Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

De nafase van rampen en crises: gedeelde zorg?

Trefwoorden recover phase, crisis, religious organizations
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Marco Zannoni, 'De nafase van rampen en crises: gedeelde zorg?', TvRRB 2011-1, p. 12-22

Dit artikel wordt geciteerd in

    • In de nafase van incidenten en rampen zijn er tal van uitdagingen. Overheden en tal van andere organisaties moeten actie ondernemen om negatieve gevolgen zo mogelijk te beperken. Dit kan gaan om medische hulp, herstelwerkzaamheden, opruimwerkzaamheden, herdenkingen en/of de afwikkeling van de schade. Religieuze organisaties kunnen een belangrijke rol hebben in de nafase, afhankelijk van het incident en de betrokken slachtoffers. Deze rol bestaat bijvoorbeeld uit geestelijke en/of sociale hulp en voorlichting. Deze rol wordt idealiter meegenomen in de planvorming en in oefeningen. Voor zowel overheden als religieuze organisaties geldt dat de onderlinge raakvlakken in de nafase meer aandacht behoeven.

    • Inleiding

      Er doen zich met enige regelmaat incidenten voor die een grote impact kunnen hebben op de samenleving: een brand, een moord, een voedselvergiftiging en dergelijke. Een dreigend incident vergt een adequate reactie om de negatieve effecten zo klein mogelijk te houden. Een voortvluchtige gevangene moet worden aangehouden, een brand moet zo snel mogelijk worden geblust en de verspreiding van een dierziekte moet worden tegengegaan. Een incident kan uitgroeien tot een crisis. Een crisis is een onzekere situatie waarin onder grote tijdsdruk belangrijke beslissingen moeten worden genomen en uitgevoerd om een dreiging weg te nemen of ten minste de gevolgen ervan te beperken. Een crisis kan ogenschijnlijk plotseling opkomen: een rampzalige gebeurtenis die direct handelen vergt, zoals een zeer grote brand met mogelijke schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Een crisis kan ook voortkomen uit een incident dat niet adequaat is of kon worden afgehandeld en ‘uit de hand is gelopen’. Een voorbeeld van dit laatste is een dierziektevirus dat toch andere bedrijven heeft besmet of een geweldsincident dat ontaardt in dagen van rellen.

      In de directe reactie op een crisis moet zo veel mogelijk worden geprobeerd om de negatieve gevolgen te beperken: mensen moeten worden gered en indien nodig worden behandeld, de materiële schade moet worden beperkt, onrust moet worden voorkomen en een eventuele vervolgdreiging moet worden weggenomen. Er is hiermee inmiddels door overheden, bedrijven en instellingen veel ervaring opgedaan. Dit geldt voor wat wij ‘crisismanagement’ noemen.

      De fase die hierop volgt krijgt in de regel minder aandacht, maar is minstens zo belangrijk: de nafase. In deze fase is alles erop gericht om terug te keren naar het ‘normale’. Een voorbeeld hiervan is het voorkomen van het posttraumatisch stresssyndroom bij directbetrokkenen en het eventueel langdurig geneeskundig behandelen van verwondingen. Ook het verontreinigde terrein moet mogelijk worden gesaneerd en er kunnen langlopende juridische procedures zijn. Belangrijk is hierbij de notie dat het terugkeren naar ‘normaal’ niet betekent dat alles weer kan worden zoals het voor de ramp of crisis was. Er is een nieuw ‘normaal’. De ramp of crisis is deel gaan uitmaken van een gezamenlijk verleden met merkbare gevolgen voor het nu en voor de toekomst. Juist in deze fase kunnen ook religieuze organisaties een belangrijke rol vervullen.

      Kleine incidenten, maar zeker rampen en crises vergen in de nafase de aandacht van overheden en andere betrokken organisaties. De nafase is niet uitsluitend de zorg van overheden. Het is bij uitstek een periode waarin de getroffen gemeenschap zelf geconfronteerd wordt met tal van uitdagingen. Dit geldt voor de slachtoffers en hun familie en vrienden, maar mogelijk ook voor tal van anderen, variërend van bedrijven tot vrijwilligersorganisaties en religieus-culturele instellingen. Het hangt af van het type ramp of crisis wat de gevolgen zijn en daarmee ook wie er betrokken zijn in de nafase. Is er schade aan huizen? Zijn voorzieningen weggevallen? Is er maatschappelijke onrust? Is er boosheid? Liggen er nog mensen in het ziekenhuis? Zijn er vermisten? Was het opzet en moeten eventuele daders nog worden opgespoord en worden aangehouden? Voor elk van deze aspecten geldt dat verschillende organisaties en instellingen, maar ook individuele burgers, een rol kunnen hebben.

