DOI: 10.5553/NJLP/221307132019048002004

Netherlands Journal of Legal PhilosophyAccess_open

Artikel

De Vlaamse inbreng in de VWR

Trefwoorden rechtstheorie, rechtsfilosofie, universitair beleid, Vlaanderen, professionalisering
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Mark Van Hoecke, "De Vlaamse inbreng in de VWR", Netherlands Journal of Legal Philosophy, 2, (2019):185-202

Dit artikel wordt geciteerd in

      De Vereniging voor Wijsbegeerte van het recht is gestart als zuiver Nederlandse, tot 1925 zelfs zuiver Hollandse vereniging. In deze bijdrage wordt de geleidelijke uitbreiding naar Vlaanderen geschetst. Hierbij worden verschillende periodes onderscheiden: een eerste, van 1919 tot 1950, met een eenmalig Vlaams preadvies in 1935, een tweede, van 1950 tot 1970, met een geleidelijke, zij het nog schuchtere Vlaamse inbreng, om dan vanaf 1970 een vast element te worden in de werking van de VWR, vooral tussen 1980 en 2000. Dit alles wordt gekaderd binnen de ontwikkelingen in het universitair landschap in Vlaanderen.

      De definitie van ‘Vlaams’ is voor deze analyse niet zo eenvoudig. Reeds vanaf de jaren vijftig waren er Nederlandse rechtsfilosofen aan Vlaamse universiteiten en vanaf de jaren tachtig Vlaamse rechtsfilosofen in Nederland. De keuze is soms vrij arbitrair. ‘Vlaams’ betekent in dit overzicht vooral ‘in hoofdzaak verbonden geweest zijn aan een Vlaamse universiteit’.1xOok enkele Franstaligen worden vermeld, die verbonden waren aan een Brusselse universiteit en Nederlands begrepen: Perelman, Ost, Van de Kerchove, Haarscher. Vlamingen die evenwel hun hele loopbaan (enkel) aan Nederlandse universiteiten waren verbonden, werden niet meegenomen in dit overzicht, zoals bijvoorbeeld Désiré Scheltens (Nijmegen), Jean-Marc Piret (Rotterdam, maar thans toch te Brussel, aan de VUB) of Siegfried Van Duffel (lang in Groningen, nu in Kazachstan). Er blijven natuurlijk randgevallen. Zo werd Mireille Hildebrandt niet als ‘Vlaming’ beschouwd, ook al werd ze recent voltijds hoogleraar in Brussel (VUB), waar ze voordien al heel wat jaren een deeltijdse aanstelling had. Frank Van Dun wordt als ‘Vlaming’ beschouwd, ook al had hij het grootste deel van zijn loopbaan zijn hoofdaanstelling in Maastricht.

    • 1. Universitair landschap in Vlaanderen

      Een gedeeltelijke verklaring voor de bescheiden plaats van de Nederlandstalige rechtsfilosofie en rechtstheorie in België voor de jaren zeventig is dat er tot het einde van de jaren zestig slechts twee Vlaamse universiteiten waren, in Gent en in Leuven. Tot 1930 waren alle Belgische universiteiten bovendien Franstalig. In 1930 werd de Gentse universiteit volledig Nederlandstalig. In Leuven ging de vernederlandsing meer geleidelijk en duurde het tot het einde van de jaren zestig vooraleer de Leuvense universiteit volledig Nederlandstalig werd en de Franstalige afdeling verhuisde naar Louvain-la-Neuve, een nieuwe campus middenin de velden van Waals Brabant. Een toonaangevende rechtsfilosoof in Leuven in de jaren veertig, vijftig en zestig, de Luikenaar Jean Dabin (1889-1971) doceerde en publiceerde enkel in het Frans. Dit betekent dat tot rond 1970 de academische inbreng in de VWR enkel uit Gent kon komen.

      In 1969 werden te Brussel de Universitaire Faculteiten Sint-Aloysius (later de Katholieke Universiteit Brussel en thans de Brusselse campus van de KU Leuven) gesticht als tegenhanger van de Franstalige Facultés universitaires Saint-Louis (thans de Université Saint-Louis). In 1970 werd de Vrije Universiteit Brussel als zelfstandige entiteit afgesplitst van de Université Libre de Bruxelles (waar voordien ook al Nederlandstalige colleges werden aangeboden). In 1972 kreeg Antwerpen een universiteit2xDe situatie was complex en bleef dat tot 2003: vanaf 1965 werden de twee eerste jaren van de juridische opleiding (‘kandidaturen’) aangeboden aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius. In 1972 werd de ‘bovenbouw’ aangeboden aan de Universitaire Instelling Antwerpen, de volgende drie jaren van de rechtsopleiding (‘licenties’). Voor kandidaturen in de exacte wetenschappen was er ook nog het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen. In 2003 werden deze drie rechtspersonen gefuseerd tot de Universiteit Antwerpen. en in 2008 startte de Hasseltse universiteit een rechtsopleiding, in samenwerking met de Universiteit Maastricht en de KU Leuven. Er zijn thans dus vijf volwaardige rechtsfaculteiten in Vlaanderen: Leuven (°1425), Gent (°1817), Brussel (°1970), Antwerpen (°1972) en Hasselt (°2008), zij het dat de academische inbreng in Hasselt, onder meer ook voor rechtstheorie en rechtsfilosofie, nog deels uit Maastricht3xIn het bijzonder Jaap Hage, die intussen in Vlaanderen woont en de Belgische nationaliteit heeft, maar in Nederland enkel bekend is als Maastrichtse hoogleraar. Hij wordt voor dit overzicht als Nederlander beschouwd. en Leuven komt.

      Tot 1967 werd de eigenlijke rechtsopleiding, die na drie jaar leidde tot het ‘doctoraat in de rechten’ (zonder proefschrift), voorafgegaan door twee jaar algemene vorming, met vrijwel enkel niet-juridische vakken, te volgen in de Faculteit Wijsbegeerte en Letteren, in de vorm van een ‘kandidatuur in de Wijsbegeerte en Letteren voorbereidend op de Rechten’. In de jaren zestig werden enkele nieuwe universiteiten opgericht met enkel zulk een tweejarige opleiding, waarna men diende verder te studeren aan een ‘volledige’ universiteit. Dit niet zo gelukkige Belgisch compromis in de regionale en ideologische strijd om nieuwe universiteiten verdween, in Vlaanderen, geleidelijk na 2000 door fusies in Antwerpen en Brussel (fusie van de KU Brussel met de KU Leuven) en bevoegdheidsuitbreiding in Hasselt. In de jaren zeventig tot het midden van de jaren 2000, tot de bachelorhervorming, bleef het rechtsonderwijs in de ‘kandidatuurinstellingen’ (UFSIA en KUB) sterk gekleurd door niet-juridische vakken. Dit creëerde ook ruimte voor meta-juridische vakken, zoals rechtsfilosofie en rechtstheorie, waar in de ‘volledige’ rechtsfaculteiten de druk van de positiefrechtelijke vakken vaak te groot was om hiervoor ruimte te maken of die te behouden. Dit maakte in het bijzonder een grote bloei mogelijk van rechtsfilosofie en rechtstheorie aan de KU Brussel in de jaren tachtig en negentig (en nog iets langer) en nog meer aan de Franstalige tegenhanger in Brussel, de Facultés universitaires Saint-Louis, thans de Université Saint-Louis. Het kroonstuk hiervan was de organisatie, vanaf 1989 van Erasmus Seminars on Legal Theory en, vanaf 1992, het masterprogramma Legal Theory (tot 2009, thans aan de Goethe Universität Frankfurt), in een samenwerking tussen KUB en Saint-Louis.
      De omvorming van de twee- en driejarige rechtsopleiding (twee jaar vooral algemene vorming, gevolgd door drie jaar zuiver positief recht) naar een 3+2-opleiding (bachelor en master) in de jaren 2000 is nefast geweest voor het niet-juridisch pakket in de rechtsopleiding en ook voor de rechtsfilosofie en rechtstheorie. De hoofdreden hiervoor was de vereiste dat de bacheloropleiding diende te leiden tot een volwaardig diploma voor de arbeidsmarkt. Alle faculteiten hebben er dan een soort mini-rechtsopleiding van gemaakt met vrijwel uitsluitend positiefrechtelijke vakken, in alle deelgebieden van het recht. De niet-juridische vakken zijn niet verschoven naar de masteropleiding, wat een optie was, maar gewoon geschrapt of gereduceerd tot keuzevak. De masteropleidingen in de rechten werden de facto specialisaties in deelgebieden van het recht. In de praktijk heeft dit alles evenwel geen invloed gehad op de uitstroom naar de arbeidsmarkt. De bachelors stromen voor vrijwel 100% door naar de masteropleidingen, en niet naar de arbeidsmarkt, en de masterdiploma’s blijven officieel ‘algemeen’, zonder enige erkenning van de eventueel gevolgde specialisatie. Voor rechtstheorie en rechtsfilosofie is dit geen goede ontwikkeling geweest. Zoals hierna zal blijken, heeft deze evolutie ook haar weerslag gehad op de Vlaamse inbreng in de VWR.

