Zoekresultaat: 23 artikelen

x
Jaar 2012 x
Artikel

Nog geen horizontale rechtstreekse werking van het vrije verkeer van goederen?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2012
Trefwoorden artikel 34 VWEU, vrij verkeer van goederen, horizontale werking, normerings- en certificeringsactiviteiten, bijzondere redenen van particulier belang
Auteurs Mr. dr. H.J. van Harten en mr. T. Nauta
SamenvattingAuteursinformatie

    In brede kring wordt aangenomen dat het vrij verkeer van diensten, werknemers en vestiging onder omstandigheden rechtstreeks doorwerken in horizontale relaties. In de zaak Fra.bo past het Hof van Justitie het leerstuk van de horizontale rechtstreekse werking niet expliciet toe op het vrije goederenverkeer. Zaakspecifiek maakt het Hof van Justitie echter duidelijk dat onder omstandigheden ook een particuliere organisatie als gedaante van ‘publieke macht’ kan worden aangemerkt waarmee haar activiteiten en voorschriften binnen de reikwijdte van het recht betreffende het vrije goederenverkeer vallen. Het Hof van Justitie lijkt hiermee impliciet aan te sluiten bij zijn collectiviteitsredenering inzake het vrij verkeer van diensten, werknemers en de vestigingsvrijheid.


Mr. dr. H.J. van Harten
Herman van Harten is verbonden aan het Europa Instituut, Universiteit Utrecht.

mr. T. Nauta
Thomas Nauta is werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse zaken en schrijft deze bijdrage op persoonlijke titel.
Artikel

Een algemene zorgplicht voor financiële dienstverleners in de Wft, een goed idee?

Tijdschrift Vennootschap & Onderneming, Aflevering 12 2012
Trefwoorden Wijzigingswet financiële markten 2014, Wet op het financieel toezicht, zorgplicht, financiëledienstverleners, zorgvuldigheidsnormen
Auteurs Mr. D.M. van der Houwen
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage bespreekt de auteur de introductie van een algemene zorgplicht voor financiëledienstverleners in de Wft.


Mr. D.M. van der Houwen
Mr. D.M. van der Houwen is advocaat bij Allen & Overy te Amsterdam.
Artikel

Integraal en flexibel omgevingsrecht – droom of drogbeeld?

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2012
Trefwoorden positieve evenredigheid, integraal vergunningenstelsel, flexibiliteit, trias politica
Auteurs Prof. dr. Ch.W. Backes
SamenvattingAuteursinformatie

    Een belangrijke drijfveer tot ontwikkeling van een Omgevingswet was het scheppen van een integraal en flexibel toetsingskader voor toestemmingsplichtige activiteiten. Het werken met één integraal criterium, bijvoorbeeld ‘een duurzame leefomgeving’, heeft inderdaad enige toegevoegde waarde, maar dit criterium moet dan wel door specifiekere normen geconcretiseerd worden. De regering wil daarentegen vooralsnog afzien van een dergelijk integraal criterium. Integraliteit en flexibiliteit moeten worden bereikt door de introductie van een niet-generieke afwijkingsmogelijkheid van in beginsel alle normen (‘positieve evenredigheid’). Een dergelijke afwijkingsmogelijkheid is echter in strijd is met de trias politica, de rechtszekerheid en het beginsel van materiële legaliteit. De regering zit dus op de verkeerde weg.


Prof. dr. Ch.W. Backes
Prof. dr. Ch.W. Backes is hoogleraar bestuursrecht aan de Universiteit Maastricht. chris.backes@maastrichtuniversity.nl

    In its Betfair judgment, the Court of Justice ruled that the exclusive license system with respect to games of chance under Dutch law breaches Article 49 of the EC, now: Article 56 of the TFEU, concerning the free movement of services, and in particular the principle of equal treatment and the obligation of transparency. This article addresses the lessons which can be drawn from this judgement and which Dutch legal concepts could be applied to this 'European' obligation of transparency. According to the judgement, this is not only the case for 'public contracts'and 'concessions', but also to licenses under public law. This article addresses the meaning of these legal concepts and discusses to what extent this 'European' obligation of transparency applies to the relevant Dutch legal concepts.


