Zoekresultaat: 103 artikelen

x
Jaar 2013 x

    This contribution scrutinizes the effect of the General Administrative Act (Algemene wet bestuursrecht) on the doctrine of administrative supervision (bestuurlijk toezicht), especially on the (governmental) power of spontaneous annulment (spontane vernietigingsrecht) towards local authorities. In 1998 the legal provisions concerning administrative supervision have been transferred from the Local Government Act (Gemeentewet) to the General Administrative Act. Since then the doctrine was subject to several major changes, from which the 2006 Policy document on spontaneous annulment (Beleidskader spontane vernietiging) and the 2012 Act on re-vitalizing general supervision (Wet revitalisering generiek toezicht) are the most important. The provisions from the General Administrative Act concerning administrative supervision have hardly been changed; case law concerning spontaneous annulment mainly concerned the interpretation of the Policy documents. The provisions regarding administrative supervision and laid down in the General Administrative Act, can therefore be seen as of constant value of administrative supervision.


Mr. Hansko Broeksteeg
Mr. Broeksteeg is universitair hoofddocent Staatsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Jurisprudentie

IPR-problemen in de WOR en het enquêterecht

Ondernemingskamer 21 december 2012, JAR 2013/67 (VLM II) en HR 29 maart 2013, JOR 2013/166 (Chinese Workers)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2013
Trefwoorden WOR, enquêterecht, IPR, toepasselijk recht, bevoegde rechter, VLM, Chinese Workers
Auteurs F.G. Laagland
SamenvattingAuteursinformatie

    De Ondernemingskamer is de enige bevoegde rechter in feitelijke instantie in WOR- en enquêtezaken. In korte tijd moest de Ondernemingskamer in beide rechtsgebieden oordelen over twee zaken die zich afspeelden binnen internationaal concernverband. Bij internationale kwesties komt het internationaal privaatrecht (IPR) om de hoek kijken. Het gaat bij het IPR om twee te onderscheiden aspecten: (1) de internationale bevoegdheid van de rechter (rechtsmacht) en (2) zijn oordeel over het op het internationale rechtsgeschil toepasselijke recht. In deze bijdrage gaat de auteur aan de hand van de VLM II-beschikking en de Chinese Workers-beschikking na hoe de Ondernemingskamer in WOR- en enquêtezaken omgaat met vragen van internationaal-privaatrechtelijke aard.


F.G. Laagland
Mw. mr. F.G. Laagland is docent/onderzoeker sociaal recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en redactiesecretaris van ArA.
Artikel

Access_open Een vergeten episode uit de schoolstrijd: de ontdekking van ‘openbaar’ en ‘bijzonder’ onderwijs

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 3 2013
Trefwoorden openbaar onderwijs, bijzonder onderwijs, schoolstrijd, Grondwet, vrijheid van onderwijs/ onderwijsvrijheid
Auteurs Sophie van Bijsterveld
SamenvattingAuteursinformatie

    The battle over the school system is one of the liveliest chapters in Dutch constitutional history. It resulted, in 1848, in the constitutional acknowledgement of a dual system of education: education provided by public authority (‘public education’) and private education (practically synonymous with confessional education); and, in 1917, in the constitutional guarantee of public funding for the latter on the same footing as the former.
    The battle over the school system is usually described as a battle for freedom of private, confessional education from the start. This article shows that prior to this, in the first stage of this battle, the concept of ‘private education’ itself had to be invented and that the concept of ‘public education’ had to develop a different meaning. Public education, the notion used in the Constitutions of 1814 and 1815, originally meant education in schools in contrast to house education. It was this broad concept of education that was entrusted to the care of government and, therefore, not free. This article focuses on the first half of the 19th century. On the basis of original sources it traces the fascinating process of the birth of these new categories, that determine the Dutch education system up to now.


Sophie van Bijsterveld
Prof. dr. S.C. van Bijsterveld is bijzonder hoogleraar Religie, rechtsstaat en samenleving aan de Universiteit van Tilburg en redactielid van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. s.c.vbijsterveld@uvt.nl.
Artikel

Access_open Quo vadis, Domine?

