Zoekresultaat: 259 artikelen

x
Jaar 2011 x
Artikel

Uitleg van algemene voorwaarden

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 5 2011
Trefwoorden algemene voorwaarden, arrest Holleman/De Klerk, artikel 6:232 BW, Haviltex
Auteurs Mr. dr. T.H.M. van Wechem
SamenvattingAuteursinformatie

    Edwin van Wechem schrijft over de uitleg, een van de favoriete topics van Grosheide (kijk maar, er staat wat er staat). Van Wechem zoomt daarbij in op artikel 6:232 BW, op grond waarvan partijen gebonden zijn aan algemene voorwaarden, ook als zij de inhoud niet kennen. Volgens Van Wechem is daarmee het aloude arrest Holleman/De Klerk van tafel geveegd. Drion is daarvan niet helemaal zeker, maar dat doet er niet toe, want Van Wechems eigenlijke onderwerp is de onderbelichte rol van het genoemde artikel in relatie tot de uitleg. Hij meent, met kracht van argumenten, dat mede in het licht van artikel 6:232 BW algemene voorwaarden objectief uitgelegd zouden moeten worden in plaats van op basis van Haviltex (sec), zoals de Hoge Raad lijkt te leren. Grosheide zal het daar vast mee eens zijn.


Mr. dr. T.H.M. van Wechem
Edwin van Wechem is verbonden aan Baker & McKenzie en redacteur van dit tijdschrift.
Redactioneel

Inleiding

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 5 2011
Auteurs Mr. C.E. Drion
SamenvattingAuteursinformatie

    In een redactioneel geeft de redactie een toelichting op het tijdschriftnummer in kwestie.


Mr. C.E. Drion
Coen Drion is raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden en redacteur van dit tijdschrift.
Artikel

Wegcontracteren van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 5 2011
Trefwoorden redelijkheid en billijkheid, aanvullende werking, Regulation on a Common European Sales Law
Auteurs Prof. mr. M.H. Wissink
SamenvattingAuteursinformatie

    Mark Wissink snijdt vervolgens een onderwerp aan waarover Grosheide en Drion nog wel eens (in discussiërende zin) de staf hebben mogen breken: de rol van de redelijkheid en billijkheid. En dan meer in het bijzonder de vraag naar het al dan niet kunnen wegcontracteren van de aanvullende werking daarvan. Wissink bespreekt oude en nieuwe argumenten, zoals artikel 2 lid 3 van de voorgestelde Regulation on a Common European Sales Law van 11 oktober 2011, op basis waarvan de redelijkheid en billijkheid niet door partijen mogen worden weggecontracteerd. Wissink tekent daarbij – terecht – aan dat de inhoud van de Europese redelijkheid en billijkheid (good faith and fair dealing) nog wel eens zou kunnen verschillen van de Nederlandse.


Prof. mr. M.H. Wissink
Mark Wissink is advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, hoogleraar privaatrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en redacteur van dit tijdschrift.
Jurisprudentie

Vrijheid van meningsuiting op de werkplek in twee maten en gewichten: de werknemer mag blaffen, de ‘watchdog’ wordt gemuilkorfd

EHRM 21 juli 2011, Application nr. 28274/08 (Heinisch/Duitsland) en EHRM 12 september 2011, Application nr. 28955/06, 28957/06, 28959/06 en 28964/06 (Palomo Sanchez e.a./Spanje)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2011
Trefwoorden klokkenluiders, vrijheid van meningsuiting op de werkplek, private en publieke sector, vakverenigingsvrijheid, EVRM
Auteurs Prof. dr. F. Dorssemont
SamenvattingAuteursinformatie