    • 2. Vlaanderen en de VWR: de periode voor 1950

      De eerste spreker op een VWR vergadering was de Antwerpenaar René Victor (1897-1984), die in 19354xR. Victor, ‘Het wezen van het recht’, Handelingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts, XXIII, 1935, 15-19. de algemene rechtsleer van Adolf Reinach (1883-1917) presenteerde, een Platoonse ontologie van het recht.5xA. Reinach, Zur Phänomenologie des Rechts. Die apriorischen Grundlagen des bürgerlichen Rechts, München 1953 (herdruk van de originele uitgave van 1913). De toenmalige voorzitter van de VWR, Roelof Kranenburg (1880-1956), becommentarieerde deze eerste Vlaamse inbreng in de VWR als volgt:

      ‘De heer Victor heeft in den aanvang gezegd, dat het hem verheugde, dat thans het contact met Vlaanderen was verkregen. Ik kan hem verzekeren dat wij onzerzijds met vreugde dat contact begroeten. Het verheugt ons van harte dat wij in hem een nieuwe groep medewerkers uit een stamverwant land, uit ons Nederlandsch taalgebied, welkom hebben mogen heten.’6x Handelingen VWR XXIII (2e gedeelte), 1936, p. 58.

      René Victor was op dat ogenblik (en tot 1941) docent Rechtstheorie te Brussel.7xVictor werd in de jaren vijftig nog deeltijds docent aan de Gentse universiteit, maar zijn onderwijs omvatte er geen meta-juridische vakken. Hij was een selfmade man, die nooit één college aan een universiteit had gevolgd, maar als klerk bij het Antwerps stadsbestuur zijn diploma in de rechten had behaald via de ‘centrale examenjury’. Hij is zijn hele leven vooral advocaat geweest en, vanaf 1931, stichter van het Rechtskundig Weekblad, waarvan hij tot zijn dood de hoofdredacteur zou blijven. Wetenschappelijk onderzoek heeft Victor nooit uitgevoerd. Zijn publicaties waren zeer beschrijvend en beperkten zich in grote mate tot een presentatie van andermans ideeën. Zijn rechtstheoretische geschriften zijn overigens zeer beperkt gebleven.8xZie hieromtrent zeer uitgebreid: Jan Verstraete, René Victor 1897-1984 Strijder voor het Vlaamse Rechtsleven. Biografie. Antwerpen, Uitgeverij Doorbraak, 2018. Medewerkers aan de universiteit heeft hij niet gehad en, mede door de oorlog, is er geen continuïteit geweest. De lezing van Victor in 1935 was dus een zeer vluchtige passage van een Vlaamse docent, die eigenlijk geen rechtsfilosoof of rechtstheoreticus was.9xZie verder over René Victor: Jan Verstraete, René Victor. Strijder voor het Vlaamse rechtsleven. Biografie. Antwerpen: Uitgeverij Doorbraak, 2018. Later, in 1958, werd Victor nog bestuurslid van de VWR (tot 1961) en was hij blijkbaar ook een actieve deelnemer aan de vergadering van 16 december 1961, waar hij het woord nam in de discussie (Handelingen VWR p. 18-24).

      Voor het overige is er tussen 1919 en 1950 geen spoor van enige Vlaamse aanwezigheid op VWR-vergaderingen. De hoger geciteerde woorden van Kranenburg in 1935 lijken dit ook te bevestigen voor de periode 1919-1935. Naast de hogervermelde redenen zal ook de verplaatsingsduur wel een rol gespeeld hebben. De vergaderingen in die periode vonden steeds plaats in Amsterdam of, vooral, Den Haag. Tot 1925 kwamen alle aanwezigen uit randstad Holland en vooral uit de stad waar de vergadering doorging.10xIn november 1919 in Den Haag: 24 deelnemers (op 44) uit Den Haag; juni 1920 in Amsterdam: 10 deelnemers (op 31) uit Amsterdam; december 1920 in Den Haag: 12 (op 37) uit Den Haag; januari 1925 in Den Haag: 8 (op 21) uit Den Haag; april 1925 in Amsterdam: 9 (op 19) uit Amsterdam. Pas in 1925 nam voor de eerste maal een hoogleraar uit Groningen deel, die het preadvies gaf.11xProf. Van der Pot. Tot 1925 staan de namen van alle aanwezigen, met hun woonplaats, vermeld in de Handelingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts. Later enkel de namen van degenen die tussenkomen in de discussie. De vergaderingen vonden tot 1998 altijd plaats op een zaterdag, wat ook rechtspractici toeliet om deel te nemen. Verre verplaatsingen voor 1950 impliceerden wellicht dat men de dag ervoor moest reizen en/of de dag erna terugkeren.12xEen treinreis Groningen-Amsterdam nam in 1925 meer dan vier uur in beslag; zie https://hetutrechtsarchief.nl/onderzoek/resultaten/archieven?mivast=39&miadt=39&mizig=0&miview=lst&mizk_alle=spoorboekjes, spoorboekje binnenland 1925 onder nr. 59. De vergaderingen liepen van 11.00 tot 17.00 uur. Ook met (twee maal) vijf à zes uur verplaatsing was het dus nog mogelijk voor één dag naar Den Haag te reizen, maar wel zeer vermoeiend. Aangezien de meeste mensen toen op zondagmorgen ter kerke gingen, was het zeker voor Vlamingen niet evident om aan VWR-vergaderingen deel te nemen.

      Niet onbelangrijk voor de band van de VWR met Vlaanderen is de figuur van jonkheer Jan Jacobus von Schmid (1895-1977). Vanaf 1930 is hij een zeer actief lid van de VWR en vanaf 1932 ook bestuurslid en secretaris van de vereniging (tot 1934). Op 4 juni 1932 geeft hij een preadvies (over de Historische School), waar bijzondere aandacht aan wordt besteed in het pas een jaar eerder gestarte Rechtskundig Weekblad, waarvan René Victor de hoofdredacteur was die in zijn eentje het weekblad deels volschreef. Zo verscheen in het nummer van 10 juli 1932, onder de titel ‘Uit de Pers’, een samenvatting van wat eerder in de Handelingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts verscheen, overgenomen uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 5 juni 1932 over het preadvies van von Schmid. In 1935 schreef Victor een hele bijdrage over ‘Het werk van dr. J.J. von Schmid’.13x Rechtskundig Weekblad 22 maart 1935, 1025-1036. Aan het einde hiervan schrijft hij:

      ‘Hij werd benoemd tot privaat-docent aan de Universiteit te Leiden en hij oefende gedurende verschillende jaren het ambt uit van secretaris van de Nederlandsche Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts. … Hij werd uitgenodigd om lessen te geven aan de universiteiten te Londen, Gent en Brussel. Dr. von Schmid is een der Nederlandsche geleerden, die een sterke belangstelling koesteren voor de jonge Vlaamsche wetenschappelijke cultuur en hij heeft bij de Vlaamsche intellectuelen verschillende trouwe vrienden. Hij werkte reeds mede aan het “Rechtskundig Tijdschrift voor België” en ook het “Rechtskundig Weekblad” kon reeds meerdere malen interessante opstellen van zijn hand publiceren.’

      In 1937 verscheen het boek ‘Rechtsphilosophie’ van von Schmid in de ‘Vlaamsche Rechtskundige Bibliotheek’, ook al onder leiding van René Victor.

      Later, in de jaren vijftig, werd von Schmid zelfs hoogleraar te Brussel,14xHierbij kan Victor geen rol hebben gespeeld daar hij de Brusselse universiteit (toen enkel de Université Libre, die ook onderwijs in het Nederlands aanbood) al in 1941 had verlaten en men hem na de oorlog niet opnieuw in dienst wilde nemen. waar hij in 1965 op emeritaat ging. Het lijkt dus duidelijk dat von Schmid een brugfunctie vervulde tussen Nederland, in het bijzonder de VWR, en Vlaanderen, zoals later onder meer Jan Broekman en Maurice Adams (Nederlanders in Vlaanderen) en René Foqué (Vlaming in Nederland) dat ook zouden doen.

      Maar alles bij elkaar genomen is de Vlaamse inbreng in de VWR tot 1950 zeer beperkt gebleven. De wetenschappelijke cultuur was ook in Vlaanderen nog sterk Franstalig. De Vlaamse rechtswetenschap stond nog in haar kinderschoenen. Er waren maar twee universiteiten in Vlaanderen. Er waren geen voltijdse Vlaamse rechtsfilosofen aan deze universiteiten. Dit alles zou eigenlijk pas vanaf de jaren zeventig veranderen.

    • 3. Vlaanderen en de VWR: de periode 1950-1970

      In de jaren vijftig en zestig gaf geen enkele Vlaming een preadvies. Enkelen namen occasioneel deel aan vergaderingen en uitzonderlijk namen ze het woord in het debat: Van Goethem in 1950 (Handelingen, p. 18-20); De Meyere in 1954 (Handelingen, p. 31-32); René Victor in 1961 (Handelingen, p. 18-24). Dit is de magere Vlaamse oogst binnen de VWR aan het einde van de jaren zestig. Van Goethem was in die periode het actiefste Vlaamse lid en bekleedde drie maal een driejarig bestuursmandaat tussen 1952 en 1970. Geen van al die leden was een professioneel rechtsfilosoof. Sommigen hadden een filosofische vorming, naast een juridische, en/of een vak rechtsfilosofie in hun onderwijspakket, maar wetenschappelijk waren ze niet of nauwelijks actief op dit terrein.