Monotheïsme en de keizercultus in het Romeinse Rijk

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 3 2013
Trefwoorden heersercultus, Monotheïsme, Romeinse Rijk
Auteurs Renske Janssen
SamenvattingAuteursinformatie

    In this article, the Roman perspective on the relations between the Roman imperial cult and monotheistic movements in the same period will be investigated. In modern scholarship, this Roman point of view has been underrepresented. This article will aim to create a better understanding of the religious conflicts that arose between ca. 44 B.C.E. and 313 C.E and serve as an example for attempting to understand the ‘alien’ side in religious conflict. This article will conclude that Roman religion has to be seen in the context of imperial politics to explain not only the conflicts between the Roman state, Jews and Christians, but also the rise of the imperial cult.


Renske Janssen
K.P.S. Janssen studeert Griekse en Latijnse taal en cultuur aan de Universiteit Leiden en neemt aldaar deel aan het Honours College Religie en Recht. renskejanssen@kpnplanet.nl.

    In juni 2013 wees het Hof van Justitie een arrest naar aanleiding van een grotendeels geheime procedure op gronden van staatsveiligheid over de vraag hoe zo’n procedure zich verhoudt tot fundamentele beginselen van een eerlijke procesvoering, zoals onder meer terug te vinden in het Handvest van de grondrechten. De casus ziet op de toelating tot een lidstaat en ligt zodoende in de sfeer van het vreemdelingenrecht.
    Het dilemma waar het Hof van Justitie voor stond, betreft een vaker gezien beslispunt waarvan de kern lijkt neer te komen op een ‘balancing act’, waarbij twee fundamentele beginselen worden afgewogen; dat van bescherming van de staatsveiligheid (of andere gegronde redenen voor een deels min of meer geheime procesvoering) tegen het recht op een eerlijke (en daarmee openbare) procedure. Zo bezien kan de uitspraak die hier besproken wordt wel eens bredere gevolgen hebben, ook voor onze rechtsorde. Dit artikel zoekt naar die mogelijke gevolgen.
    HvJ EU 4 juni 2013, zaak C-300/11, ZZ, n.n.g.


Mr. R. de Bree
Mr. R. (Robbert) de Bree is advocaat bij Wladimiroff Advocaten te Den Haag.
Praktijk

Nieuwe pandbeleningswet: ‘Pawn Star straalt nog niet’

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 4 2013
Trefwoorden pandhuizen, pandbelening, consumentenbescherming, informatieverplichting
Auteurs Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
SamenvattingAuteursinformatie

    In 2013 is de pandbeleningswet aangenomen. Deze pandbeleningswet regelt de verhouding tussen de pandhuizen en de pandbeleners. De nieuwe wet vervangt de uit 1910 stammende Pandhuiswet. De regelgeving wordt opgenomen in boek 7 BW en is uitsluitend van toepassing op B2C-verhoudingen. In deze bijdrage wordt de pandbeleningswet vanuit contractenrechtelijk perspectief besproken. Overigens is nog niet duidelijk wanneer de wet van kracht wordt. Het Koninklijk Besluit tot invoering is nog niet gepubliceerd.


Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
Mr. drs. J.H.M. Spanjaard is advocaat bij La Gro Advocaten in Alphen aan den Rijn.
Artikel

Van ruilen komt huilen? Renteswaps in de rechtspraak

Een bespreking van de renteswap-jurisprudentie

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2013
Trefwoorden renteswaps, rentederivaten, renteswap-jurisprudentie, hedging, risico’s van renteswaps
Auteurs L.A. van Amsterdam
SamenvattingAuteursinformatie

    Problemen met rentederivaten halen de laatste tijd opvallend vaak het nieuws. Ging het in eerste instantie om renteswaps met een speculatief karakter en een noodzakelijkerwijs daaraan verbonden risico, steeds vaker ziet de berichtgeving op ondernemingen die meenden dat zij zich met behulp van een renteswap juist tegen (rente)risico’s hadden ingedekt. Dit heeft geleid tot een aantal uitspraken waarin deze financiële instrumenten centraal staan. In dit artikel wordt ingegaan op de achtergrond en werking van renteswaps, de risico’s die ze met zich kunnen meebrengen, en de hoofdlijnen uit de renteswap-jurisprudentie.