    Tijdens de zomermaanden oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over twee verzoekschriften waarin de vrijheid van meningsuiting van werknemers centraal stond. De eerste zaak (Heinisch/ Duitsland) betrof naar de woorden van het Hof een zaak van whistle-blowing (klokkenluiders). Een werkneemster maakte van haar vrijheid van meningsuiting gebruik om extern wantoestanden in de onderneming aan te klagen die een kwestie van algemeen belang raken. In de tweede zaak (Sanchez e.a./Spanje) onderzocht een Grote Kamer het ontslag op staande voet van enkele vakbondsleden wegens een naar de mening van de werkgever diffamerende cartoon in een interne vakbondspublicatie. Deze cartoon hield verband met een juridisch geschil tussen de vakbond en de werkgever dat in de Spaanse rechtbanken werd uitgevochten. In deze zaak wordt ook aan de vakverenigingsvrijheid getoetst. Een onderliggende vergelijking van beide zaken laat toe te appreciëren of werknemers in de uitoefening van een vertegenwoordigend mandaat dat zij van aangesloten vakbondsleden hebben gekregen, over een grotere dan wel een kleinere expressievrijheid beschikken dan geïsoleerde werknemers die ‘onrecht’ aanklagen. De relevantie van de aard van de ondernemingsactiviteit (publieke of private sector) en de arbeidsverhouding (ambtenaar/contractueel) wordt bekeken. Na een afzonderlijke analyse van beide zaken, een beschouwing over de tussenkomst van de vakbond in de zaak Heinisch en een beschouwing over de formele methodologie van het Hof worden beide arresten vanuit enkele kernvragen rond expressievrijheid op de werkplek op een meer vergelijkende wijze beschouwd.


Prof. dr. F. Dorssemont
Prof. dr. F. Dorssemont is als hoogleraar verbonden aan onderzoekscentrum Crides Jean Renauld van de Université catholique de Louvain.
Jurisprudentie

De Hoge Raad en het wijzigingsontslag

HR 24 december 2010, JAR 2011/20 (Woonzorg) en HR 24 december 2010, LJN BO2420

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2011
Trefwoorden ontslagrecht, gesloten stelsel, sociaal rechtvaardig ontslag, wijzigingsontslag, Änderungskündigung
Auteurs mr. N. Gundt
SamenvattingAuteursinformatie

    Naar aanleiding van twee uitspraken van de Hoge Raad van 24 december 2010 wordt in deze bijdrage het wijzigingsontslag nader onderzocht. In de eerste plaats wordt geconstateerd dat het wijzigingsontslag in Nederland op basis van de huidige regelgeving slechts in de vorm van het deeltijdontslag mogelijk is. Nu de Hoge Raad desondanks het wijzigingsontslag lijkt te hebben aanvaard, is de voornaamste vraag hoe deze ontslagvorm in goede banen kan worden geleid. Onderzocht wordt in hoeverre het Duitse recht hierbij van nut kan zijn, aangezien daar het wijzigingsontslag niet alleen gecodificeerd is, maar ook in rechtspraak en literatuur veelvuldig wordt verfijnd. Ten slotte worden eisen en voorwaarden geïdentificeerd die in de toekomst aan een wijzigingsontslag zouden moeten worden gesteld.


mr. N. Gundt
Mw. mr. N. Gundt is universitair docent Arbeidsrecht aan de Universiteit Maastricht.
Hoofdartikel

Grensoverschrijdende overgang van onderneming

Een analyse van de bevoegde rechter en het toepasselijke recht

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2011
Trefwoorden grensoverschrijdend, overgang, onderneming, IPR, werknemersbescherming, rechtsmacht, toepasselijk recht
Auteurs mr. F.G. Laagland
SamenvattingAuteursinformatie

    Nederlandse ondernemers besteden steeds vaker de ondernemingsactiviteiten uit aan ondernemers in het buitenland. Dergelijke grensoverschrijdende transacties kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de werknemers. Zij krijgen niet alleen te maken met een buitenlandse werkgever, maar eventueel ook met een verplaatsing van de ondernemingsactiviteit naar het buitenland. In deze bijdrage wordt nagegaan of Richtlijn 2001/23 EG inzake overgang van onderneming eveneens de rechten van deze werknemers beschermt. Aandacht komt toe aan de vraag welke nationale rechter rechtsmacht heeft en aan de hand van welk (implementatie)recht de claims inzake de toepassing van de Richtlijn worden beoordeeld. De auteur komt tot de conclusie dat de Richtlijn op het punt van het toepasselijke recht aanpassing behoeft.


mr. F.G. Laagland
Mw. mr. F.G. Laagland is als docent/onderzoeker verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Jurisprudentie

Nawerking van gunstigere cao-bepalingen

HR 8 april 2011, JAR 2011/135 (ABVAKABO/Unieke Kinderopvang BV)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2011
Trefwoorden cao, nawerking, minimum-cao, collectieve actie
Auteurs mr. C.W.G. Rayer
SamenvattingAuteursinformatie