      Op de VWR-vergadering van 16 december 1950 nam de Leuvense hoogleraar Fernand Van Goethem (1895-1974) het woord in de discussie over democratie. Van Goethem studeerde rechten, filosofie en politieke wetenschappen te Leuven en behaalde er een doctoraat in de filosofie in 1923. Vanaf 1925 doceerde hij burgerlijk recht, sociaal recht en internationaal recht te Leuven. Hij publiceerde veel in die domeinen, maar in de (rechts)filosofie was hij niet meer actief. Hij had wel een grote maatschappelijke betrokkenheid, waardoor de in de VWR behandelde thema’s in de jaren vijftig en zestig (recht en onrecht, democratie, waarde van de grondwet, e.d.) hem sterk aanspraken. Hij werd het eerste Vlaamse bestuurslid in de VWR, van 1952 tot 1955 en nogmaals van 1961 tot 1964, en opnieuw van 1967 tot 1970. Hij heeft een actieve inbreng gehad in de VWR. Zo deelde de voorzitter op de vergadering van 17 december 1960 mee:

      ‘Ingekomen is een brief van het lid der der vereniging Prof.Mr.F.Van Goethem, waarin deze er de aandacht op vestigt, dat het houden van een jaarvergadering te Brussel of Antwerpen de belangstelling voor de vereniging aan Belgische zijde wellicht zou bevorderen. Het bestuur zal de mogelijkheden voor het houden van een vergadering in België in zijn overwegingen betrekken.’ (Handelingen XXXXIV, 1961, p. 4)

      De vergaderingen hadden sinds 1928 ononderbroken in Den Haag plaatsgevonden (en dit tot 1976) en voordien ook enkele malen in Amsterdam, maar nooit in een andere Nederlandse stad.15xBehalve de allereerste vergadering op 21 juni 1919 die in Leiden doorging. Brussel of Antwerpen zal dus in de jaren zestig nog wel erg ver geleken hebben voor het VWR-bestuur. Het duurde nog bijna twintig jaar voor er uiteindelijk een vergadering plaatsvond in Vlaanderen, in Antwerpen, in 1979.

      Op 18 december 1954 kwam ‘Dr. Jan de Meyer (Leuven)’ tussen in de discussie over gerechtigheid in de internationale verhoudingen (Handelingen XXXIX, 1955, p. 31-32). Jan De Meyer (1921-2014) was toen een jonge docent aan de KU Leuven, onder meer belast met het keuzevak Wijsbegeerte van het Recht (vanaf 1952), maar wiens hoofdopdracht vanaf 1954, in onderwijs en in onderzoek, in het staatsrecht lag. Later werd hij nog senator (1980-1981) en, na zijn emeritaat, rechter in het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (1986-1998). Ook hij was dus geen rechtsfilosoof, maar een sterk maatschappelijk betrokken jurist. Wellicht was 18 december 1954 de enige passage van Jan De Meyer in de VWR.

      In 1955 werd Jean Haesaert (Gent) opgenomen in het bestuur van de VWR (tot 1958). Jean Haesaert (1892-1961) was hoogleraar aan de Gentse universiteit van 1925 tot 1961, onder meer voor de vakken ‘Natuurrecht’ en ‘Sociologie’. Hij publiceerde in 1935 ‘Schets van een Algemeene Rechtsleer’,16xAntwerpen: De Sikkel, 278 blz. een degelijk en kritisch overzicht van de rechtstheorie op dat ogenblik. In 1951 publiceerde hij een ‘Leidraad bij de leergang van Natuurrecht’ (2e uitgave in 1955).17xGent: Standaard Boekhandel, 225 blz. Verder waren de meeste van zijn publicaties in het Frans. In zijn onderzoek oriënteerde hij zich evenwel hoofdzakelijk op de sociologie.18xZie over J. Haesaert verder: René Victor, Het werk van prof. J. Haesaert, Brussel: Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, 1963, 227 blz. Tevens bekleedde hij belangrijke beleidsfuncties.19xO.m. rector van de Gentse universiteit (1938-1939 en ook nog waarnemend in 1940) en vast secretaris van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen (1944-1961). Uit niets blijkt echter dat hij ooit aanwezig is geweest op een vergadering of anderszins iets betekend heeft voor de VWR.

      Op 17 december 1955 wordt mr. E. Jaspar als overleden lid uit België vermeld. Vermoedelijk gaat dit om Edmond Jaspar (1906-1955), een Nederlands diplomaat, afkomstig uit Maastricht, die van 1946 tot 1955 de eerste secretaris-generaal van de Benelux was en in Brussel (Ukkel) woonde. Het gaat dus niet om een Belg, maar om een Nederlander die toen in België woonde.

      In 1958 zou René Victor Haesaert opvolgen in het bestuur. In 1961 op zijn beurt opgevolgd door Van Goethem. De Vlaamse vijver waaruit de VWR kon putten, was blijkbaar zeer klein. In 1964 komt er echter vers bloed in het bestuur, met name Willy Calewaert. Willy Calewaert (1916-1993) werd in 1958 docent, later hoogleraar strafrecht aan de Gentse universiteit. Zijn leeropdracht omvatte ook het plichtvak ‘Natuurrecht’ (opvolging J. Haesaert) en later het keuzevak ‘Rechtsfilosofie’. In de jaren zestig was Calewaert met enige regelmaat aanwezig op de vergaderingen van de VWR,20xNaar mij in het begin van de jaren zeventig mondeling werd gezegd door J.J.M. van der Ven en I. Kisch. en was lid van het bestuur van 1964 tot 1967, maar een professionele rechtsfilosoof was hij niet. Naast zijn voltijdse functie aan de Universiteit Gent, was hij ook nog advocaat in Antwerpen en, vooral, politicus in Brussel: van 1968 tot 1981 was hij ononderbroken parlementslid en herhaaldelijk minister. Hij behoorde tot de linkerzijde van de socialistische partij. Twee van zijn medewerkers werden later voltijds academisch actief in de meta-juridica: Frank Van Dun en Boudewijn Bouckaert (zie verder).

    • 4. Vlaanderen en de VWR: de periode 1970-2018

      4.1. Het einde van de jaren zestig: een scharniermoment

      De jaren zestig zijn op vele gebieden een scharniermoment geweest in de maatschappelijke ontwikkelingen. Ook in de geschiedenis van de VWR is dit merkbaar, reeds in de titel van R.A.V. van Haersoltes preadvies in 1970, ‘Een nieuw rechtstheoretisch klimaat’. In die periode werd elk gezag in vraag gesteld, evenals de legitimatie van de Staat en van de rechter die enkel op dit gezag steunde. In de rechtsfilosofie hield dit een verschuiving in van natuurrechtsdenken naar minder absolute vormen van filosofie, zoals hermeneutiek of taalfilosofie, en meer aandacht voor rechtstheoretische dan zuiver (rechts)filosofische thema’s. Demografisch was er een toenemende jonge bevolking die, door de gestegen welvaart, in veel grotere mate universitaire studies, en dus ook rechtsstudies aanvatte. Dit leidde tot meer rechtsfaculteiten en binnen die faculteiten tot een veel betere omkadering. Tot het einde van de jaren zestig waren er in Vlaanderen maar twee universiteiten, in 1970 vijf. In de jaren vijftig waren er in de Gentse rechtsfaculteit, naast de professoren, amper twee medewerkers, in de jaren zeventig waren er al tientallen (en vandaag honderden). Dit alles leidde tot een substantiële uitbreiding van het aantal doctorandi en professoren die wetenschappelijk actief waren op het gebied van rechtstheorie en/of rechtsfilosofie. Tot 1970 zag de VWR uit Vlaanderen enkel professoren die hoofdzakelijk op andere gebieden van het recht werkzaam waren, of zelfs buiten de universiteit of buiten het recht. Ook in Nederland vormden de professionele rechtsfilosofen tot de jaren zestig trouwens een minderheid binnen de VWR.