Annemarie Drahmann
Annemarie Drahmann is promovenda aan de afdeling staats- en bestuursrecht van de Universiteit Leiden en senior Professional Support Lawyer bij Stibbe.
Praktijk

Kroniek rechtspraak bestuursrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 8 2012
Trefwoorden Awb, Bestuursrecht, Jurisprudentie, kroniek
Auteurs Mr. A.C. de Die en mr. C. Velink
SamenvattingAuteursinformatie

    De kroniek geeft een overzicht van de bestuursrechtelijke uitspraken op het gebied van het gezondheidsrecht in de periode februari 2011 tot en met juli 2012. Naast de jaarlijks terugkerende onderwerpen zoals de begrippen ‘besluit’ en ‘belanghebbende’, komen ook meer specifieke onderwerpen aan bod, zoals de beginselplicht en actieve openbaarmaking. Aandacht verdient in ieder geval de Wob-uitspraak over de openbaarmaking van het suïciderapport waardoor onder andere duidelijkheid is verkregen over de privacybescherming na overlijden. Ook interessant is de Wbp-uitspraak over de kennisneming van documenten in het kader van een onderzoek naar het functioneren van een medisch specialist.


Mr. A.C. de Die
Mieke de Die is advocaat bij Velink & De Die advocaten te Amsterdam.

mr. C. Velink
Caren Velink is advocaat bij Velink & De Die advocaten te Amsterdam.
Artikel

Access_open Grondslagen en methoden van juridisch onderwijs

Tijdschrift Law and Method, 2012
Trefwoorden onderwijsmethode, theorieconcepties, Europeanisering, methodologische dilemma’s
Auteurs René Foqué
SamenvattingAuteursinformatie

    This article aims at elucidating some methodological dilemmas which should be taken seriously in legal education. It also aims at articulating the process of how these dilemmas emerged both historically and philosophically. The article starts with the observation that our Western legal systems are rooted in a specific theoretical tradition which can be described as being twofold. In a first already ancient (pre-philosophical) conception, theory finds its nexus both in experience and in narrativity, whereas a more modern conception of theory focuses on logical and conceptual coherence, building a system of professional knowledge. The author argues for a combination of both theoretical conceptions as complementary cornerstones of legal educational programs.The twofold theoretical background of our Western legal tradition can offer us a welcome and fruitful basis for dealing with some important methodological dilemmas: an anascopic (from action to institution) vs a katascopic (from institution to action) approach; deductive vs inductive reasoning; problem-oriented thinking vs systems thinking; case based/case oriented vs doctrinal/conceptual thinking. The author argues for a dialectical complementarity between the respective poles of these dilemmas.Finally, the author argues for introducing – already in an early stage of the program –European Union legal thinking as a challenging laboratory ‘in action’ for searching a reflective equilibrium in dealing with the aforementioned methodological dilemmas.


René Foqué
René Foqué is emeritus hoogleraar in de rechtsfilosofie en rechtstheorie aan de Faculteiten Rechtsgeleerdheid van de Katholieke Universiteit te Leuven en de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Aan het European Inter University Centre for Human Rights and Democratisation te Venetië doceert hij philosophy of human rights.

    In deze bijdrage bespreekt de auteur het praktische belang van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voor privaatrechtelijke rechtspersonen.


Mr. A.J. Sewnandan Mishre
Mr. A.J. Sewnandan Mishre is werkzaam als advocaat bij Loyens & Loeff te Rotterdam.
Artikel

Valkuilen bij contracteren met publiekrechtelijke rechtspersonen

Tijdschrift Vennootschap & Onderneming, Aflevering 9 2012
Trefwoorden contracteren, overeenkomst, overheid, publiekrechtelijke rechtspersonen
Auteurs Mr. M.J. Woodward
SamenvattingAuteursinformatie

    Contracteren met publiekrechtelijke rechtspersonen is geen sinecure. De auteur bespreekt in deze bijdrage een aantal valkuilen en doet diverse praktische handreikingen.


Mr. M.J. Woodward
Mr. M.J. Woodward is advocaat bij Loyens & Loeff te Rotterdam.

Prof. mr. A.L.M. Keirse
Prof. mr. A.L.M. Keirse is hoogleraar privaatrecht bij het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht en raadsheer bij het Gerechtshof Amsterdam.

Mr. M.J.C. van der Heijden LL.M. M.Phil
Mr. M.J.C. van der Heijden LL.M. M.Phil is verbonden aan het UD Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht.