    De Hoge Raad heeft in het arrest ABVAKABO/Unieke Kinderopvang geoordeeld dat een nieuwe minimum-cao geen einde maakt aan de nawerking van gunstigere arbeidsvoorwaarden uit de oude cao voor de gebonden werknemer. Het arrest past in de lijn van voorgaande arresten en literatuur waarbij de permanente doorwerking van de cao in de individuele arbeidsovereenkomst is aangenomen. De rechtsregel is ook toepasbaar op de ongebonden werknemer. Tegelijkertijd heeft het arrest een stapeleffect van de gunstigste arbeidsvoorwaarden tot gevolg. Betoogd wordt dat dit was voorkomen wanneer de Hoge Raad eerder tijdelijke nawerking als uitgangspunt had genomen. Nu echter van permanente nawerking wordt uitgegaan, wordt onderzocht welke oplossingen mogelijk zijn.


mr. C.W.G. Rayer
Mw. mr. C.W.G. Rayer is als docent verbonden aan de vakgroep Sociaal recht van de Radboud Universiteit Nijmegen.
Artikel

De subsidiariteitstoets: analyse, ervaringen en aanbevelingen

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2011
Trefwoorden subsidiariteit, Europa, parlementen, ontvankelijkheid
Auteurs Dr. mr. Ph. Kiiver
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage bevat een juridische en empirische analyse van enkele aspecten van de subsidiariteitscontrole van Europese wetsvoorstellen zoals zij door nationale parlementen wordt uitgevoerd. De bijdrage concentreert zich op de ontvankelijkheidscriteria die voor opinies van nationale parlementen gelden en de wetgevingsbeginselen die in deze opinies behandeld kunnen worden, en stelt manieren voor om de strekking van de toets ten gunste van de parlementen lichtelijk uit te breiden zonder daarmee de tekst van de Europese verdragen te schenden.


Dr. mr. Ph. Kiiver
Dr. mr. Ph. Kiiver is universitair hoofddocent Europees en vergelijkend constitutioneel recht aan de Universiteit Maastricht/Montesquieu Instituut Maastricht. philipp.kiiver@maastrichtuniversity.nl


Mr. E.C.M. Jurgens
Mr. E.C.M. Jurgens is emeritus hoogleraar staatsrecht en oud-lid van de Staten-Generaal. ejurgens@xs4all.nl
Artikel

Nadere vormgeving van de bescherming van Richtlijn 1999/44/EG

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2011
Trefwoorden consumentenbescherming, non-conformiteit, vervangingskosten, consumentenkoop
Auteurs Dr. M.Y. Schaub
SamenvattingAuteursinformatie

    Indien een non-conforme zaak door de verkoper wordt vervangen, zijn er naast de kosten van de vervangende zaak extra kostenposten, zoals verwijderingskosten van de non-conforme zaak en installatiekosten van de nieuwe zaak. In deze uitspraak bepaalt het Hof van Justitie dat de verkoper die kosten dient te dragen, ook als de tekortkoming niet toerekenbaar is. Uit de uitspraak volgt verder dat artikel 7:21 lid 5 BW in strijd lijkt te zijn met Richtlijn 1999/44/EC (Richtlijn consumentenkoop).


Dr. M.Y. Schaub
Dr. M.Y. Schaub is docent en onderzoeker aan het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht, Universiteit Utrecht.
Artikel

Duitsland mag activiteiten van het Deense Roj TV verbieden, maar de ontvangst niet blokkeren

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2011
Trefwoorden blokkeren uitzendingen, televisierichtlijn, richtlijn audiovisuele mediadiensten, Mesopotamia, PKK, doorgifte televisiekanalen
Auteurs Mr. M.I. Robichon-Lindenkamp en Mr. M.A. van Bemmel
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Hof van Justitie maakt in de Mesopotamia-zaak duidelijk dat Duitsland de activiteiten van een Deens televisiebedrijf mocht verbieden wegens aansporing tot haat. Het activiteitenverbod was niet in strijd met de Televisierichtlijn (Richtlijn 89/552/EG).1x Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, Pb. EG 1989, L 298/23, gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997, Pb. EG 1997, L 202/60. De richtlijn 89/552/EEG is later gewijzigd door Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG, Pb. EU 2007, L 332/27 (de Richtlijn audiovisuele mediadiensten). Deze wijziging was echter geen onderwerp van dit arrest. Het is echter niet toegestaan voor Duitsland om de daadwerkelijke ontvangst van uitzendingen uit Denemarken te blokkeren.