      Wettelijk is geregeld dat ‘nazorg’ als taak na rampen en/of crises is belegd bij de gemeente. De wijze waarop dit kan worden ingevuld verschilt sterk. De rol van andere organisaties zoals religieuze instellingen is deels een afgeleide van wat de overheid wel of niet doet en deels staat dit er los van. In dit artikel staat de nafase centraal, met bijzondere aandacht voor het grensvlak tussen overheid en relgieus-culturele instellingen en organisaties. Achtereenvolgens komen aan de orde de diagnose van de nafase, een overzicht van terugkerende thema, en de ervaringen op het grensvlak tussen overheid en religieuze-culturele instellingen.

    • Diagnose van de nafase

      Het karakter van de nafase wordt bepaald door een combinatie van twee dingen: de kenmerken van de gebeurtenis en de maatregelen die (wel of niet) zijn getroffen in de acute fase. Een grote explosie in een woonwijk heeft andere effecten dan een grootschalige fraude en een hierop volgende koersval van een beursgenoteerde onderneming. De aard van de gebeurtenis is bepalend voor de effecten: het aantal slachtoffers dat in een ziekenhuis ligt; het aantal mensen dat is overleden; het aantal mensen dat elders is opgevangen; de mate waarin er maatschappelijke onrust is; de mate waarin de bedrijfscontinuïteit is aangetast; enzovoort.

      De maatregelen die worden getroffen in de acute fase vormen de basis van de aanpak in de nafase. Slachtoffers die tijdelijk zijn ondergebracht in een opvanglocatie omdat hun huis is beschadigd, behoeven mogelijk ook in de komende weken en maanden onderdak. Het ligt voor de hand om als overheid ook dan te zorgen voor vervangende woonruimte. Eventueel ingezette casemanagers die families van slachtoffers in de dagen na de ramp begeleiden, kunnen niet zonder meer ophouden met hun werkzaamheden. De contacten die zijn gelegd en het vertrouwen dat is opgebouwd zijn van grote waarde in de nafase. Indien direct na een incident het intranet is gebruikt als belangrijkste communicatiemiddel voor werknemers, ligt het voor de hand om dit ook in de nafase te doen.

      Een juiste diagnose van de nafase stelt een overheidsdienst, bedrijf of instelling in staat de waarschijnlijke impact en intensiteit van de nafase inzichtelijk te maken. Hierbij moet worden gekeken naar zowel de feiten als de beleving hiervan in ‘de buitenwereld’. De diagnose dient ertoe om na te gaan wat de waarschijnlijke ernst en complexiteit van de nafase is, zowel qua impact als qua aantal betrokkenen. Elke betrokken organisatie kan voor zichzelf een diagnose stellen, om vervolgens na te gaan hoe intensief mogelijk de eigen rol is. In een volgende stap kan meer precies worden gekeken op welke thema’s daadwerkelijk zelf activiteiten moeten worden ondernomen. Ook kan worden nagegaan wat anderen mogelijk kunnen en/of zullen doen. De diagnose is de eerste indruk.

      Vragen die mede bepalend zijn voor het karakter van de nafase:

      • Zijn er doden te betreuren? Zo ja, hoe groot is het aantal dodelijke slachtoffers? Dit bepaalt onder andere het aantal mensen (familie, vrienden) dat een blijvend persoonlijk verlies moet verwerken. Ook bepaalt dit het aantal personen dat mogelijk begeleiding nodig heeft in de rouwverwerking en bij het herdenken.

      • Hoe groot is het aantal gewonden? Wat is de aard van de verwondingen? Dit bepaalt bijvoorbeeld hoe lang de behandeling zal gaan duren, maar ook hoe ‘zichtbaar’ de crisis zal blijven (denk bijvoorbeeld aan ernstige brandwonden). Slachtoffers kunnen over meerdere ziekenhuizen zijn verspreid.