      4.2. Professionalisering en verjonging

      Vanaf 1970 zet zich dan een professionalisering en verjonging 21xReeds in 1968 en 1969 merkte de toenmalige voorzitter van de VWR bij het begin van de vergadering op dat er opmerkelijk veel nieuwe, jonge leden waren toegetreden. van de VWR door. Van een plaats van filosofische reflectie voor praktijkjuristen en professoren werkzaam in diverse gebieden van het recht, evolueerde de VWR naar een ontmoetingsruimte voor professionals die aan elkaar hun lopend onderzoek presenteren op het vlak van rechtstheorie en rechtsfilosofie (een eerste maal, als VWR-vergadering, in Utrecht op 11 mei 1990). Dit ging evenwel ten koste van de band met de rechtspractici, die zo kenmerkend was voor de VWR in de eerste helft van haar bestaan. Tot 1977 vergaderde de VWR vrijwel ononderbroken in een zittingszaal van de Hoge Raad, meestal ook in aanwezigheid van een magistraat van dit Hof.22xDe voorzitter van de VWR van 1970 tot 1977, G.E. Langemeijer, was procureur-generaal bij de Hoge Raad en doceerde deeltijds rechtsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam; zie over de band van de VWR met de Hoge Raad in vroegere jaren: C.J.H. Jansen, ‘De oprichting van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts in historisch perspectief’, R&R 1995, 26-41, op p. 37. Daarna werd een tijd het neutrale en centraal gelegen Jaarbeursgebouw in Utrecht de gebruikelijke vergaderplaats, naast, vanaf 1979, regelmatig vergaderingen in Antwerpen23xSteeds in de rechtsfaculteit van de toenmalige UFSIA, in het gebouw aan de Rodestraat 12-14. (in 1979, 1981, 1983, 1984, 1985 en 1987) om uiteindelijk, vanaf 1990, afwisselend steeds door te gaan in een van de Nederlandse (een eerste maal in april 1973 aan de VU) of Vlaamse universiteiten. De doodsteek voor de deelname van rechtspractici aan VWR vergaderingen kwam er echter door de verschuiving van de vergaderingen van zaterdag naar vrijdag. VWR-vergaderingen waren niet langer een intellectuele vrijetijdsbesteding voor de meeste leden, maar een deel van hun job. Een vervrouwelijking24xTot 1967 (preadvies Alida Bos) waren er geen actieve vrouwelijke VWR-leden. De Vlaamse inbreng binnen de VWR blinkt overigens ook nadien niet uit in vrouwelijke aanwezigheid. en nieuwe rolpatronen eisten dat de (jongere) leden op zaterdag beschikbaar waren voor hun gezin. Vanaf 1990 werden de voorjaarsvergaderingen ‘onderzoeksdagen’ die plaatsvonden op een vrijdag. Een eerste voorjaarsvergadering was al in april 1978 op een vrijdag georganiseerd, te Utrecht, maar dan wel ’s avonds (16.00-22.00 uur). Vanaf 1994 werden ook de najaarsvergaderingen op vrijdag georganiseerd. Vanaf 1999 was er zelfs geen vaste weekdag en kon de VWR-vergadering evengoed op maandag (18 december 2000), dinsdag (21 december 1999), woensdag (23 mei 2001) of donderdag (10 juni 1999) plaatsvinden. De laatste twee decennia werden heel wat pogingen ondernomen om de band met de rechtspraktijk te herstellen, met toch enig succes, ook met vergaderingen op vrijdag, door de keuze van thema’s die relevant zijn voor de rechtspraktijk en de uitnodiging van prominente rechtspractici als sprekers. De sterkere band met het Nederlandse positief recht maakte die vergaderingen dan weer minder relevant voor de Vlaamse leden. Omgekeerd waren tweedaagse conferenties die deels op zaterdag doorgingen (in 2006 en 2008) geen succes wat de participatie van VWR-leden op zaterdag betrof.

      Een ander gevolg van de toegenomen belangstelling voor rechtsfilosofie en rechtstheorie was het optrekken van het aantal vergaderingen van één naar twee per jaar. Van 1920 tot 1925 waren er voorjaars- én najaarsvergaderingen, en ook van 1946 tot 1948, maar voor het overige was er tot en met 1971 enkel één (najaars)vergadering per jaar. Vanaf 1972 werd dit ritme verdubbeld.25xOp voorstel van prof. Damiaan Meuwissen (Groningen) (zie uitnodiging Algemene Vergadering VWR voor 11 december 1971). Vanaf 2004 werden dit ‘winter‘- en ‘zomer’-vergaderingen,26xE-mail van Sanne Taekema van 13 oktober 2004. deels omdat de ‘najaarsvergaderingen’ vanaf 2003 regelmatig in januari doorgingen en, vanaf 2012 eerder in februari, dus niet meer in het najaar maar wel in de winter plaatsvonden.

      Ook de omvorming van de ‘Handelingen’ van de VWR (waarin enkel de preadviezen en discussies verschenen) tot een volwaardig tijdschrift, vanaf 1972, was zowel een gevolg als een oorzaak van toenemende belangstelling voor de VWR,27xZie hierover meer uitgebreid: Corjo Jansen, Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (p. 176-178 in dit nummer). ook in Vlaanderen.

      4.3. Internationalisering

      De professionalisering ging gepaard met een ruimere internationalisering en een stijgend gebruik van het Engels bij lezingen en in R&R. Nummer 1994/3 werd aldus het eerste volledig Engelstalige nummer, een ‘special’ Law, Rhetoric and Literature. Waar in de jaren zeventig (Perelman) en tachtig (Ost, Van de Kerchove, Haarscher) nog teksten van Franstalige Belgen in het Frans werden gepubliceerd, zien we vanaf de jaren negentig, naast de Nederlandstalige, enkel nog Engelstalige teksten in het tijdschrift.28xOok al bleef het beleid dat ook teksten in het Frans of Duits gepubliceerd konden worden (volgens een interne nota binnen de redactie, van het einde van de jaren negentig naast Nederlands en Engels, enkel nog het Duits), maar de jongere generaties hebben nog onvoldoende toegang tot deze talen, daar waar de generaties voor 1970 Frans en Duits (en soms ook Latijn en Oud-Grieks) meestal beter beheersten dan het Engels.

      Internationalisering en verjonging zijn in 2010, volgens het jaarverslag, de speerpunten van het beleid.

      Het tijdschrift krijgt een Engelse naam, eerst als toevoeging bij Rechtsfilosofie & Rechtstheorie. Vanaf 2012 verandert de naam in Netherlands Journal for Legal Philosophy. De rechtstheorie is hierbij in de naam weggevallen, maar dit is niet merkbaar aan de inhoud van het tijdschrift. Ook de redactieraad wordt, in 2015, geïnternationaliseerd: de helft van de redactieleden zijn niet-Nederlandstalig en niet verbonden aan een universiteit in de Benelux. In toenemende mate worden Engelstalige artikelen opgenomen, meestal onder de vorm van één nummer per jaargang als volledig Engelstalige ‘Special Issue’. Van dan af worden ook de verslagen van de redactieraad in het Engels gesteld.

      Deze internationalisering leidt tot een verzwakking van de aandacht in Nederland voor Vlaanderen, en in Vlaanderen voor Nederland. Het buitenland, in het bijzonder de Engelstalige wereld, is nu eenmaal veel groter dan het kleine Vlaanderen of het wat grotere Nederland. Zo verdwijnen in 2015 al de Vlamingen uit de redactieraad.

      Ook werven universiteiten, in Noord en Zuid, in toenemende mate buitenlanders aan, als onderzoeker of als hoogleraar. Zij hebben meestal geen behoefte aan een Nederlandstalig onderonsje,29xZo is George Pavlakos, thans hoogleraar in Glasgow, toch een tiental jaar hoofddocent Rechtsfilosofie geweest aan de universiteit Antwerpen, maar nooit betrokken bij de VWR. Hij was overigens in die periode internationaal zeer actief, maar zijn kennis van het Nederlands bleef beperkt. als zij al het Nederlands voldoende beheersen.

      De publicatiedruk maakt Engelstalige publicaties wenselijk, zo niet noodzakelijk voor Vlamingen en Nederlanders. Bovendien leidt een doorgedreven specialisatie binnen rechtsfilosofie en rechtstheorie tot een stijgende behoefte aan een meer internationaal, voldoende ruim forum voor de wetenschappelijke discussie.

      4.4. De VWR in Vlaanderen in de jaren zeventig

      Voor de activering van de VWR in Vlaanderen was cruciaal het bezoek van Langemeijer en Ter Heide, toen voorzitter en secretaris van de VWR, aan de Gentse rechtsfaculteit in 1971, op uitnodiging van de toen jonge hoogleraar procesrecht Marcel Storme (1930-2018), die in 1971 een colloquium organiseerde over ‘Taak en opleiding van de magistraat’.30xDe bijdragen van M. Storme, G.E. Langemeijer, J. Ter Heide, J.C.M. Leyten en J. Matthijs werden gepubliceerd in Tijdschrift voor Privaatrecht 1973, p. 1-127, en ook afzonderlijk als boek gepubliceerd, als deel IV in de Bibliotheek van Gerechtelijk Recht, Gent, Drukkerij Erasmus, 1973. In de marge daarvan polsten Langemeijer en Ter Heide naar een mogelijk grotere deelname van Vlamingen aan de VWR activiteiten en aan haar toen pas opgerichte tijdschrift R&R. Een resultaat hiervan was de opname in de redactieraad van Mark Van Hoecke, toen nog student in Gent, maar vanaf oktober 1972 medewerker Inleiding tot het Recht in Antwerpen (UFSIA) en doctorandus bij Marcel Storme in Gent.

      In 1973 verscheen Walter Van Gervens ‘Beleid van de Rechter’. Dit boek had een grote weerklank, ook in Nederland. Het onderwerp stond in die jaren erg in de belangstelling, maatschappelijk gezien en binnen de universitaire wereld. Toen kwamen ze zelfs met hele bussen van Rotterdam (studenten en medewerkers van Ter Heide) naar een lezing van Van Gerven in Antwerpen. Rechtsvinding was hét thema in de jaren zeventig, maar ook al in de beginperiode van de VWR (zie bijvoorbeeld het Algemeen Deel van Paul Scholten en voordien zijn bijdrage in de Handelingen van de VWR, 1921, 43),31xZie hierover C.J.H. Jansen, ‘De oprichting van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts in historisch perspectief’, R&R 1995, 26-41, op p. 29-30: ‘De discussies over de rechtsvinding overspoelden tot de Tweede Wereldoorlog (en ook daarna) de tijdschriften en geleerde genootschappen.’ (p. 30). en is eigenlijk van alle tijden.32xZie voor Nederland in de jaren zestig en zeventig: Corjo Jansen, Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (p. 165-184 in dit nummer).