Noten

  • 1 Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, Pb. EG 1989, L 298/23, gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997, Pb. EG 1997, L 202/60. De richtlijn 89/552/EEG is later gewijzigd door Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG, Pb. EU 2007, L 332/27 (de Richtlijn audiovisuele mediadiensten). Deze wijziging was echter geen onderwerp van dit arrest.


Mr. M.I. Robichon-Lindenkamp
Mr. M.I. Robichon-Lindenkamp is advocaat bij Kennedy Van der Laan te Amsterdam.

Mr. M.A. van Bemmel
Mr. M.A. van Bemmel is advocaat bij Kennedy Van der Laan te Amsterdam.
Artikel

Grenzen aan het beperken van toegang tot de rechter in milieuzaken volgens het Europese Hof van Justitie

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2011
Trefwoorden toegang rechter, relativiteitsvereiste, milieuverenigingen, gemengde verdragen, rechtsbasis
Auteurs Dr. W.Th. Douma
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Europese Hof van Justitie legt in twee rechtszaken uit hoe ver EU-lidstaten kunnen gaan in het beperken van de toegang tot de rechter en bestuurlijke procedures in milieuzaken. Duitsland ging te ver door het voor milieubeschermingsorganisaties onmogelijk te maken bezwaar te maken tegen beslissingen onder wetten die algemene belangen (zoals natuurbehoud) aangaan, en niet hun subjectieve rechten. In de Slovaakse zaak werd duidelijk dat nationale rechters nationale procesrechtelijke bezwaar- of beroepsvoorwaarden moeten uitleggen in overeenstemming met artikel 9 lid 3 Verdrag van Aarhus en de EU-verplichting om effectieve rechterlijke bescherming van door het EU-recht verleende rechten te verzekeren.


Dr. W.Th. Douma
Dr. Wybe Th. Douma is senior onderzoeker Europees Recht en Internationaal Handelsrecht, T.M.C. Asser Instituut, Den Haag.
Artikel

Nee tegen nationaliteitseisen notarissen

De werkingssfeer van de uitzonderingen van openbaar gezag en overheidsdienst op het vrij verkeer van personen en diensten

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2011
Trefwoorden niet-nakoming, vestiging, notarissen, nationaliteitsvereiste, uitoefening van openbaar gezag
Auteurs Mr. dr. A. van den Brink en Mr. drs. H.M.M. Zelen
SamenvattingAuteursinformatie

    Een groot aantal lidstaten hield tot voor kort nog vast aan nationaliteitseisen voor notarissen op grond van de verdragsuitzondering van de uitoefening van openbaar gezag. Het Hof van Justitie heeft echter in het voorjaar van 2011 een streep door deze eisen gehaald. Tegen Nederland loopt de procedure nog. In deze bijdrage worden aan de hand van deze recente jurisprudentie de inhoud en de grenzen van de openbaargezagexceptie verkend.


Mr. dr. A. van den Brink
Mr. dr. A. van den Brink is hoofddocent Europees Recht en directeur Europa Instituut van de Universiteit Utrecht.

Mr. drs. H.M.M. Zelen
Mr. drs. H.M.M. Zelen is junior onderzoeker, Europa Instituut Universiteit Utrecht.
Jurisprudentie

Bent u eigenlijk wel gehuwd?

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 6 2011
Trefwoorden samenwonen, huwelijk, uiterste wilsbeschikking, uitleg
Auteurs Prof. mr. E.A.A. Luijten en Mw. prof. mr. W.R. Meijer
SamenvattingAuteursinformatie

    Voor onze bijdrage aan dit speciale nummer van Tijdschrift Erfrecht over samenleving buiten het huwelijk kozen wij vier uitspraken van de Rechtbank Haarlem, gewezen in dezelfde zaak, van 27 augustus 2008 (LJN BF1556), 23 december 2009 (LJN BK7605), 15 september 2010 (LJN BO2401) en 1 juni 2011 (LJN BR3951). De laatste twee vonnissen zijn samengevat in Notafax 2011, 193. Daarin komt onder andere de vraag aan de orde of een uiterste wil gemaakt ten voordele van degene die met de erflater samenleefde en die kennelijk voor echtgenote werd aangezien, rechtens relevant is of kan zijn als blijkt dat van een huwelijk tussen de erflater en degene met wie hij samenleefde geen sprake was.