      • Zijn er nog vermisten? Het feit dat er nog vermisten zijn, betekent dat er gedurende langere tijd intensief gewerkt moet worden om deze vermisten op te sporen om bijvoorbeeld zo snel mogelijk de onzekerheid bij nabestaanden weg te nemen. Als de kans bestaat dat er nog slachtoffers vermist zijn, zal ook het intensieve zoeken doorgaan en zal de aandacht van de media minder snel verslappen. Een vermiste kan levend terugkomen of gewond of zelfs omgekomen zijn. Ook kan het zijn dat vermisten nooit worden gevonden.

      • Hoe groot is de materiële schade en hoe snel kan deze worden opgeruimd, hersteld of herbouwd? Kan de dienstverlening of productie binnen afzienbare tijd worden hervat? Dit bepaalt mede de ‘zichtbaarheid’ van de crisis. Ook is dit bepalend voor de intensiviteit van schadetrajecten.

      • Wat is de lokale impact? Wat is de sociale impact? Is er sprake van onrust?

      • Is er speciale aandacht nodig voor hulpverleners of andere specifieke doelgroepen? Zijn er – anders dan de directe slachtoffers – mensen die speciale aandacht en zorg nodig hebben?

      • Hoe duidelijk of onduidelijk is de oorzaak? Wanneer de oorzaak niet bekend is, kan dit reden zijn voor speculaties of complotten, maar ook voor angst en onzekerheid bij slachtoffers.

      • Raakt de ramp of crisis een identificeerbaar segment van de samenleving (een bepaalde groep, een bepaalde wijk en dergelijke) of raakt de ramp of crisis de samenleving op een meer diffuse wijze (economische schade) (of beide)? Zijn de directbetrokkenen afkomstig uit meerdere delen van het land of zelfs uit het buitenland? Dit heeft directe gevolgen voor de mate van benodigde afstemming met andere gemeenten of vestigingen.

      • Zijn er meerdere overheden bij betrokken (gemeente(n), provincie, ministerie(s))? Hoe meer overheden betrokken zijn, hoe intensiever de afstemming zal moeten zijn.

      • Is de crisis mogelijk of aantoonbaar veroorzaakt door kwade opzet? Opzet zal gepaard gaan met allerhande juridische procedures en rechtszaken. Ook kan ‘opzet’ van invloed zijn op de psychosociale gevolgen voor de slachtoffers.

      • Bestaat er nog een vervolgdreiging, zoals explosiegevaar, besmetting, falen van systemen, naschokken of een volgende aanslag?

      • Hoe uniek is de aard van de crisis? Gaat het om een type crisis waaraan de bevolking relatief ‘gewend’ is, of gaat het om een type crisis dat zich zelden eerder heeft voorgedaan? Zijn er relevante ervaringen van een vorige keer?

      • Heeft de crisis een politieke lading? De mate van politieke aandacht is mede bepalend voor de aandacht van de media.

    • Terugkerende thema’s in de nafase

      De uitdagingen in de nafase verschillen per situatie. Soms is de belangrijkste opgave voor betrokken overheden om nieuwe, vergelijkbare crises en nieuw leed voor slachtoffers en hun familie te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in de nafase van een zedenzaak of een grootschalige uitbraak van een infectieziekte. In andere situaties is het vooral belangrijk om het geschonden vertrouwen terug te verdienen, moet de juridische nasleep worden afgehandeld of worden er onderzoeken uitgevoerd of ondergaan.

      De gestelde diagnose geeft een eerste beeld van wat er mogelijk kan spelen in de nafase. Om de stap te zetten naar het bepalen van benodigde maatregelen en acties, moet meer specifiek worden bepaald welke onderwerpen aandacht behoeven. Het COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement heeft 24 thema’s geïdentificeerd die aan de orde kunnen komen in de periode na een crisis (tabel 1).1xZie voor een uitgewerkte mogelijke rol van de overheid en van bedrijven en instellingen het door het COT ontwikkelde handboek En nu…?. Dit handboek bevat tal van aandachtspunten en tips voor elk van de in dit artikel genoemde thema’s. Dit handboek is te bestellen bij Boom Juridische uitgevers: www.budh.nl. Voorbeelden hiervan zijn psychosociale zorg, de interne en externe communicatie, herstel, bedrijfscontinuïteit en verantwoording. Elk van deze thema’s staat voor een set van activiteiten, mogelijk vanuit de overheid, maar mogelijk ook vanuit anderen.