    Misstanden in handelsketens van Nederlandse multinationals lijken aan de orde van de dag. Dit artikel onderzoekt de inhoud en (juridische) vorm van maatregelen die veertien Nederlandse ondernemingen nemen om dergelijke situaties te voorkomen en hun MVO-beleid in hun handelsketen af te dwingen. De maatregelen kunnen worden onderverdeeld in inhoudelijk zwakke, gematigde en sterke maatregelen. Voorts blijkt dat genomen maatregelen veelal geschaard worden onder de noemer ‘gedragscodes’, terwijl die maatregelen in de praktijk in de meeste gevallen contractueel verbindend gemaakt worden en dus eerder kwalificeren als ‘algemene voorwaarden’. Tot slot worden enkele aanknopingspunten voor verder onderzoek naar aansprakelijkheid van bedrijven besproken.


A.L. Vytopil LLB MA MSc
Louise Vytopil LLB MA MSc is universitair docent en promovenda bij het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht, e mail: a.l.vytopil@uu.nl. Haar promotieonderzoek heeft als titel: Contractuele controle in de handelsketen; over gedragscodes, contracten en (het vermijden van) aansprakelijkheid.
Artikel

Kaderwetgeving en de verstrooiing van de wetgevende macht

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2012
Trefwoorden kaderwetgeving, delegatie, snelheid en slagvaardigheid, primaat van de wetgever
Auteurs Prof. dr. R.A.J. van Gestel
SamenvattingAuteursinformatie

    De laatste jaren heeft zowel de Raad van State als de Eerste Kamer zich herhaaldelijk met klem verzet tegen het vermeendelijk toegenomen gebruik van kaderwetgeving vanwege de inbreuk die kaderwetten al snel zouden maken op het primaat van de wetgever. Het belangrijkste bezwaar tegen kaderwetten lijkt het gevaar dat het parlement als medewetgever buiten spel wordt gezet door te kiezen voor open normen in wetgeving en veelvuldige delegatie van regelgevende bevoegdheid naar het bestuur of het overlaten van nadere normstelling aan private regelgevers. Een vaak genoemd motief voor het gebruik van kaderwetten is het streven naar meer snelheid en slagvaardigheid in het wetgevingsproces. De vraag is echter of snelheid wel het daadwerkelijke motief is achter de inzet van kaderwetgeving, aangezien de tijdwinst die ermee wordt geboekt, vaak twijfelachtig lijkt. Denkbaar is ook dat veeleer sprake is van een verstrooiing van de wetgevende macht mede als gevolg van het tanende gezag van het parlement als medewetgever. Daarnaast lijkt de invloed van Europa belangrijke gevolgen te hebben voor het gebruik van kaderwetgeving en valt op dat het fenomeen kaderwet zeker geen nieuw of louter nationaal verschijnsel is. Het gebruik van kaderwetgeving lijkt populair in tijden van crisis en komt zowel op Europees niveau (kaderrichtlijnen) als in de ons omringende landen (lois-cadres, Rahmengesetze, skeleton bills, enzovoort) regelmatig voor.


Prof. dr. R.A.J. van Gestel
Prof. dr. R.A.J. van Gestel is hoogleraar Theorie en Methode aan de Universiteit van Tilburg en redacteur van RegelMaat. r.a.j.vangestel@uvt.nl
Diversen

Meten van de effecten van toezicht

‘Yes we can!’?

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 2 2012
Trefwoorden toezicht, effecten, effectmeting
Auteurs Prof. dr. H.B. Winter
SamenvattingAuteursinformatie

    In de tweede Kaderstellende visie op toezicht uit 2005 is het uitgangspunt ‘minder last, meer effect’, zoals de titel van dat kabinetsstuk luidt. Toezichtslasten moeten worden teruggedrongen en de meerwaarde van toezicht, het effect, moet toenemen. Maar, wat zijn effecten van toezicht? Hoe kunnen toezichtseffecten worden vastgesteld? Waarom is het belangrijk aandacht te schenken aan effecten van toezicht? De Inspectieraad besteedt veel aandacht aan dit onderwerp, hoe kan het dat inspecties en autoriteiten op dat vlak maar langzaam in beweging komen? Gelukkig zijn er ook goede voorbeelden van effectmetingen, ook in de Nederlandse inspectiepraktijk. Dit artikel belicht een aantal van die ‘best practices’ en geeft enkele adviezen en handreikingen.


