Zoekresultaat: 9 artikelen

x
Jaar 2010 x
Artikel

Enkele aspecten van de (on)mogelijkheid tot het vorderen van ‘afgeleide schade’

Tijdschrift Vennootschap & Onderneming, Aflevering 11 2010
Trefwoorden afgeleide schade, Poot/ABP, Kip/Rabo, specifieke zorgvuldigheidsnorm, geschillenregeling
Auteurs Mr. S. Schmeetz
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage bespreekt de auteur het leerstuk van de afgeleide schade en de mogelijkheden die de aandeelhouder heeft wanneer afgeleide schade niet (rechtstreeks) gevorderd kan worden.


Mr. S. Schmeetz
Mr. S. Schmeetz is werkzaam als advocaat bij Loyens & Loeff.
Artikel

Het richtlijnvoorstel consumentenrechten: quo vadis?

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 3 2010
Trefwoorden consumentenrecht, maximumharmonisatie, DCFR, Groenboek Europees contractenrecht
Auteurs Mr. dr. C.A.N.M.Y. Cauffman, Prof. mr. M.G. Faure LL.M. en Prof. mr. T. Hartlief
SamenvattingAuteursinformatie

    Het richtlijnvoorstel consumentenrechten oogstte veel kritiek vooral omdat het gericht was op maximumharmonisatie en omdat onvoldoende rekening werd gehouden met het DCFR. Over de vraag hoe het nu verder moet met het richtlijnvoorstel consumentenkoop lopen de meningen uiteen. Een viertal hoofdstromingen valt aan te wijzen. Zij worden hierna toegelicht. Tevens wordt ingegaan op het probleem van de rechtsgrond voor een instrument van gerichte maximumharmonisatie.


Mr. dr. C.A.N.M.Y. Cauffman
Mr. dr. C.A.N.M.Y. Cauffman is universitair docent Privaatrecht aan de Universiteit Maastricht.

Prof. mr. M.G. Faure LL.M.
Prof mr. M.G. Faure LL.M. is hoogleraar Vergelijkend en Internationaal Milieurecht aan de Universiteit Maastricht.

Prof. mr. T. Hartlief
Prof. mr. T. Hartlief is hoogleraar Privaatrecht aan de Universiteit Maastricht.
Artikel

Toezicht op naleving van Europese regelgeving in Frankrijk en Duitsland

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2010
Trefwoorden Frankrijk, Duitsland, lagere overheden, toezicht op naleving Unierecht
Auteurs Dr. J.H. Reestman en H. Bosdriesz
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt tegen de achtergrond van de Wet NErpe bekeken hoe in twee nabuurstaten met een belangrijke en invloedrijke constitutionele cultuur, Frankrijk en Duitsland, het centrale toezicht op naleving van Europese Unierecht door lagere overheden c.q. deelstaten is geregeld. Opvallend is dat de federale staat Duitsland wel een algemene, niet specifiek voor het Unierecht geschreven, taakverwaarlozingsregeling kent, terwijl deze in de gedecentraliseerde eenheidsstaat Frankrijk ontbreekt. In Frankrijk wordt de noodzaak van zo’n algemene regeling betwijfeld: een regresrecht zou voldoende zijn om de lagere overheden in te tomen. De Duitse taakverwaarlozingsregeling is praktisch vrijwel onbruikbaar. In plaats van haar inzet te vergemakkelijken, heeft de grondwetgever in 2006 twee regresregelingen ingevoerd.


Dr. J.H. Reestman
Dr. J.H. Reestman is universitair hoofddocent constitutioneel recht aan de Universiteit van Amsterdam.

H. Bosdriesz
H. Bosdriesz LL. B is masterstudent aan Universiteit van Amsterdam.
Artikel

De voorgeschiedenis van het wetsontwerp NErpe als bijdrage aan de discussie

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2010
Trefwoorden Europees recht, decentrale overheden, taakverwaarlozingsregeling, eigen verantwoordelijkheid, inbreukprocedure
Auteurs Prof. dr. B. Hessel
SamenvattingAuteursinformatie