      Tabel 1: Thema’s die aan de orde kunnen komen in de periode na een crisis
      1 Organisatie, coördinatie en interne informatie
      2 Informatie- en adviescentrum (één-loketorganisatie voor gedupeerden)
      3 Externe communicatie
      4 Monitoren maatschappelijke onrust
      5 Herhuisvesting, herstel en wederopbouw
      6 Bedrijfscontinuïteit
      7 Terughalen producten
      8 Geneeskundige hulp
      9 Rouwverwerking en herdenken
      10 Psychosociale opvang en verzorging
      11 Bevolkingsonderzoek en gezondheidsmonitoring
      12 Afzetten en bewaken
      13 Vipbezoek
      14 Milieu/gevaarlijke stoffen
      15 Verenigen slachtoffers
      16 Budget/budgetbewaking
      17 Afwikkeling van de schade
      18 Juridische afwikkeling
      19 Strafrechtelijk onderzoek
      20 Evalueren en leren
      21 Rapporteren en verantwoorden
      22 Internationale aspecten
      23 Verslaglegging en archivering
      24 Klachtenafhandeling

      Door met deze thema’s te werken is snel en eenvoudig een eerste overzicht beschikbaar van benodigde activiteiten, prioritering, bijbehorende capaciteit en planning. Hierbij moet worden nagegaan welke onderwerpen nu reeds spelen en welke onderwerpen mogelijk in de komende weken en/of maanden kunnen opkomen. Een gemeente kan dit overzicht benutten, maar ook anderen kunnen dit doen om vervolgens na te gaan waar zij een toegevoegde waarde kunnen hebben. Voor enkele thema’s ligt het voor de hand dat de overheid dit verzorgt. Dit geldt bijvoorbeeld voor het afzetten en bewaken van een gebied of het uitvoeren van een bevolkingsonderzoek. Strafrechtelijk onderzoek is vanzelfsprekend voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Echter, voor thema’s als informatievoorziening, herstel en wederopbouw, monitoren maatschappelijke onrust, psychosociale hulp, financiële afhandeling, enzovoort geldt dat vele organisaties en individuele burgers een belangrijke toegevoegde waarde kunnen hebben. De ervaringen met eerdere rampen en crises laten zien waar traditioneel de rol van religieus-culturele organisaties ligt.

    • Gedeelde zorg: raakvlakken tussen overheid en religieus-culturele organisaties

      Afhankelijk van de aard van de ramp of crises zijn ook religieus-culturele organisaties betrokken. Dit kan afhangen van de betrokken slachtoffers en de betekenis van religie in hun leven. Ook hangt het af van de plaats waar de ramp heeft plaatsgevonden en de rol van religieuze organisaties in de getroffen lokale samenleving.

      Rituelen en gebruiken rond de dood en rond ziekten zijn van invloed op de wijze waarop slachtoffers en/of hun verwanten omgaan met de gevolgen van een ramp. Dit beïnvloedt ook de verwachtingen die zij hebben van overheden en hulpdiensten. Soms zijn deze behoeften niet bekend en/of worden ze niet erkend. Het aanbod past dan niet bij de vraag. Dit kan tot vervelende situaties leiden, zoals na het instorten van een steiger in de Amercentrale het geval was. Dit kostte het leven aan vijf medewerkers van een onderaannemer. Bij een van de Turkse slachtoffers is sectie gepleegd op het lichaam. Dit duurde enige tijd, terwijl de familie zo snel mogelijk wilde begraven. Ook bleek het lichaam niet intact omdat een deel van hersenen was verwijderd voor onderzoek. De emoties hieromtrent liepen hoog op, mede omdat de familie zich niet goed geïnformeerd voelde door het Openbaar Ministerie.