      In Antwerpen richtten in 1973 enkele derdejaarsstudenten in de rechten de ‘Universitaire Kring Rechtstheorie Antwerpen’ op: Mark Lambrechts, die later hoofdzakelijk werkzaam zou zijn in de banksector en een actief VWR-lid werd, Joris De Jonghe, die later priester zou worden en thans vicaris-generaal is van het bisdom Gent, en Filip Reyntjens, die later hoogleraar in Antwerpen zou worden, vooral gespecialiseerd in de problematiek van ontwikkelingslanden. Zij organiseerden in Antwerpen in de daaropvolgende jaren diverse rechtstheoretische en rechtsfilosofische lezingen en zelfs ‘Langemeijer-dagen’, in aanwezigheid van de toenmalige VWR-voorzitter.

      Dit alles stimuleerde in de jaren zeventig de participatie in de VWR van jonge Vlaamse doctorandi, naast Van Hoecke (Antwerpen) waren dit: Boudewijn Bouckaert en Frank Van Dun in Gent, Jef Van Bellingen in Brussel, René Foqué en Jan Van Peteghem in Leuven, en in de jaren tachtig ook nog Fernand Tanghe (toen Leuven) en Harry Willekens (Antwerpen, later Tilburg en daarna Mannheim), Serge Gutwirth en Luc Wintgens in Brussel, en Koen Raes in Gent. Op Van Peteghem na, hebben ze allen een voltijdse academische loopbaan gehad en waren ze onderzoeksmatig actief in de rechtsfilosofie (Van Dun, Van Bellingen, Foqué, Tanghe, Wintgens) en/of rechtstheorie (Bouckaert, Gutwirth, Willekens, Van Hoecke). Allen werden, in wisselende mate, actieve VWR-leden en de meesten ook redactielid van R&R en/of bestuurslid. Een preadvies voor de VWR gaven in de jaren zeventig: Chaïm Perelman (Brussel, wel Belg, maar niet echt een Vlaming) in 1970 over Logica en Argumentatie, in 1973 Jan Broekman en Walter Van Gerven (Leuven) over Recht en Structuralisme, en in 1979 Frank Van Dun (Gent) over De Staat als wijsgerig probleem.

      In Leuven was de Nederlander Jan Broekman in 1968 hoogleraar rechtsfilosofie geworden, wat ook de contacten vergemakkelijkte met de VWR, waarvan hij overigens van 1984 tot 1987 de voorzitter zou worden.

      De Vlamingen die in de jaren zeventig werden opgenomen in het bestuur van de VWR, behoorden tot een wat oudere generatie en hadden nog het profiel van hun vroegere collega’s, voor wie rechtsfilosofie en/of rechtstheorie vrij marginaal bleef in hun professionele activiteiten: Walter Van Gerven (1935-2015) (hoogleraar Verbintenissenrecht te Leuven), Jean Van Houtte (°1935) (hoogleraar sociologie en rechtssociologie te Antwerpen), Jan Gijssels (1929-2010) (hoogleraar publiek recht te Antwerpen), Frans De Pauw (1929-2006) (hoogleraar Internationaal Recht te Brussel).

      Vanaf 1981 (Van Bellingen) zullen de nieuwe Vlaamse bestuursleden van de VWR altijd voltijdse rechtsfilosofen of rechtstheoretici zijn, behalve Mark Lambrechts, die bestuurslid was van 1985 tot 1988.

      4.5. Vlaanderen in de VWR 1980-2000

      De sterkste Vlaamse aanwezigheid in de VWR was er in de jaren tachtig, in het bestuur, in aanwezigheid en interventies op vergaderingen, en in bijdragen in het tijdschrift R&R. Een generatie van jong gedoctoreerden maakte toen haar weg in rechtsfilosofie en rechtstheorie. Geleidelijk wordt een VWR-netwerk uitgebouwd met institutionele contactpersonen aan alle Vlaamse rechtsfaculteiten: in 1980 nog enkel Jan Gijssels (Antwerpen) ‘voor België’, vanaf 1984 is er in elke Vlaamse (en Nederlandse) rechtsfaculteit een VWR-contactpersoon.33xZie de binnenkaft van R&R 1984/2, waar vermeld staan: Antwerpen: J. Gijssels (UFSIA) & Marc Van Quickenborne (UIA); Brussel: F. De Pauw (VUB) & M. Van Hoecke (UFSAL); Gent: B. Bouckaert; Leuven: J. Broekman. Op Van Quickenborne na waren ze allen zeer actief binnen de VWR en gedurende een aantal jaren bestuurslid.

      Preadviezen zijn er van Jacques Steenbergen (Leuven) in 1981 over Interpretatie van het Europees Recht, Mark Van Hoecke (Brussel, UFSAL) in 1984, over Theorie en Methode van de Rechtsdogmatiek, Boudewijn Bouckaert (Gent) en Josse Mertens de Wilmars (Leuven) in 1986, over de Grondslagen van het Europees Recht, Koen Raes (Gent) en Jan Van Peteghem (Leuven) in 1987, over Critical Legal Studies, en Boudewijn Bouckaert (Gent) en Guy Haarscher (Brussel, ULB) in 1989 over Mensenrechten.

      Vanaf eind 1979 was René Foqué (eerst Leuven, later Tilburg en Rotterdam en vanaf 1996 weer Leuven) lid van de redactie van R&R. Hij schreef commentaren uit de redactie in 1980, 1986 en 1990. Jef Van Bellingen (Brussel, VUB) doet dit in 1979.

      Vanaf 1981 verschijnen voor het eerst, en van dan af regelmatig, (grondige) recensies van publicaties van collega’s, verbonden aan een Vlaamse universiteit.

      Later zouden sommigen van deze generatie de academische wereld verlaten (bijv. Van Peteghem, die advocaat werd in Sint-Niklaas) of deels een andere weg inslaan op het vlak van onderzoek (bijv. Law & Economics: Bouckaert en de Geest, of (Theorie van de) Rechtsvergelijking: Van Hoecke), maar ook meer internationaal opereren, buiten het Nederlandse taalgebied.

      Ook volgde vanaf de jaren negentig, maar vooral na 2010, een zekere afbouw van leerstoelen Rechtsfilosofie en Rechtstheorie in Vlaanderen.34xIn 2008 waren Bouckaert, Raes en Van Hoecke voltijdse hoogleraren in Gent. Na het overlijden van Raes (2011) en het emeritaat van Bouckaert (2012) en Van Hoecke (2014) werd dit aantal tot nul herleid en alle onderwijs in rechtsfilosofie en rechtstheorie van het programma afgevoerd. Toen in 1998 te Leuven in de opvolging moest worden voorzien voor het onderwijs in de Rechtstheorie werd René Foqué onder druk gezet om dit er in zijn leeropdracht bij te nemen, zodat men deze aanstelling kon wegbesparen. In Antwerpen werd het Centrum voor Rechtstheorie na het emeritaat van Jan Gijssels (1993) opgedoekt.

      In de drie, goedgevulde, nummers van de jaargang 1993 bijvoorbeeld is er geen spoor van Vlaamse aanwezigheid, noch in bijdragen noch in aanwezigheid op VWR-vergaderingen. Ook een toegenomen aanbod aan congressen en studiedagen, gekoppeld aan een sterkere specialisatie35xZie daaromtrent reeds C.J.H. Jansen, ‘De oprichting van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts in historisch perspectief’, R&R 1995, 26-41, op p. 35. Later worden binnen de VWR ‘themagroepen’ opgericht, die apart (kunnen) vergaderen. Bij de presentaties van onderzoek zijn er vaak parallelle sessies. van de besproken thema’s heeft in het algemeen geleid tot een relatieve daling van de aanwezigheid ondanks de stijging van het aantal (jonge) onderzoekers, die individueel al eens aan vergaderingen deelnamen, maar niet op een systematische wijze en zonder engagement binnen de VWR. Toch is de Vlaamse deelname in de jaren negentig nog zeer reëel.

      Vooral in de jaren tachtig en negentig had de nieuwe generatie rechtstheoretici en rechtsfilosofen zowat alle relevante leerstoelen (m.i.v. ‘Inleiding’ en ‘Encyclopedie’) ingenomen in Vlaanderen (en ook in Nederland36xZie: Corjo Jansen, Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (p. 182 in dit nummer).): Marc Van Quickenborne (1944-2009), Fernand Tanghe (°1948) en, van 1997 tot 2011, Maurice Adams (°1964) in Antwerpen, Mark Van Hoecke (°1949) en Luc Wintgens (°1959) aan de KU Brussel, Jef Van Bellingen (°1952) en Serge Gutwirth (°1960) aan de VU Brussel, Boudewijn Bouckaert (°1947) en Koen Raes (°1954) te Gent en René Foqué (°1946) in Leuven Maurice Adams, een Nederlander (maar meer Vlaming dan Hollander) die tot een wat jongere generatie behoort, was eerst onderzoeker in Leuven en Brussel voor hij docent werd te Antwerpen, in opvolging van F. Van Neste. Hij was in die periode erg actief in de VWR, onder meer als bestuurslid en als voorzitter van de redactieraad van R&R, maar werd in 2007 hoogleraar te Tilburg en werd in Antwerpen, waar hij nog deeltijds bleef tot 2011 (als rechtstheoreticus) niet vervangen.