Prof. dr. H.B. Winter
Prof. dr. H.B. Winter is bijzonder hoogleraar Toezicht aan de faculteit rechtsgeleerdheid, Rijksuniversiteit Groningen en directeur van onderzoeks- en adviesbureau Pro Facto te Groningen.
Artikel

De overeenkomst tot het verlenen van beleggingsadvies

Een gereguleerde contractuele verhouding

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 5 2012
Trefwoorden overeenkomst, opdracht, advies, beleggingsadvies, financieel toezicht, MiFID
Auteurs Mr. B. Bierens
SamenvattingAuteursinformatie

    De contractuele verhouding tussen een beleggingsonderneming en haar cliënt heeft een hybride karakter: verbintenisrechtelijk van aard, maar nader ingevuld door het financiële toezichtsrecht waaraan de beleggingsonderneming is onderworpen. Aan de hand van de overeenkomst tot het verlenen van beleggingsadvies belicht deze bijdrage een rechtsverhouding op het snijvlak van het BW en de Wft.


Mr. B. Bierens
Mr. B. Bierens is jurist bij Rabobank Nederland en als fellow verbonden aan het Instituut voor Financieel Recht (IFR), onderdeel van het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht (OO&R) van de Radboud Universiteit Nijmegen.
Hoofdartikel

Grenzen aan de rechtsvormende taak van de rechter in het privaatrecht en het arbeidsrecht

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2012
Trefwoorden rechtsvormende taak, wetgever-plaatsvervanger, rechtszekerheid, privaatrechtelijke benadering
Auteurs Prof. mr. C.J.H. Jansen en Prof. mr. C.J. Loonstra
SamenvattingAuteursinformatie

    Het lijkt een bijna uitgemaakte zaak dat de rechter een rechtsvormende taak heeft. De Hoge Raad heeft op het gebied van het algemene privaatrecht grenzen aan deze taak gesteld, bijvoorbeeld door te overwegen dat een bepaalde oplossing vanuit het oogpunt van rechtszekerheid onaanvaardbaar is of dat een bepaalde uitspraak de rechtsvormende taak van het college te boven gaat. Naar aanleiding van een drietal recente arbeidsrechtelijke uitspraken van de Hoge Raad onderzoeken de schrijvers de grenzen aan zijn rechtsvormende taak op het terrein van het arbeidsrecht. In het verleden ging het college op dit politiek gevoelige rechtsgebied wel erg ver in zijn optreden als wetgever-plaatsvervanger.


Prof. mr. C.J.H. Jansen
Prof. mr. C.J.H. Jansen is hoogleraar rechtsgeschiedenis en burgerlijk recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen, en tevens bijzonder hoogleraar Romeins recht aan de UvA.

Prof. mr. C.J. Loonstra
Prof. mr. C.J. Loonstra is hoogleraar arbeidsrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en adviseur bij Boontje Advocaten Arbeidsrecht te Amsterdam.
Artikel

Access_open Hoe rechters denken

Tijdschrift Law and Method, 2012
Trefwoorden rechterlijke oordeelsvorming, opleiding, socialisatie, omgevingsinvloed
Auteurs Maarten van Wel
SamenvattingAuteursinformatie

    In this paper the author attempts to answer the intriguing question how judges think by providing a description of the context of judicial decision-making from the insider’s perspective of a judge trainee. This paper demonstrates that in judicial training socialization plays an important formative role. Looking at a standard model for judging civil cases the author stresses that judicial decisions are essentially arbitrary in the true sense of the word and can only be understood from within the legal system. What makes judicial decisions special is not the argumentative method, but their status. One way the judicial power of decision is restricted is by the membership of judges of a professional group with a shared culture and tradition. The author is under the impression that the influence of this context of judicial decision-making on judging is underexposed in legal studies. This paper tries to give the initial impetus to a further exploration.


Maarten van Wel
Mr. Maarten van Wel is rechterlijk ambtenaar in opleiding en is werkzaam als advocaat in de buitenstage bij Höcker Advocaten te Amsterdam.
Artikel

Access_open De Drittwirkung van grondrechten

Retorisch curiosum of vaandel van een paradigmatische omwenteling in ons rechtsbestel?