      Dit voorbeeld maakt duidelijk dat de behoeften van slachtoffers medebepalend zijn voor welke organisaties idealiter betrokken worden in de nafase. De betrokkenheid van een specifieke etnische groep of een groep met een bepaalde levensbeschouwelijke achtergrond maakt dat de betrokkenheid van organisaties die hier aansluiting bij kunnen vinden belangrijk is. Zo zullen Joods Maatschappelijk Werk en het Sinaï Centrum een expliciete rol hebben bij een ramp die (ook) de joodse gemeenschap treft. Zij kennen zowel de religieuze als culturele achtergrond en bieden hierbij passende hulp na een ramp, zoals psychosociale nazorg.

      In tal van aspecten kunnen levensbeschouwelijke aspecten een rol spelen: de uitvaart, de wijze van herdenken, het verzorgen van geestelijke zorg en psychosociale nazorg. De meerwaarde van religieus-culturele organisaties is echter niet beperkt tot deze thema’s. Ook voor het blijvend informeren van gedupeerden over de stand van zaken in de nafase en voor de sociale ondersteuning geldt dat deze organisaties een rol kunnen hebben. Dit vooral indien zij in staat zijn om slachtoffers direct te bereiken en door hen worden vertrouwd. De toegevoegde waarde is mede afhankelijk van het type ramp, zo blijkt uit de volgende voorbeelden van de hulp rond klassieke rampen, dierziektencrises en maatschappelijke onrust.

      Klassieke rampen: hulp aan slachtoffers

      Duidelijke voorbeelden van de rol van bijvoorbeeld de kerk of kerkelijke instanties zijn te vinden in de nazorg na de rampen in de Bijlmer, Enschede en Volendam.

      Ook in de afgelopen jaren zijn er tal van voorbeelden van een actieve rol van juist deze organisaties bij rampen en crisis. Zo gaven imams en bestuurders van enkele Turkse moskeeën in Amsterdam en Zaandam na de ramp met een Turkish Airline-toestel bij Schiphol aan op bezoek te zullen gaan bij gewonden. De slachtoffers waren met name Turkse ingezetenen. Ook hebben zij contact gelegd met in Nederland wonende familieleden van overledenen om hen te steunen. In het vrijdaggebed in de moskee is ook stilgestaan bij de slachtoffers van de crash.2xwww.nu.nl/vliegramp-schiphol/1924701/moskeeen-op-visite-bij-slachtoffers-vliegtuigongeval.html. Ook het zogenoemde luchthavenpastoraat ondersteunde na de Poldercrash.3xRaad van Kerken, Luchthavenpastoraat over ramp, maart 2009. De rol betrof het begeleiden van slachtoffers bij de hereniging met verwanten. Het belangrijkste hierbij is het bieden van een luisterend oor en mensen nabij te zijn. Er waren tien medewerkers van het luchthavenpastoraat (vrijwilligers en pastores) aanwezig in de opvanglocatie Wildenhorst. De ondersteuning ging in sommige gevallen ook in de nafase door. Het luchthavenpastoraat is een samenwerkingsverband van de rooms-katholieke kerk, de protestantse kerk en de anglicaanse kerk in Nederland.

      Na de vuurwerkramp is het Pastoraat na Ramp opgericht. Het was een initiatief van de Samen op Weg-kerken (protestants) en de rooms-katholieke kerk. Er zijn twee pastores aangetrokken die samen met een aantal vrijwilligers klaarstaan voor de getroffenen. Het Pastoraat na Ramp was een project van vijf jaar. Vanuit dit project is later het zogenoemde Huis van Verhalen gegroeid, dat erop is gericht om mensen met elkaar in gesprek te laten gaan over de wijk, inclusief de ramp die inmiddels deel uitmaakte van de geschiedenis van de wijk.4xZie www.huisvanverhalenenschede.nl.

      In eigen kring is er na een ramp vaak aandacht voor rouw en bezinning, zoals na de aanslag in Apeldoorn, waar ruim duizend belangstellenden in de Grote Kerk in Apeldoorn een bezinningsdienst bijwoonden.5x‘Volle kerk herdenkt slachtoffers’, ANP 1 mei 2009. Gelovigen zoeken troost bij elkaar en bij hun religieuze leiders.