      Deze generatie had zich sterk geprofileerd in de jaren tachtig, onder meer in en via de VWR. Dit verminderde in de jaren negentig, vooral omwille van een sterkere internationalisering en/of een verschuiving van de focus in het onderzoek. Bouckaert startte in Gent in 1991 een Master in Law & Economics met een Europees consortium. Van Hoecke en Ost organiseerden vanaf 1989 ‘Erasmus Seminars in Legal Theory’ te Brussel en vanaf 1992 (tot 2009) een Master in Legal Theory (thans verder voortgezet in Frankfurt). Toch was deze generatie in de jaren negentig nog prominent aanwezig in de VWR, als co-referent, met Commentaren uit de Redactie, boekbesprekingen of andere publicaties in R&R.
      Frank Van Dun (Gent) is co-referent in 1990, Jef Van Bellingen (Brussel, VUB) in 1996.
      Commentaren uit de redactie waren er in 1994 van Mark Van Hoecke (Brussel, KUB), in 1995 van Jef Van Bellingen (R&R 1995/1), van Koen Raes (Gent) (R&R 1995/2) en van Frank Van Dun (Gent) (R&R 1995/3), in 1997 van Mark Van Hoecke (Brussel, KUB), en in 2000 van Serge Gutwirth (Brussel, VUB) en van Mark Van Hoecke (R&R 2000/1), Paul De Hert (Brussel, VUB) en Serge Gutwirth (R&R 2000/3).

      Ook op VWR-vergaderingen waren zij nog regelmatig aanwezig.
      Op 14 december 1991 gaat de VWR-vergadering voor de eerste maal door in een andere Vlaamse stad dan Antwerpen, met name in Gent, maar nadien, tot 2006, enkel nog aan Nederlandse universiteiten.

      4.6. Vlaanderen in de VWR 2000-2018

      Na 2000 telt zowel het VWR-bestuur als de redactie van R&R gedurende een tiental jaar geen Vlaamse leden meer. De redactieraad, waarvan overigens weinig of niets gevraagd werd, behield nog enkele leden van de intussen oude garde: Van Bellingen, Foqué, Van Hoecke en zelfs Ost. Vanaf 2002 vervoegde ook Serge Gutwirth (Brussel, VUB) de redactieraad. Behalve in 2006 (Antwerpen) en 2014 (Gent) gaan de vergaderingen in deze periode steeds door aan een Nederlandse universiteit of – en dat is nieuw – hogeschool.37xHogeschool Utrecht in 2009, Roosevelt University College in Middelburg in 2015.

      Een jongere generatie diende zich aan, maar moest meestal, bij gebrek aan perspectieven, de universiteit verlaten. Op de onderzoeksdagen van de VWR kwamen dan ook vrij veel jonge Vlaamse onderzoekers eenmalig hun onderzoek presenteren zonder later nog ooit op te dagen op VWR-vergaderingen of iets te publiceren in R&R/NJLP. Van 2000 tot en met 2018 verschijnen in R&R/NJLP bijdragen van 36 verschillende auteurs verbonden aan een Vlaamse universiteit of een andere instelling (hogeschool, Nationale Bank), maar slechts tien namen komen minstens één maal terug: Maurice Adams (Antwerpen), die in het begin van deze periode ook lid en voorzitter van de redactie was; Raf Geenens (die in Leuven deels Foqué opvolgde), die in 2014 toetrad tot de redactie; Nora Timmermans, doctoranda in Leuven bij Raf Geenens; Fernand Tanghe, die tot 2015 lid was van de redactieraad; Serge Gutwirth (Brussel, VUB), die de hele periode lid was van de redactieraad, Mark Van Hoecke (Brussel, KUB; vanaf 2008 Gent), Erik Claes (Leuven), Paul De Hert (Brussel, VUB). René Foqué (Leuven) bleef nog tot 2015 lid van de redactieraad, maar publiceerde niet meer in R&R/NJLP. Ook Boudewijn Bouckaert en Frank Van Dun (Gent) waren niet meer actief binnen de VWR. Gerrit De Geest (Gent, nadien Utrecht) was inmiddels hoogleraar geworden in de VS. Van de andere Vlaamse auteurs waren er acht professioneel actief in een tak van het positief recht. Enkelen waren niet-juristen en niet-rechtsfilosofen, maar algemeen filosofen, sociologen, antropologen en dergelijke, die uitgenodigd waren als spreker op een VWR studiedag. De kleine helft van deze 37 Vlaamse auteurs is na enkele jaren voltijds in de meta-juridica te hebben gewerkt, noodgedwongen een andere richting uitgegaan.

      Dit alles moet men ook kaderen in de algemene ontwikkeling van de universitaire loopbaan. Vóór de jaren zeventig waren er nauwelijks voltijdse professoren in de rechtsfilosofie of rechtstheorie. Het waren meestal specialisten in een bepaalde rechtstak die ook nog een rechtsfilosofisch vak doceerden. Tot en met 1971 studeerde men in België af als ‘doctor in de rechten’ en had men geen doctoraat op proefschrift nodig voor een academische loopbaan en zelfs nauwelijks publicaties. Tot 1991 kon men als medewerker (‘assistent’) vast benoemd worden (als ‘eerstaanwezend assistent’ en ‘werkleider’) en dus aan de universiteit blijven tot pensioenleeftijd. Bij sommige universiteiten was dit vrijwel een automatisme na het behalen van het doctoraat. Aan de Gentse universiteit evenwel zat men in de jaren tachtig met veel te hoge personeelsuitgaven en aldus kon bijvoorbeeld Frank Van Dun niet vast benoemd worden en trok hij naar Maastricht. Na 1991 kwamen er veel meer onderzoekers door een forse toename van de onderzoekfinanciering, maar het loopbaanperspectief werd veel minder aantrekkelijk: na vier jaar (zes jaar voor onderwijsmedewerkers) dient het doctoraat er te liggen. Een beperkte groep gedoctoreerden kan dan een postdoctorale aanstelling krijgen, voor twee of drie jaar, soms verlengbaar (enkel bij het FWO) tot maximaal zes jaar. Indien men intussen geen vaste (of tenure track) aanstelling heeft gekregen, is het gedaan. Aldus moest Bart Du Laing na drie jaar FWO postdoc aan de KU Brussel en daarna nog drie jaar aan de UGent in 2011 noodgedwongen de academische wereld verlaten. Erik Claes werd docent aan een hogeschool in Leuven (later in Brussel), met veel minder ruimte voor onderzoek dan aan de universiteit. Anderen verlieten het Nederlandse taalgebied: zo werd Gerrit De Geest, zoals hoger reeds vermeld, na zijn doctoraat in Gent docent in Utrecht en later hoogleraar in de VS.

      Door de tijdsdruk zijn doctoraten ook meestal minder breed van aanpak en minder grondig qua uitwerking geworden. Het wordt wel heel moeilijk om als jonge doctorandus nog een ‘meesterwerk’ te produceren dat bijblijft.

      Regelmatig terugkerende besparingen en de toename van nieuwe vakgebieden zetten de meta-juridische vakken onder druk. In Antwerpen werden noch Adams noch Tanghe vervangen. Hetzelfde geldt in Gent voor Bouckaert, Raes en Van Hoecke. In Leuven werd Foqué niet vervangen door een rechtsfilosoof, maar door een politieke filosoof (eerst kort Stefan Rummens,38xKomende van de Nijmeegse universiteit en toen al erg actief binnen de VWR. daarna Raf Geenens). Wel werd in 2013 de Franstalige Arthur Dyèvre te Leuven benoemd op een vacature voor Rechtstheorie. Ook in Brussel werd Van Bellingen niet opgevolgd als rechtsfilosoof.

      In de publicaties in R&R zien we na 2000 een toenemende aanwezigheid van Vlaamse specialisten in een bepaalde tak van het recht, niet in rechtsfilosofie of rechtstheorie. Terug naar de sixties dus wat de Vlaamse inbreng in de VWR betreft. Eva Brems (mensenrechten, Gent), Alain Verbeke (burgerlijk recht, Leuven), Tom Daems (strafrecht, Leuven), Adriaan Overbeeke (publiek recht, Antwerpen), Matthias Storme (privaatrecht, Leuven en Antwerpen) treden, eenmalig, op in VWR-vergaderingen. De Vlaamse inbreng in het tijdschrift en op VWR-vergaderingen na 2000 gebeurde vooral

      • in de hoedanigheid van referenten bij de ‘key note’ lezingen: M. Van Hoecke (Brussel, KUB; vanaf 2008 UGent) in 2000 en 2014, Stefan Rummens (in 2010 nog Nijmegen, maar kort erna Leuven) in 2010, 2013 en 2016; Tinneke Beeckman (Brussel, VUB) in 2012;

      • via onderzoekspresentaties op VWR-vergaderingen:Erik Claes (Leuven) en Pieter Dehon (Brussel, VUB) in 2006; Bart Du Laing en Luc Wintgens (Brussel, KUB), Paul De Hert en Karen Meersschaut (Brussel, VUB) in 2007, Stefan Somers (Brussel, VUB) in 2012;

      • via de Commentaar uit de redactie: Paul De Hert en Serge Gutwirth (Brussel, VUB) in R&R 2000/3; Maurice Adams (Antwerpen) in R&R 2003/2; Erik Claes (Leuven) in R&R 2005/3, 2006/1;