L.A. van Amsterdam
L.A. van Amsterdam is studentmedewerker bij het Amsterdam Center for Law & Economics.
Artikel

De bescherming voor grensoverschrijdende investeerders op grond van bilaterale investeringsverdragen

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2013
Trefwoorden BIT, investeringsbescherming, arbitrage, investeringsarbitrage
Auteurs Mr. M. van de Hel-Koedoot en Mr. B.R.D. Hoebeke
SamenvattingAuteursinformatie

    Het wereldwijde netwerk van Nederlandse bilaterale investeringsverdragen (bilateral investment treaties, ofwel ‘BITs’) biedt bescherming aan (Nederlandse) investeerders die investeren in landen waarmee Nederland een BIT heeft gesloten. Een BIT houdt beschermingsnormen in die een toetsingskader vormen voor het gedrag van een investeringontvangende staat (de gaststaat) ten opzichte van deze buitenlandse investering. Indien een gaststaat één of meer van deze normen schendt, kan een door een BIT beschermde buitenlandse investeerder zelf – op grond van de desbetreffende BIT – de gaststaat aansprakelijk stellen voor de door hem geleden schade. De in BITs opgenomen arbitrageovereenkomst biedt de buitenlandse investeerder hiervoor een neutraal forum. Als gevolg van het Verdrag van Lissabon en de standpunten van de Europese Commissie ten aanzien van BITs tussen lidstaten zijn veranderingen op komst voor de door Nederland gesloten BITs. Dit artikel houdt een algemene introductie in van de in BITs opgenomen bescherming van investeerders door middel van internationale arbitrage, waarbij tevens zal worden stilgestaan bij de recente ontwikkelingen in Europees verband.


Mr. M. van de Hel-Koedoot
Mr. M. van de Hel-Koedoot is advocaat te Rotterdam.

Mr. B.R.D. Hoebeke
Mr. B.R.D. Hoebeke is advocaat te Rotterdam.
Artikel

Ambtshalve toepassing van consumentenbeschermend EU-recht

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 12 2013
Trefwoorden ambtshalve, rechtsstrijd, matiging, onderzoeksplicht, consumenten
Auteurs Mr. dr. A.G.F. Ancery
SamenvattingAuteursinformatie

    Hoe ver reikt de plicht tot ambtshalve toepassing van consumentenrecht? Uit recente jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad volgt dat deze ook rust op de appèlrechter. In deze bijdrage wordt besproken welke gevolgen deze jurisprudentie heeft voor de feitenrechters en hoe zij daar invulling aan kunnen geven.


Mr. dr. A.G.F. Ancery
Mr. dr. A.G.F. Ancery is werkzaam bij het Wetenschappelijk Bureau van de Hoge Raad der Nederlanden.

    De laatste jaren staat in Nederland definitieve geschilbeslechting door de bestuursrechter sterk in de aandacht. Het in de jurisprudentie van de hoogste Nederlandse bestuursrechtelijke colleges ontwikkelde uitgangspunt dat de bestuursrechter een besluit niet slechts op rechtmatigheid behoort te beoordelen maar ook zo veel mogelijk dient te bezien of het geven van een definitieve oplossing van het geschil mogelijk is, heeft daar geleid tot wetgeving met dezelfde strekking. De landsverordeningen administratieve rechtspraak van Aruba en de voormalige Nederlandse Antillen voorzien nog niet in die wettelijke verplichting en evenmin in een verruiming van de wettelijke bevoegdheden ter uitvoering van die taak. Uit recente jurisprudentie blijkt echter dat het Hof ook met gebruik van de bestaande bevoegdheden zeer wel in staat is geschillen definitief te beslechten. In het artikel worden die bevoegdheden aan de hand van de daarop betrekking hebbende jurisprudentie besproken. Voorts wordt stilgestaan bij de eisen die definitieve geschilbeslechting stelt aan procedure en opstelling van partijen.


Mr. J.Th. Drop
Mr. J.Th. Drop is lid van het Gemeenschappelijk Hof. Hij hoopt in mei 2014 te promoveren aan de UoC op een onderzoek naar de invloed van Nederlandse jurisprudentie op het Caribisch bestuursprocesrecht. Promotor is Prof. L.J.J. Rogier. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel en is een bewerking en uitbreiding van een lezing gehouden op het Symposium ‘Rollen van de overheidsjurist’, gehouden op Curaçao op 25 en 26 april 2013.
Artikel

Het melden van ongewone voorvallen

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 4 2013
Trefwoorden ongewoon voorval, art. 17.1 Wm, omgevingsvergunning, stilleggen
Auteurs mr. M.M.C. Maas-Cooymans en Mr. B. Ebben
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteurs bespreken de meldplicht voor ongewone voorvallen in een inrichting. De algemene verplichting op grond van artikel 17.1 Wm wordt vergeleken met de aanvullende verplichtingen in de omgevingsvergunning. Daarvoor wordt de reikwijdte van de wettelijke bepaling besproken en de aanvullende rol die vergunningsvoorschriften nog kunnen spelen. Tot slot wordt aandacht besteed aan de wijziging van artikel 17.1 Wm die voorschrijft dat in bepaalde gevallen het productieproces in een inrichting moet worden stilgelegd.


mr. M.M.C. Maas-Cooymans
M.G.J. Maas-Cooymans is advocaat partner bij Ploum Lodder Princen.