      De hulp vanuit religieuze organisaties kan ook bestaan uit fondsenwerving en daadwerkelijke hulp bij fysieke wederopbouw. Dit komt vooral zichtbaar terug in internationale initiatieven, zoals de noodhulpprogramma’s van de interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking (ICCO) en Kerk in Actie. Hulp kan betrekking hebben op het zorgen voor voedsel of zaaigoed of het herbouwen van scholen. Door aan te sluiten bij lokale organisaties wordt veelal getracht om meer duurzame hulp te bieden, ook voor de langere termijn.

      Terugkerende rol kerken: dierziektencrises

      Een specifiek type crisis waarbij de rol van kerken opvalt is het crisistype ‘dierziekte’. Uit de ervaringen met dierziekten blijkt dat naast de geestelijke steun ook de kerk als mogelijkheid tot het mobiliseren van een grotere gemeenschap belangrijk is. Voorbeelden hiervan zijn opgezette netwerken en telefooncirkels om met boeren in contact te blijven en te zorgen dat ze hun verhaal kwijt konden. Na de grootschalige uitbraak van mond-en-klauwzeer in 2003 heeft ten minste een van de kerken in het gebied gezorgd voor een minimuminkomen gedurende een paar maanden voor leden die na de ruiming geen inkomen meer hadden.6xExpertisecentrum LNV, Sociaal-emotionele begeleiding en psychosociale hulp bij dierziekten crises. Inventarisatie en verbeterpunten voor crises draaiboeken, 2003. Gebaseerd op Veerkracht, p. 16. In een onderzoek naar de hulpverlening rond dierziektencrises komt het expertisecentrum van het toenmalige minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij tot de conclusie dat kerken een belangrijke rol spelen bij rampen. ‘Voor gelovigen zijn ze laagdrempelig, het kerkgebouw kan een opvangcentrum zijn waar mensen een luisterend oor hebben, een schouder om tegenaan uit te huilen en een gesprek aangaan met slachtoffers. Daarnaast is er de pastorale zorg van huisbezoek, lotgenotengroep, herdenkingsmomenten en bieden zij een network.’7xO.J. Ruff, De rol van de kerk bij een ramp, Utrecht: Kerk in Actie 2002.

      Op basis van de ervaringen met de hulpverlening en steun rond dierziekten is het protocol voor pastoraat bij agrarische rampen ontwikkeld. Er zijn inmiddels meerdere versies van dit protocol. In het protocol zijn vijf fasen benoemd, met per fase tips en aandachtspunten voor onder meer de rol van de pastoor en het pastoraat. De benoemde fasen zijn:

      • voorfase (preventief ruimen);

      • eerste fase: uitbreken van de ramp (ziekte of besmetting);

      • tweede fase: het bedrijf wordt geruimd ;

      • derde fase: het bedrijf ligt stil;

      • vierde fase: het bedrijf start weer op;

      • vijfde fase: een jaar later.

      Voorbeeld van tips uit het protocol voor pastoraat bij agrarische rampen voor ‘een jaar na’

      ‘Vijfde fase: een jaar later
      Ogenschijnlijk lijkt alles weer zijn gang te gaan. Alles lijkt weer bij het oude te zijn. Ervaringen worden verwerkt.

      Pastor
      Houd contact met de direct betrokkenen. Misschien in een wat lagere frequentie.

      Pastoraat
      Laat merken dat er, naast vreugde om het nieuwe begin, ook ruimte mag zijn voor teleurstelling, voor tegenslag en voor – uitgestelde – rouw. Misschien is het mogelijk een gespreksgroep te vormen die enkele keren per jaar samenkomt.

      Andere organisaties
      Een vorm van structureel contact met organisaties kan belangrijk zijn voor je pastoraat. Heb aandacht voor de opgebouwde contacten. Behoud ze en blijf gesprekspartner naar de toekomst toe.

      Pastoraat aan de achterban
      Laat als pastor merken dat je aandacht voor landbouw en voor de boeren/boerinnen niet stopt.