    In de bijdrage wordt ingegaan op de voorgeschiedenis van het wetsontwerp NErpe en de standpunten van ambtelijke commissies zoals de ICER, koepels van decentrale overheden en beoefenaren van het Europees recht, of de voortschrijdende Europese integratie vraagt om zwaardere toezichtinstrumenten van het rijk op de decentrale overheden. De standpunten hadden met name betrekking op de vraag of de bestaande taakverwaarlozingsregeling uit de Provinciewet en Gemeentewet moet worden uitgebreid om de minister een effectief instrument te geven in geval van een inbreukprocedure door de Commissie. Deze door beoefenaren van het Europese recht bepleite verzwaring stuitte bij koepels en ambtelijke commissies op weerstand omdat zij afbreuk doet aan: (1) de traditionele bestuurlijke verhoudingen in het Huis van Thorbecke; en (2) de eigen verantwoordelijkheid van decentrale overheden voor de nakoming van het Europese recht. De twijfel aan de noodzaak van zo’n taakverwaarlozingsregeling werd uiteindelijk na vier jaar weggenomen door het standpunt van het kabinet-Balkenende II. Tegen die achtergrond is de auteur van mening dat het wetsontwerp NErpe te ver doorschiet door de minister niet alleen bij een inbreukprocedure een zelfvoorzieningsrecht te geven, maar ook wanneer decentrale overheden in het algemeen hun Europese verplichtingen niet nakomen. Het Europese beginsel van gemeenschapstrouw benadrukt de eigen verantwoordelijkheid van decentrale overheden voor het nakomen van Europees recht en hun kritische onafhankelijkheid van het rijk. Die eigen verantwoordelijkheid mag alleen opgeofferd worden in de noodsituatie en onder de tijdsdruk van een inbreukprocedure.


Prof. dr. B. Hessel
Prof. dr. B. Hessel is bijzonder hoogleraar Europees recht en decentrale overheden, wetenschappelijk adviseur van het Kenniscentrum Europa decentraal en redacteur van dit tijdschrift.
Artikel

Meer wetgeving voor het Europese Hof van Justitie

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 4 2010
Trefwoorden Verdrag van Lissabon, wetgevingshandelingen, Europese Hof van Justitie
Auteurs Mr. T.M. de Gans
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Verdrag van Lissabon brengt de nodige wijzigingen voor het Europese Hof van Justitie met zich, die ook van invloed zijn op nationale en EU-regelgeving. In dit artikel worden deze wijzigingen beschreven. De rechtsmacht van het Hof wordt substantieel uitgebreid, maar niet zo ver dat het nationale regelgeving nietig kan verklaren. Naast de uitbreiding van de rechtsmacht zijn de mogelijkheden voor particulieren om in beroep te gaan tegen regelgevingshandelingen van de Europese Unie uitgebreid. Ook de nationale parlementen hebben een beperkte mogelijkheid gekregen om tegen wetgevingshandelingen in beroep te gaan. Voorts kunnen lidstaten eerder een boete of een dwangsom krijgen als zij met hun wetgeving het Unierecht niet naleven.


Mr. T.M. de Gans
Mr. T.M. de Gans is werkzaam bij de afdeling Europees Recht en het Expertisecentrum Europees Recht (ECER) van de Directie Juridische Zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken. tom-de.gans@minbuza.nl
Artikel

Nationale parlementen en Europese wetgeving

De Staten-Generaal als de Raad van State van Europa

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 4 2010
Trefwoorden nationale parlementen, Europese wetgeving, subsidiariteit, wetgevingsproces
Auteurs Dr. mr. Ph. Kiiver
SamenvattingAuteursinformatie

    Uit de empirische praktijk blijkt dat het Nederlandse parlement in het kader van de Europese subsidiariteitscontrole een functie uitoefent die sterk lijkt op de rol van de Raad van State binnen Nederland. Het parlement geeft een wetgevingsadvies dat voor de Europese instellingen weliswaar niet absoluut bindend is, maar waarop zij verplicht zijn om te wachten voordat zij het wetgevingsproces voortzetten. Bezwaren van nationale parlementen kunnen weliswaar niet tot amendement of intrekking van een Europees wetsvoorstel verplichten, maar kunnen een hermotivering uitlokken.