Mr. B. Ebben
B. Ebben is juridisch medewerker bij Ploum Lodder Princen.

    Overgangsrecht. Strijdig gebruik. Onderdeel beheersverordening is onverbindend. Reikwijdte beheersverordening. Bestemmingsplan is belangrijkste instrument


Tycho Lam

    Kruimelgevallen. Oppervlakte bouwwerk. Bouwwerk als geheel

    Het afmeren schepen aan de kade kan niet met toepassing van artikel 2.14, vijfde lid, van de Wabo (voorheen melding ex artikel 8.19 WMB) worden vergund


Valérie van ’t Lam

    Bouwverordening. Relativiteitsbeginsel in Chw en Awb. Wet aanpassing bestuursprocesrecht


Tonny Nijmeijer

    Intrekking omgevingsvergunning. Intrekkingsgronden Wabo

Artikel

Raphael Lemkin en de misdaad zonder naam

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 3 2013
Trefwoorden Genocide Convention, human rights, public international law, United Nations, international tribunals, jurisdiction, campaigning
Auteurs Reyer Baas
SamenvattingAuteursinformatie

    Could one imagine that up until the mid-1940s international treaties had been ratified on postal services, copyright protection, and whale hunting, but not on genocide? It was only after the Second World War that the deliberate and systematic destruction of groups was recognised as an international crime. There had not even been a name for this practice, which has existed since the beginning of humanity. The 1948 Genocide Convention, the first human rights treaty adopted by the United Nations, was a milestone in the international protection of human rights, although several tragedies have shown that mere law is not sufficient to relegate genocide to the scrapheap of history. The initiator of the Convention was not a very well-known man. This article is about the struggle of Raphael Lemkin, who had, with unflagging zeal, devoted his life to the elimination of genocide.


Reyer Baas
Reyer Baas is promovendus Rechtspleging aan de Radboud Universiteit Nijmegen en bereidt een proefschrift voor over rechterlijke besluitvorming. Tevens is hij docent Algemene rechtswetenschap. Hij publiceerde onder andere: R. Baas e.a., Rechtspraak: samen of alleen, Den Haag: Raad voor de rechtspraak 2010.
Artikel

Remission in de nieuwe arbitragewet

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 4 2013
Trefwoorden Remission, Terugverwijzing, Vernietiging, Herroeping, Arbitrage
Auteurs Mr. N. Peters en Mr. B. van Zelst
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel gaan de auteurs in op de voorgestelde mogelijkheid van remission in de nieuwe arbitragewet. Daarbij signaleren zij een aantal mogelijke onduidelijkheden en discussiepunten. Zij trachten daar antwoorden op te geven en stellen een aantal oplossingen voor. De auteurs concluderen dat de mogelijkheid van remission bijdraagt aan een efficiënte(re) procesvoering. Daarom valt zij toe te juichen.


Mr. N. Peters
Mr. N. Peters is advocaat bij Banning N.V. alsmede docent en buitenpromovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Mr. B. van Zelst
Mr. Van Zelst is docent aan de Radboud Universiteit.

Mr. L.A.D. Keus
Mr. L.A.D. Keus is advocaat-generaal in de Hoge Raad.
Artikel

De gevolgen van samenhang tussen een leningsovereenkomst en een renteswap

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 11 2013
Trefwoorden samenhangende overeenkomsten, Jans/FCN, swap, lening, lotsverbondenheid
Auteurs Mr. R.J.W. Analbers
SamenvattingAuteursinformatie

    Vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland van 20 maart 2013: samenhang tussen een leningsovereenkomst en een renteswap leidt volgens de rechtbank niet tot lotsverbondenheid tussen die overeenkomsten. De auteur bespreekt het vonnis aan de hand van het leerstuk van de samenhangende overeenkomsten, zoals dit voor het eerst door de Hoge Raad is aanvaard in het arrest Jans/FCN.


Mr. R.J.W. Analbers
Mr. R.J.W. Analbers is advocaat bij Rutgers & Posch te Amsterdam en adviseert en procedeert op het gebied van het vermogensrecht en insolventierecht.
Toont 1 - 20 van 103 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.