      Pastoraat door achterban
      Organiseer een herdenkingsmoment, dienst/viering, of richt een bescheiden monument/gedachtenisteken op (als vervolg van wat in fase twee is begonnen). Laat merken dat het geen “boeren”-crisis is. Samen met alle bewoners van het buitengebied kan de parochie of kerkelijke gemeente een plek van bezinning zijn op de toekomst van voedselproductie en -consumptie, van voedselveiligheid, van omgaan met dieren, met voedsel en met economie, maar ook een plek van ontmoeten en verhalen over je grond, je grondwaarden, over de plek waar je samen woont en werkt en over de uiteindelijke Grond van je bestaan.’

      Voorkomen maatschappelijke onrust, uitstralen van eenheid

      Ook rond mogelijke spanningen tussen verschillende groepen gelovigen spelen religieus-culturele organisaties een belangrijke rol. Dit is deels symbolisch door vanuit verschillende geloven zichtbaar samen op te trekken om zo eenheid uit te stralen. Dit is belangrijk op momenten dat kwaadwillenden proberen om vooral verdeeldheid tussen groepen gelovigen te zaaien. Dit speelde onder meer na de moord op Theo van Gogh in 2004, toen er meerdere incidenten waren rond zowel kerken als moskeeën en grootschalige maatschappelijke onrust dreigde. Vertegenwoordigers van tal van maatschappelijke organisaties en religieuze organisaties namen onder meer deel aan een protesttocht tegen geweld en voor saamhorigheid. Na de inval in de Haagse Antheunisstraat, waarbij terrorismeverdachten werden aangehouden, dreigde er onrust in de wijk. Een diaconaal werker organiseerde toen een zogenoemde gebedstonde.8xH. Hemmes, ‘Haagse kerken klaar voor hulp bij rampen’, Kerk in Den Haag 2010-125. Zie. www.kerkindenhaag.nl/articles/view/394, geraadpleegd op 20 december 2010. Bij de samenkomst waren geestelijk leiders uit de wijk aanwezig, onder meer van de moskee en de hindoetempel. Ook na andere typen incidenten die tot grote maatschappelijke woede en verontwaardiging leiden kunnen religieuze organisaties een bindende rol vervullen.

    • Naar meer gedeelde zorg

      In deze bijdrage zijn verscheidene voorbeelden gegeven van de mogelijke toegevoegde waarde van religieus-culturele organisaties in de nafase van een ramp of crisis (zie ook tabel 2). Dit betekent echter niet dat het vanzelfsprekend is dat er aandacht is voor de rol van deze organisaties in de nafase. In maart 2010 stelde het CDA in Assen raadsvragen over de rol van moskeeën en kerken bij rampen. De fractie constateerde ‘dat kerken en moskeen niet worden genoemd in het rampenplan van de gemeente’. De fractie had dit wel verwacht, specifiek als het gaat om ‘nazorg’, zo stelt de fractie. In zijn antwoord gaf het college van B&W aan dat dit niet nodig was. Dit antwoord getuigt vooral van een klassieke visie op rampen en rampenbestrijding. Juist in de nafase moet de overheid alert zijn op behoeften van slachtoffers en andere betrokkenen en op de mogelijke toegevoegde waarde van maatschappelijke organisaties. Zeker wanneer de kans groot is dat deze organisaties zelf initiatieven nemen of door slachtoffers worden betrokken, is samenwerking verstandig. In sommige situaties en/of in specifieke delen van Nederland kunnen en zullen religieus-culturele organisaties een belangrijke rol spelen in de sociale zorg, geestelijke zorg en informatievoorziening aan slachtoffers. Dit vergt dat overheden hier oog voor hebben en houden.