Dr. mr. Ph. Kiiver
Dr. mr. Philipp Kiiver is universitair hoofddocent Europees en vergelijkend constitutioneel recht aan de Universiteit Maastricht/Montesquieu Instituut Maastricht. philipp.kiiver@maastrichtuniversity.nl
Artikel

Exhibitierecht in mededingingszaken

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 1 2010
Trefwoorden exhibitieplicht, schadevergoedingsacties, private enforcement, bewijsmateriaal, discovery
Auteurs Mr. M.A. van der Pool
SamenvattingAuteursinformatie

    De Commissie stelt in haar Witboek betreffende schadevergoedingsacties een model van beperkte discovery voor ten behoeve van de toegang tot bewijsmateriaal. Dit model moet in Europese landen verruimde mogelijkheden voor eisers teweeg brengen, om inzage te krijgen in het bewijsmateriaal in mededingingsrechtelijke civiele procedures. De voorgestelde regeling hoeft in Nederland niet te leiden tot een wijziging van het procesrecht. Het exhibitierecht van artikel 843a Rv biedt eisers voldoende mogelijkheden van vorderingen tot openbaarmaking. Aangezien de rechtspraak verschillend omgaat met de toepassing van het exhibitierecht, zullen voor een juiste implementatie van het model de voorwaarden van artikel 843a Rv verder uitgekristalliseerd dienen te worden.


Mr. M.A. van der Pool
Mr. M.A. van der Pool is per 1 april werkzaam als advocaat-stagiair bij Kennedy van der Laan op de sectie Verzekering & Aansprakelijkheid.

    This contribution examines the European Directive 2008/52/EC of the European Parliament and of the Council of 21 May 2008 on certain aspects of mediation in civil and commercial matters and deals with the question whether the Belgian law on mediation, namely Articles 1724 to 1737 of the Belgian Judicial Code, as introduced into the Belgian law in 2005, need to be amended in the light of the Directive. It concludes that in some aspects the Belgian law ought to be improved so to implement some provisions of the Directive not yet dealt with in the law of 2005. It recommends to include in the Belgian law a definition on mediation, and also to stipulate which Belgian institution in particular shall provide the requested information on mediation and communicate with the European authorities. The contribution also suggests to consider introducing into the Belgian law a mechanism to promote mediation through incentives and/or sanctions, for which the measures recently adopted in the English legal system might possibly serve as an example.


Herman Verbist
Herman Verbist is advocaat bij de balie te Gent en Brussel, gastprofessor Universiteit Gent en Erkend Bemiddelaar.
Artikel

De maximalistische visie op herstelrecht onder vuur

Tijdschrift Tijdschrift voor Herstelrecht, Aflevering 1 2010
Trefwoorden maximalisme, rechtsorde, slachtoffers, rehabilitatie
Auteurs Lode Walgrave
SamenvattingAuteursinformatie

    The authors latest book on Restorative Justice, Self-Interest and Responsible Citizenship has been discussed in this journal in 2009 and the author now responds to the critiques, which came from three jurists and therefore had a predominantly juristic character. Themes discussed are ‘criminal justice and punishment’, ‘restorative justice and the law’, ‘restorative justice, the victim and public interest’, ‘restorative justice and the legal order’ and finally ‘restorative justice and offender rehabilitation’. Walgrave maintains and clarifies the views he developed in the book explaining why it is correct to claim that criminal justice can be identified as fundamentally punitive (although it does not always punish, as one critic has observed) and that it should be possible to elaborate restorative justice into a completely new legal system, offering legal guarantees fitting to what restorative justice is trying to achieve. Legal guarantees as they exist today in criminal procedure cannot be taken as the benchmark for restorative procedures in view of the totally different aims and procedures. Furthermore, it is not true that the victim gets too much power in restorative justice – as one critic stated – because restorative justice is and should be conceived as a system of public law, involving the legal agencies and authorities such as courts in a proper role as guardians of every citizin’s dominion. It is because of the safeguarding of dominion that the victim should have a key-role to play in restorative justice, although not obliged to participate.One critic has mentioned that Walgraves ideas seem to imply that the legal order is only something being imposed upon the citizens ‘top down’, while in many respects one could maintain that the law and the principles of the legal order have been produced ‘bottom-up’ or at least should be the result of democracy. The response is that restorative procedures offer more opportunities for citizens for this democratic participation in producing the norms of the law.Finally some have argued that the rehabilitative interests of the offender should have a more central place in the definition of restorative justice, more or less of the same importance as restoring the harms of the victim. Walgraves experiences with the Belgian model of juvenile protection made him cautious of the risks of doing so, not only in terms of serving the victims needs, but also in terms of the legal protection of the juvenile offender against arbitrary interventions.


Lode Walgrave
Lode Walgrave is emeritus hoogleraar jeugdcriminologie van de Katholieke Universiteit Leuven.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.