Prof. mr. E.A.A. Luijten
Prof. mr. E.A.A. Luijten is emeritus hoogleraar aan de RU Nijmegen, oud-notaris en thans advocaat te Heerlen.

Mw. prof. mr. W.R. Meijer
Mw. prof. mr. W.R. Meijer is hoogleraar privaatrecht aan de OU Nederland te Heerlen.
Artikel

Samenwoners en erfrecht

Een civiele en fiscale beschouwing

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 6 2011
Trefwoorden samenwoners en erfrecht, defiscalisering, verblijvingsbeding, pseudo-o.b.v.
Auteurs Mr. P Blokland
SamenvattingAuteursinformatie

    Na een beschouwing over de fiscale positie van samenwoners in de Successiewet wordt aandacht besteed aan de situatie van samenwoners zonder kinderen (verblijvingsbeding en/of testament?). Vervolgens worden diverse mogelijkheden bezien die samenwoners met kinderen hebben om de erfrechtelijke verhoudingen tussen langstlevende en kinderen te regelen, met name tegen de achtergrond van de uitbreiding van de defiscalisering in de Wet IB 2001 per 1 januari 2012. Conclusie is dat een testament waarbij de langstlevende samenwoner tot enig erfgenaam wordt benoemd terwijl de kinderen hun ‘erfdeel’ in de vorm van een niet-opeisbaar legaat krijgen toegekend (pseudo-o.b.v.), te prefereren valt boven een tweetrapstestament, dat leidt tot een complexe boedelafwikkeling.Nog mooier zou het zijn als de wetgever de wettelijke verdeling ook als keuze voor samenwoners met kinderen zou openstellen.


Mr. P Blokland
Mr. P. Blokland is notaris en estate planner bij De Kort van der Kolk van Tuijl Notarissen te Tilburg.
Artikel

Ongehuwd samenleven en kosten van de huishouding

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 6 2011
Trefwoorden kosten van de huishouding, draagplicht, verrekening na het einde van de relatie, notarieel samenlevingscontract
Auteurs Mw. dr. mr. W.M. Schrama
SamenvattingAuteursinformatie

    Na het overlijden van een van de partners die ongehuwd samengeleefd hebben, kunnen zich uiteenlopende problemen voordoen. Een van die problemen betreft de kosten van de huishouding. Als de langstlevende partner niet de enig erfgenaam is, kan een conflict ontstaan met de erfgenamen. De vraag is hoe de rechter vorderingen met betrekking tot de kosten van de huishouding beoordeelt. Deze bijdrage gaat op een aantal aspecten nader in. Een analyse van recente rechtspraak laat zien dat er in toenemende mate geschillen aan de rechter worden voorgelegd over kosten van de huishouding, maar dat daarbij verschillende oplossingsrichtingen gevolgd worden, die mede afhankelijk zijn van de wijze van procederen. Het loont de moeite om goed na te denken over de rol die een samenlevingscontract kan vervullen om het conflictpotentieel beperkt te houden en rechtszekerheid te bieden.


Mw. dr. mr. W.M. Schrama
Mw. dr. mr. W.M. Schrama is senior onderzoeker bij het WODC, Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum, dat onderdeel is van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarnaast is zij als honorair universitair hoofddocent familierecht verbonden aan het Utrecht Centre for European Research into Family Law (UCERF) van het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht, Universiteit Utrecht.
Jurisprudentie

FA Premier League/Karen Murphy

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 6 2011
Trefwoorden Uitzendrechten, territoriale exclusieve licenties, handel in decoders, absolute gebiedsbescherming bij content
Auteurs Mr. P.J. Kreijger
SamenvattingAuteursinformatie

    De tamelijk opgewonden berichtgeving over de uitspraak van het Hof van Justitie van 4 oktober jl. in de FA Premier League-zaak doet vermoeden dat de tijden van Bosman en het Luxemburgse activisme van de jaren zeventig herleven. Belangwekkend is het arrest zonder meer, maar goed beschouwd minder spectaculair voor het mededingingsrecht dan voor het recht van de intellectuele eigendom.