      Tabel 2: Nafasethema’s en religieuze organisaties
      Nafase-thema’s zoals benoemd door het COTVan toepassing op religieuze organisaties?
      1 Organisatie, coördinatie en interne informatie Ja (intern)
      2 Informatie- en adviescentrum (één-loket-organisatie voor gedupeerden) Ja, onder meer als frontoffice voor geestelijke hulp en informatie over initiatieven vanuit de gemeenschap
      3 Externe communicatie Ja, over eigen activiteiten
      4 Monitoren maatschappelijke onrust Ja, samen met mensen uit de gemeenschap
      5 Herhuisvesting, herstel en wederopbouw Ja, directe hulp bij wederopbouwactiviteiten en hulp aan gezinnen en bedrijven
      6 Bedrijfscontinuïteit Ja, hulp aan bedrijven in het eigen gebied (zoals bij dierziekten)
      7 Terughalen producten Nee
      8 Geneeskundige hulp Nee
      9 Rouwverwerking en herdenken Ja, mede vanuit eigen geloof of zonder religieus kenmerk aan slachtoffers en familieleden
      10 Psychosociale opvang en verzorging Ja
      11 Bevolkingsonderzoek en gezondheidsmonitoring Nee
      12 Afzetten en bewaken Nee
      13 Vipbezoek Ja, mogelijk ontvangen vips bij dienst
      14 Milieu/gevaarlijke stoffen Nee, mogelijk wel voor het doorgeven van informatie over dit onderwerp
      15 Verenigen slachtoffers Ja, mogelijk als belangenbehartiger
      16 Budget/budgetbewaking Eigen inzet
      17 Afwikkeling van de schade Ja, mogelijk in fondsenwerving voor slachtoffers
      18 Juridische afwikkeling Ja, mogelijk vanuit leden van de gemeenschap direct aan slachtoffers
      19 Strafrechtelijk onderzoek Nee, behalve wat betreft doorgeven relevante informatie aan de eigen gemeenschap
      20 Evalueren en leren Ja, voor wat betreft eigen activiteiten
      21 Rapporteren en verantwoorden Ja, voor wat betreft eigen activiteiten
      22 Internationale aspecten Ja, bij internationale rampen of rampen met slachtoffers uit het buitenland in Nederland
      23 Verslaglegging en archivering Ja, voor eigen activiteiten
      24 Klachtenafhandeling Ja, mogelijk in ondersteuning van slachtoffers bij het verwoorden en/of agenderen van hun klacht

      Een tegengesteld voorbeeld voor wat betreft de houding van het gemeentebestuur is een bijeenkomst die enige jaren geleden werd georganiseerd door de burgemeester van Smallingerland. De burgemeester ontving vertegenwoordigers namens 32 kerken en religieuze groepen om onder meer met hen te spreken over wat zij konden betekenen bij rampen.9x‘De kerk troost bij ramp’, Nederlands Dagblad 21 april 2006. Er zijn ook andere goede voorbeelden waarbij de rol van kerken en bijvoorbeeld moskeeën expliciet is onderkend door betrokken overheden. Dit geldt onder meer voor draaiboeken of protocollen rond maatschappelijke onrust. In verscheidene crisisplannen (de vroegere rampenplannen) is de rol van religieuze instellingen beschreven.

      Omgekeerd geldt dat religieus-culturele organisaties alert moeten zijn op wat ‘de overheid’ organiseert in de nafase. Het actief aanbieden van steun kan letterlijk deuren openen. Dit is een van de vele aandachtspunten in de nafase van een incident, ramp of crisis.

    Noten

    • 1 Zie voor een uitgewerkte mogelijke rol van de overheid en van bedrijven en instellingen het door het COT ontwikkelde handboek En nu…?. Dit handboek bevat tal van aandachtspunten en tips voor elk van de in dit artikel genoemde thema’s. Dit handboek is te bestellen bij Boom Juridische uitgevers: www.budh.nl.

    • 2 www.nu.nl/vliegramp-schiphol/1924701/moskeeen-op-visite-bij-slachtoffers-vliegtuigongeval.html.

    • 3 Raad van Kerken, Luchthavenpastoraat over ramp, maart 2009.

    • 4 Zie www.huisvanverhalenenschede.nl.

    • 5 ‘Volle kerk herdenkt slachtoffers’, ANP 1 mei 2009.

    • 6 Expertisecentrum LNV, Sociaal-emotionele begeleiding en psychosociale hulp bij dierziekten crises. Inventarisatie en verbeterpunten voor crises draaiboeken, 2003. Gebaseerd op Veerkracht, p. 16.

    • 7 O.J. Ruff, De rol van de kerk bij een ramp, Utrecht: Kerk in Actie 2002.

    • 8 H. Hemmes, ‘Haagse kerken klaar voor hulp bij rampen’, Kerk in Den Haag 2010-125. Zie. www.kerkindenhaag.nl/articles/view/394, geraadpleegd op 20 december 2010.

    • 9 ‘De kerk troost bij ramp’, Nederlands Dagblad 21 april 2006.


Print dit artikel