      • bijdragen in R&R/NJPL: Erik Claes (Leuven) in R&R 2002/2, 2003/2; Eva Brems (Gent) in R&R 2003/2; Alain Verbeke (Leuven) in2005/1; Koen Lemmens (Leuven) in R&R 2005/2, 2007/2; Maurice Adams (Antwerpen) in R&R 2005/3, 2008/3; Koen Raes (Gent) in R&R 2005/3; Fernand Tanghe in R&R 2005/3, 2007/1; Philippe Thion (Brussel, KUB) in R&R 2006/2; Rik Pinxten (Gent) in R&R 2006/3; Mark Van Hoecke (Brussel, KUB) in R&R 2006/3; Tom Daems (Leuven) in R&R 2007/1; Adriaan Overbeeke (Antwerpen) in R&R 2006/1; Karel Van Haesebrouck (Brussel, Erasmushogeschool) in R&R 2007/1; Bart Du Laing (Brussel, KUB) in R&R 2007/3; Paul De Hert & Karen Meersschaut (Brussel, VUB) in R&R 2007/3; Bram Goetschalckx (Antwerpen) in R&R 2008/3; Matthias Storme (Leuven en Antwerpen) in R&R 2009/1; Klaas Tindemans (Brussel, Erasmushogeschool) in R&R 2009/3; Quoc Loc Hong (Antwerpen) in R&R 2010/2; Thomas Decreus (Leuven) in R&R 2011/1; Guy Verschraegen (Antwerpen) in R&R 2011/3; Patrick Loobuyck (Antwerpen) in NJLP 2012/1; Irina Baraliuc, Sari Depreeuw & Serge Gutwirth (Brussel, VUB) in NJLP 2012/2; Leni Franken (Antwerpen) in NJLP 2015/1; Nora Timmermans (Leuven) in NJLP 2015/2; Rafael Van Damme (Leuven) in 2016/1; Dries Cools (Brussel, Nationale Bank) in 2016/1; Jogchum Vrielink (Leuven) in NJLP 2016/2; Raf Geenens & Nora Timmermans (Leuven) in NJLP 2016/2; Elke Cloots (Hasselt) in 2016/2; Stefan Rummens (Leuven) in 2016/3; Ronald Van Crombrugge (Leuven) in NJLP 2017/1; Bas Leijssenaar (Leuven) in NJLP 2017/1;

      • als lid van de redactie: Stefan Rummens (2011-2014, Raf Geenens (2014-2017) en Joghum Vrielink, postdoc in Leuven, thans docent in Brussel, aan de Université Saint-Louis (vanaf 2017);

      • de jury van de VWR-dissertatieprijs, ingesteld in 2013, die sterk Vlaams kleurt met onder meer René Foqué (Leuven), Paul De Hert (Brussel, VUB), Raf Geenens (Leuven) en Koen Lemmens (Leuven).

      Wat opvalt is het relatief grote aantal bijdragen in R&R/NJLP, 37, dus ongeveer 2 per jaar. Er zijn in totaal ook 36 verschillende auteurs, waarvan er echter slechts 6 professionele rechtsfilosofen of rechtstheoretici zijn met een vaste aanstelling aan een universiteit. De anderen zijn positiefrechtelijke juristen, filosofen, sociologen, antropologen en dergelijke, of hebben inmiddels de academische wereld verlaten. Kwantitatief lijkt er nog steeds een stevige band te bestaan tussen de VWR en Vlaanderen, maar kwalitatief is er een veel zwakkere band vergeleken met de laatste twee decennia voor 2000. De overgrote meerderheid van Vlamingen die lezingen geven op een VWR-vergadering en/of publiceren in R&R/NJLP zijn eendagsvliegen, waarbij de VWR niet of slechts kortstondig van belang is voor hun beroepsloopbaan. Zij zorgen niet voor een verankering in de rechtsfaculteiten.

    • 5. Conclusie

      De titel van deze bijdrage had kunnen luiden ‘Opkomst en teloorgang van de Vlaamse aanwezigheid binnen de VWR’. Na een zeer schuchtere participatie tussen 1935 en 1970, hebben we een geleidelijke verankering gezien van de VWR in Vlaanderen, met een grote bloei in de jaren tachtig en negentig, met jonge professoren die voltijds actief waren op het gebied van de rechtsfilosofie en/of de rechtstheorie. Na 2000 vermindert de inbreng van Vlaanderen echter in belangrijke mate. Er wordt nog vrij veel gepubliceerd in R&R/NJLP, maar nauwelijks nog door professionele rechtsfilosofen of rechtstheoretici. Institutioneel wordt de internationale (Engelstalige) dimensie van de VWR versterkt (redactieraad, sprekers), maar vermindert de Vlaamse aanwezigheid in redactie, redactieraad en bestuur. De Vlaamse aanwezigheden op VWR-vergaderingen zijn vaak eenmalig en steeds minder van professionele rechtsfilosofen of rechtstheoretici. De afbouw van de leerstoelen en zelfs van het onderwijs in deze domeinen is de belangrijkste verklaring hiervoor. Anderzijds maken snelle en nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen (bijv. migratie, klimaat, Brexit, opkomst van autoritaire regimes in Europa) een fundamentele, filosofische reflectie noodzakelijk met betrekking tot democratie, eigendom, aansprakelijkheid, soevereiniteit, en dergelijke. Misschien leidt dit tot een nieuwe positieve ontwikkeling met betrekking tot de plaats van rechtsfilosofie en rechtstheorie aan de Vlaamse universiteiten en, parallel hiermee, opnieuw een sterke Vlaamse aanwezigheid binnen de Vereniging voor Wijsbegeerte van het Recht. Laat het ons hopen.

    Noten

    • * Als bron voor dit overzicht dienden vooral de Handelingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts, en, na 1970, het tijdschrift van de VWR, WDR&R, daarna R&R, dan NJLP. Tot 1925 stonden alle aanwezigen, met hun woonplaats, afgedrukt in de Handelingen. Daarna niet meer, maar het verslag van de discussie bood een (bijna) letterlijke weergave van de interventies, met naam en toenaam. Dit liet toe de actieve deelnemers uit Vlaanderen op te sporen. In de jaren negentig werden de verslagen meer beknopte samenvattingen van de discussies en vanaf 1994 werden ook geen namen meer vermeld. Voor het overige kon ik gebruikmaken van mijn eigen VWR-archief en persoonlijke herinneringen vanaf 1973. In de jaren zeventig en tachtig heb ik aan vrijwel alle vergaderingen deelgenomen, en ook nog in grote mate daarna. Tussen 2001 en 2008 was mijn betrokkenheid bij de VWR een stuk minder door een onderzoeksverblijf in Firenze, gevolgd door de functie van rector van de KU Brussel. Van 2008 tot 2014, na mijn overgang naar de Universiteit Gent, als onderzoekshoogleraar Rechtstheorie en Rechtsvergelijking, was die betrokkenheid weer groter. Nadien weer wat minder, door mijn emeritaat in Gent (2014) en mijn aanstelling als Professor of Comparative Law aan de Queen Mary University of London. De grote meerderheid van de Vlamingen die ooit actief geweest zijn binnen de VWR heb ik persoonlijk gekend, zelfs de eerste Vlaamse pre-adviseur, in 1935, René Victor.
    • 1 Ook enkele Franstaligen worden vermeld, die verbonden waren aan een Brusselse universiteit en Nederlands begrepen: Perelman, Ost, Van de Kerchove, Haarscher. Vlamingen die evenwel hun hele loopbaan (enkel) aan Nederlandse universiteiten waren verbonden, werden niet meegenomen in dit overzicht, zoals bijvoorbeeld Désiré Scheltens (Nijmegen), Jean-Marc Piret (Rotterdam, maar thans toch te Brussel, aan de VUB) of Siegfried Van Duffel (lang in Groningen, nu in Kazachstan). Er blijven natuurlijk randgevallen. Zo werd Mireille Hildebrandt niet als ‘Vlaming’ beschouwd, ook al werd ze recent voltijds hoogleraar in Brussel (VUB), waar ze voordien al heel wat jaren een deeltijdse aanstelling had. Frank Van Dun wordt als ‘Vlaming’ beschouwd, ook al had hij het grootste deel van zijn loopbaan zijn hoofdaanstelling in Maastricht.

    • 2 De situatie was complex en bleef dat tot 2003: vanaf 1965 werden de twee eerste jaren van de juridische opleiding (‘kandidaturen’) aangeboden aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius. In 1972 werd de ‘bovenbouw’ aangeboden aan de Universitaire Instelling Antwerpen, de volgende drie jaren van de rechtsopleiding (‘licenties’). Voor kandidaturen in de exacte wetenschappen was er ook nog het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen. In 2003 werden deze drie rechtspersonen gefuseerd tot de Universiteit Antwerpen.

    • 3 In het bijzonder Jaap Hage, die intussen in Vlaanderen woont en de Belgische nationaliteit heeft, maar in Nederland enkel bekend is als Maastrichtse hoogleraar. Hij wordt voor dit overzicht als Nederlander beschouwd.

    • 4 R. Victor, ‘Het wezen van het recht’, Handelingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts, XXIII, 1935, 15-19.

    • 5 A. Reinach, Zur Phänomenologie des Rechts. Die apriorischen Grundlagen des bürgerlichen Rechts, München 1953 (herdruk van de originele uitgave van 1913).