Mr. P.J. Kreijger
Mr. P.J. Kreijger is advocaat bij Linklaters LLP te Amsterdam.
Jurisprudentie

CBb stelt grenzen aan alles-in-één-hand stelsel

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 6 2011
Trefwoorden functiescheiding, alles-in-één-hand stelsel, bouwfraude, onderzoek, uitsluiting van bewijs
Auteurs Mr. B.H.J. Braeken
SamenvattingAuteursinformatie

    Bij uitspraak van 30 augustus 20111x LJN BR6737. bevestigt het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 28 april 20092x LJN BI3337. waarin de rechtbank oordeelde dat de NMa de verplichting tot functiescheiding zoals bedoeld in artikel 54a Mw had geschonden. Het CBb overweegt dat de verplichting tot functiescheiding ertoe strekt te verzekeren dat de beslissing om al dan niet een boete op te leggen objectief en onbevooroordeeld plaatsvindt. Volgens het CBb had de NMa zich in de onderhavige zaak niet van die verplichting gekweten. De Juridische Dienst van de NMa had namelijk voorafgaand aan het primaire besluit bij een derde partij feitelijke informatie opgevraagd. Het opvragen van dergelijke informatie kwalificeert als een onderzoekshandeling en is voorbehouden aan de daartoe aangewezen ambtenaren van de NMa. Het CBb overweegt dat binnen het in de Mededingingswet voorziene alles-in-één-hand stelsel de verplichting tot functiescheiding van fundamentele betekenis is. Het CBb verbindt daaraan vervolgens de conclusie dat niet alleen het procedureel incorrect verkregen bewijsmateriaal moet worden uitgesloten, maar dat de ‘smet’ van dit bewijsmateriaal ook kleeft aan de waardering van het reeds in de onderzoeksfase verkregen bewijsmateriaal.

Noten


Mr. B.H.J. Braeken
Mr. B.H.J. Braeken is advocaat bij Stibbe te Amsterdam.


Prof. dr. M.P. Schinkel
Prof. dr. M.P. Schinkel is hoogleraar Competition Economics and Regulation aan de Universiteit van Amsterdam en co-director van het Amsterdam Centre for Law and Economics (ACLE).
Artikel

De nieuwe Europese financiële toezichthouders

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2011
Trefwoorden Europese toezichtautoriteiten, macroprudentieel toezicht, financiële stabiliteit
Auteurs Prof. dr. J.A. Bikker, Drs. J. Brinkhoff en Drs. A.A.T. Wesseling
SamenvattingAuteursinformatie

    Tijdens de kredietcrisis kwam duidelijk aan het licht dat het bestaande systeem van financieel toezicht in Europa verbetering behoefde. Het Europees stelsel van financieel toezicht dat in 2011 in werking is getreden, betekent meer samenwerking tussen nationale toezichthouders, onder meer door de oprichting van colleges of supervisors, een gedeeltelijke overheveling van toezichtbevoegdheden naar de nieuw opgerichte Europese toezichtautoriteiten en meer aandacht voor instellingsoverschrijdende ontwikkelingen die implicaties kunnen hebben voor de gehele sector, waarbij de nieuwe Europese risk board waarschuwingen kan afgeven aan competente autoriteiten. Deze bijdrage bespreekt de achtergronden van de vormgeving van de nieuwe Europese toezichtstructuur, gaat nader in op de taken en bevoegdheden van de nieuwe Europese toezichtorganisaties en bespreekt wat de uitdagingen voor en de kanttekeningen bij dit nieuwe model zijn. De bijdrage sluit af met een beschouwing van enkele andere beleidsinitiatieven in reactie op de crisis.


Prof. dr. J.A. Bikker
Prof. dr. J.A. Bikker is senior onderzoeker bij De Nederlandsche Bank en hoogleraar aan de Utrecht School of Economics van de Universiteit Utrecht.

Drs. J. Brinkhoff
Drs. J. Brinkhoff is beleidsmedewerker bij De Nederlandsche Bank.

Drs. A.A.T. Wesseling
Drs. A.A.T. Wesseling is senior beleidsmedewerker bij De Nederlandsche Bank.
Toont 1 - 20 van 259 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7 8 9 12 13
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.