-recht is beoogd de betrokkenen ruimte te geven bij het regelen van de rechtsgevolgen binnen de vennootschap; de rechter moet dit respecteren. De auteur stelt dat met implementatie van het beroepsrecht van art. 26 WOR in Boek 2 BW de erga omnes-werking niet langer aan arbitrabiliteit van besluiten in de weg zal staan.


Mr. H.R. Pleiter
Mr. H.R. Pleiter heeft dit artikel geschreven volgend op zijn afstudeerscriptie. Het artikel is inhoudelijk afgerond in mei 2014.

    In deze bijdrage bespreekt de auteur de reikwijdte, toepassing en procedure van het voorontwerp grensoverschrijdende omzetting kapitaalvennootschappen.


Mr. M.P. van Agt
Mr. M.P. van Agt is kandidaat-notaris bij Loyens & Loeff te Amsterdam.
Praktijk

Het vijandig bod

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2014
Trefwoorden vijandig bod, openbaar bod, activistische aandeelhouder, biedingsregels, stakebuilding, melding zeggenschap, beschermingsconstructie, KPN, América Móvil
Auteurs Mr. W.W.C.I.G. Bijveld
SamenvattingAuteursinformatie

    Vijandige biedingen komen met enige regelmaat voor in de Nederlandse openbarebiedingenpraktijk. Van een ‘vijandig bod’ wordt gesproken indien de besturen van een potentiële bieder en een doelvennootschap geen overeenstemming kunnen bereiken over het voorgenomen openbaar bod van de potentiële bieder. De huidige regelgeving omtrent openbare biedingen behandelt een ‘vijandig bod’ op enkele bepalingen na niet anders dan een volledig openbaar bod. Enkele belangrijke regels die een vijandige bieder tegen zal komen gedurende het biedingsproces zijn onder andere de regels omtrent het melden van zeggenschap, de bepaling over de aankondiging van een vijandig bod, de ‘put up or shut up’-regeling en art. 4 en 5 van de SER Fusiegedragsregels 2000. Naast deze regels zal in het artikel tevens worden ingegaan op de overnamestrijd tussen América Móvil en KPN.


Mr. W.W.C.I.G. Bijveld
Mr. W.W.C.I.G. Bijveld is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek in Amsterdam.
Jurisprudentie

Ondernemingsprocesrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 1 2014
Auteurs Prof. mr. H.E. Boschma en Mr. P.G.F.A. Geerts
Auteursinformatie

Prof. mr. H.E. Boschma
Prof. mr. H.E. Boschma (hoogleraar ondernemingsrecht) en

Mr. P.G.F.A. Geerts
Mr. P.G.F.A. Geerts (universitair docent) zijn verbonden aan de vakgroep handels- en arbeidsrecht van de Faculteit Rechtsgeleerdheid, Rijksuniversiteit Groningen.
Artikel

De kredietverschaffer met enquêtebevoegdheid

Tijdschrift Vennootschap & Onderneming, Aflevering 1 2014
Trefwoorden enquêtebevoegdheid, bank, pandakte, kredietverschaffer, Ondernemingskamer
Auteurs Mr. S.M.H. van Boheemen
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage bespreekt de auteur de enquêtebevoegdheid van een bank in haar hoedanigheid van kredietverschaffer. Hierbij wordt onder meer ingegaan op de beschikking van de Ondernemingskamer waarbij een bank bevoegd werd geacht om bij de Ondernemingskamer een enquêteverzoek in te dienen ten aanzien van de onderneming die zij financierde.


Mr. S.M.H. van Boheemen
Mr. S.M.H. van Boheemen is advocaat bij Stibbe te Amsterdam.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.