    • 6 Handelingen VWR XXIII (2e gedeelte), 1936, p. 58.

    • 7 Victor werd in de jaren vijftig nog deeltijds docent aan de Gentse universiteit, maar zijn onderwijs omvatte er geen meta-juridische vakken.

    • 8 Zie hieromtrent zeer uitgebreid: Jan Verstraete, René Victor 1897-1984 Strijder voor het Vlaamse Rechtsleven. Biografie. Antwerpen, Uitgeverij Doorbraak, 2018.

    • 9 Zie verder over René Victor: Jan Verstraete, René Victor. Strijder voor het Vlaamse rechtsleven. Biografie. Antwerpen: Uitgeverij Doorbraak, 2018.

    • 10 In november 1919 in Den Haag: 24 deelnemers (op 44) uit Den Haag; juni 1920 in Amsterdam: 10 deelnemers (op 31) uit Amsterdam; december 1920 in Den Haag: 12 (op 37) uit Den Haag; januari 1925 in Den Haag: 8 (op 21) uit Den Haag; april 1925 in Amsterdam: 9 (op 19) uit Amsterdam.

    • 11 Prof. Van der Pot. Tot 1925 staan de namen van alle aanwezigen, met hun woonplaats, vermeld in de Handelingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts. Later enkel de namen van degenen die tussenkomen in de discussie.

    • 12 Een treinreis Groningen-Amsterdam nam in 1925 meer dan vier uur in beslag; zie https://hetutrechtsarchief.nl/onderzoek/resultaten/archieven?mivast=39&miadt=39&mizig=0&miview=lst&mizk_alle=spoorboekjes, spoorboekje binnenland 1925 onder nr. 59. De vergaderingen liepen van 11.00 tot 17.00 uur. Ook met (twee maal) vijf à zes uur verplaatsing was het dus nog mogelijk voor één dag naar Den Haag te reizen, maar wel zeer vermoeiend.

    • 13 Rechtskundig Weekblad 22 maart 1935, 1025-1036.

    • 14 Hierbij kan Victor geen rol hebben gespeeld daar hij de Brusselse universiteit (toen enkel de Université Libre, die ook onderwijs in het Nederlands aanbood) al in 1941 had verlaten en men hem na de oorlog niet opnieuw in dienst wilde nemen.

    • 15 Behalve de allereerste vergadering op 21 juni 1919 die in Leiden doorging.

    • 16 Antwerpen: De Sikkel, 278 blz.

    • 17 Gent: Standaard Boekhandel, 225 blz.

    • 18 Zie over J. Haesaert verder: René Victor, Het werk van prof. J. Haesaert, Brussel: Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, 1963, 227 blz.

    • 19 O.m. rector van de Gentse universiteit (1938-1939 en ook nog waarnemend in 1940) en vast secretaris van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen (1944-1961).

    • 20 Naar mij in het begin van de jaren zeventig mondeling werd gezegd door J.J.M. van der Ven en I. Kisch.

    • 21 Reeds in 1968 en 1969 merkte de toenmalige voorzitter van de VWR bij het begin van de vergadering op dat er opmerkelijk veel nieuwe, jonge leden waren toegetreden.

    • 22 De voorzitter van de VWR van 1970 tot 1977, G.E. Langemeijer, was procureur-generaal bij de Hoge Raad en doceerde deeltijds rechtsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam; zie over de band van de VWR met de Hoge Raad in vroegere jaren: C.J.H. Jansen, ‘De oprichting van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts in historisch perspectief’, R&R 1995, 26-41, op p. 37.

    • 23 Steeds in de rechtsfaculteit van de toenmalige UFSIA, in het gebouw aan de Rodestraat 12-14.

    • 24 Tot 1967 (preadvies Alida Bos) waren er geen actieve vrouwelijke VWR-leden. De Vlaamse inbreng binnen de VWR blinkt overigens ook nadien niet uit in vrouwelijke aanwezigheid.

    • 25 Op voorstel van prof. Damiaan Meuwissen (Groningen) (zie uitnodiging Algemene Vergadering VWR voor 11 december 1971).

    • 26 E-mail van Sanne Taekema van 13 oktober 2004.

    • 27 Zie hierover meer uitgebreid: Corjo Jansen, Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (p. 176-178 in dit nummer).

    • 28 Ook al bleef het beleid dat ook teksten in het Frans of Duits gepubliceerd konden worden (volgens een interne nota binnen de redactie, van het einde van de jaren negentig naast Nederlands en Engels, enkel nog het Duits), maar de jongere generaties hebben nog onvoldoende toegang tot deze talen, daar waar de generaties voor 1970 Frans en Duits (en soms ook Latijn en Oud-Grieks) meestal beter beheersten dan het Engels.

    • 29 Zo is George Pavlakos, thans hoogleraar in Glasgow, toch een tiental jaar hoofddocent Rechtsfilosofie geweest aan de universiteit Antwerpen, maar nooit betrokken bij de VWR. Hij was overigens in die periode internationaal zeer actief, maar zijn kennis van het Nederlands bleef beperkt.

    • 30 De bijdragen van M. Storme, G.E. Langemeijer, J. Ter Heide, J.C.M. Leyten en J. Matthijs werden gepubliceerd in Tijdschrift voor Privaatrecht 1973, p. 1-127, en ook afzonderlijk als boek gepubliceerd, als deel IV in de Bibliotheek van Gerechtelijk Recht, Gent, Drukkerij Erasmus, 1973.

    • 31 Zie hierover C.J.H. Jansen, ‘De oprichting van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts in historisch perspectief’, R&R 1995, 26-41, op p. 29-30: ‘De discussies over de rechtsvinding overspoelden tot de Tweede Wereldoorlog (en ook daarna) de tijdschriften en geleerde genootschappen.’ (p. 30).

    • 32 Zie voor Nederland in de jaren zestig en zeventig: Corjo Jansen, Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (p. 165-184 in dit nummer).

    • 33 Zie de binnenkaft van R&R 1984/2, waar vermeld staan: Antwerpen: J. Gijssels (UFSIA) & Marc Van Quickenborne (UIA); Brussel: F. De Pauw (VUB) & M. Van Hoecke (UFSAL); Gent: B. Bouckaert; Leuven: J. Broekman. Op Van Quickenborne na waren ze allen zeer actief binnen de VWR en gedurende een aantal jaren bestuurslid.

    • 34 In 2008 waren Bouckaert, Raes en Van Hoecke voltijdse hoogleraren in Gent. Na het overlijden van Raes (2011) en het emeritaat van Bouckaert (2012) en Van Hoecke (2014) werd dit aantal tot nul herleid en alle onderwijs in rechtsfilosofie en rechtstheorie van het programma afgevoerd. Toen in 1998 te Leuven in de opvolging moest worden voorzien voor het onderwijs in de Rechtstheorie werd René Foqué onder druk gezet om dit er in zijn leeropdracht bij te nemen, zodat men deze aanstelling kon wegbesparen. In Antwerpen werd het Centrum voor Rechtstheorie na het emeritaat van Jan Gijssels (1993) opgedoekt.

    • 35 Zie daaromtrent reeds C.J.H. Jansen, ‘De oprichting van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts in historisch perspectief’, R&R 1995, 26-41, op p. 35. Later worden binnen de VWR ‘themagroepen’ opgericht, die apart (kunnen) vergaderen. Bij de presentaties van onderzoek zijn er vaak parallelle sessies.

    • 36 Zie: Corjo Jansen, Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (p. 182 in dit nummer).

    • 37 Hogeschool Utrecht in 2009, Roosevelt University College in Middelburg in 2015.

    • 38 Komende van de Nijmeegse universiteit en toen al erg actief binnen de VWR.

Als bron voor dit overzicht dienden vooral de Handelingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts, en, na 1970, het tijdschrift van de VWR, WDR&R, daarna R&R, dan NJLP. Tot 1925 stonden alle aanwezigen, met hun woonplaats, afgedrukt in de Handelingen. Daarna niet meer, maar het verslag van de discussie bood een (bijna) letterlijke weergave van de interventies, met naam en toenaam. Dit liet toe de actieve deelnemers uit Vlaanderen op te sporen. In de jaren negentig werden de verslagen meer beknopte samenvattingen van de discussies en vanaf 1994 werden ook geen namen meer vermeld. Voor het overige kon ik gebruikmaken van mijn eigen VWR-archief en persoonlijke herinneringen vanaf 1973. In de jaren zeventig en tachtig heb ik aan vrijwel alle vergaderingen deelgenomen, en ook nog in grote mate daarna. Tussen 2001 en 2008 was mijn betrokkenheid bij de VWR een stuk minder door een onderzoeksverblijf in Firenze, gevolgd door de functie van rector van de KU Brussel. Van 2008 tot 2014, na mijn overgang naar de Universiteit Gent, als onderzoekshoogleraar Rechtstheorie en Rechtsvergelijking, was die betrokkenheid weer groter. Nadien weer wat minder, door mijn emeritaat in Gent (2014) en mijn aanstelling als Professor of Comparative Law aan de Queen Mary University of London. De grote meerderheid van de Vlamingen die ooit actief geweest zijn binnen de VWR heb ik persoonlijk gekend, zelfs de eerste Vlaamse pre-adviseur, in 1935, René Victor.

Print dit artikel
Button_em