Tijdschrift Netherlands Journal of Legal Philosophy, Aflevering 1 2012
Trefwoorden Drittwirkung, horizontal effect of human rights, constitutionalisation of private law
Auteurs Stefan Somers
SamenvattingAuteursinformatie

    This article discusses whether the horizontal effect of human rights marks a new paradigm in legal systems or is merely a new style in legal rhetoric. In doing so, much attention is paid to the differences between direct and indirect horizontal effect. Departing from social contract theory the article explains that the protection of human right values in horizontal relations is an essential feature of modern constitutionalism. It also analyses whether these values in horizontal relations should be protected by private law or by human rights. This question is looked at from a substantial, a methodological and an institutional perspective. In the end, because of institutional power balancing, the article argues in favor of an indirect horizontal effect of human rights.


Stefan Somers
Stefan Somers is a researcher at the Department of Interdisciplinary Studies at the VUB (Free University of Brussels) and prepares a PhD on the relationship between human rights and tort law.
Artikel

Gemengde overeenkomsten

De betekenis van art. 6:215 BW in de praktijk: kwalificatie van overeenkomsten

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 2 2012
Trefwoorden Gemengde overeenkomsten, Kwalificatie van overeenkomsten, Samenloop, Bijzondere overeenkomsten, Benoemde overeenkomsten
Auteurs Mr. M.E. Hinskens-van Neck en Mr. L.A.R. Siemerink
SamenvattingAuteursinformatie

    In de voorganger van het Maandblad voor Vermogensrecht is geschreven over gemengde overeenkomsten, de samenloop van verschillende door de wet benoemde bijzondere overeenkomsten, waarvoor art. 6:215 BW een grondslag biedt. Deze bijdrage bouwt hierop voort. Daartoe wordt ingegaan op de samenloop van verschillende wetsbepalingen en op de samenloop van overeenkomsten, om daarna in te gaan op de norm van art. 6:215 BW. Vervolgens wordt aan de hand van jurisprudentie de betekenis van art. 6:215 BW in de praktijk besproken.


Mr. M.E. Hinskens-van Neck
Mr. Hinskens-van Neck en mr. Siemering zijn gerechtsauditeurs bij de Hoge Raad der Nederlanden. Deze bijdrage is door hen geschreven op persoonlijke titel.

Mr. L.A.R. Siemerink
Mr. Siemerink is redactielid van MvV.

    Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011 in de zaak Gemeente De Ronde Venen/Stedin c.s. blijkt dat de mogelijkheden voor opzegging ruimer zijn dan voorheen werd aangenomen.


Mr. T.H. Tanja-van den Broek
Mr. Tanja-van den Broek is senior raadsheer in het Gerechtshof Den Haag.
Artikel

De plaats van het schadebrengende feit nader bepaald: het arrest eDate Advertising GmbH en Martinez

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 2 2012
Trefwoorden bevoegde rechter, onrechtmatige daad, plaats van het schadebrengende feit, internetpublicatie, portretrecht
Auteurs Mr. H.W. Wefers Bettink
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 25 oktober 2010 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan in de gevoegde zaken eDate Advertising GmbH/X en Martinez/MGN Limited. Daarin heeft het Hof van Justitie een belangrijke aanvullende regel gegeven om te bepalen voor welke rechter degene die is geschaad door een publicatie op internet zijn volledige schade kan verhalen. Voor een dergelijk geval moet de plaats van het schadebrengende feit van artikel 5 punt 3 EEX-Verordening aldus worden uitgelegd dat tevens de rechter bevoegd is van de plaats waar de gelaedeerde het centrum van zijn belangen heeft. Tevens bepaalde het Hof van Justitie dat de bevoegde rechter daarbij overeenkomstig artikel 3 van de Richtlijn inzake elektronische handel (‘de Richtlijn’)1x Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (Pb. EG 2000, L 178/1). het recht van de vestigingstaat van de uitgever moet toepassen, met inbegrip van het civiele recht.

Noten

  • 1 Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (Pb. EG 2000, L 178/1).


Mr. H.W. Wefers Bettink
Mr. H.W. Wefers Bettink is advocaat bij Houthoff Buruma.
Toont 1 - 20 van 23 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.