Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Discussie

Drie visies op de relatie tussen religie en veiligheidsbeleid

Verslag van de expertmeeting ‘Angst voor religie?’ van de Commissie Religie in het Publieke Domein, 23 juni 2010, Den Haag

Trefwoorden government, safety policy, religious orthodoxy, counternarratives
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Ernst Hirsch Ballin, Peter Knoope en James Kennedy, 'Drie visies op de relatie tussen religie en veiligheidsbeleid', TvRRB 2011-2, p. 81-94

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Inleiding

      Welke rol spelen religie en religieuze inspiratiebronnen bij de keuze van individuen of groepen om gewelddadige acties te ondernemen? Enerzijds heeft de overheid officieel geen mening over geloofsinhouden, voor zover die tenminste de democratische rechtsorde niet ondermijnen. Anderzijds wordt religieuze orthodoxie, of in ieder geval religieus fanatisme, steeds vaker als bedreiging voor de open samenleving en als radicaliseringsrisico beschouwd, zodat het alsnog een overheidsaangelegenheid wordt. Tijdens de bijeenkomst waarvan de bijdragen in dit speciale nummer van TvRBB zijn opgenomen, gingen drie personen over deze kwestie met elkaar in debat.
      De toenmalige minister van Justitie, Ernst Hirsch Ballin, betoogde dat de overheid religieuze uitwassen zonder meer moet voorkomen en bestrijden, maar tegelijk met kennis van zaken ruimte dient te bieden aan al degenen die binnen de grenzen van de wet invulling willen geven aan hun godsdienstige overtuiging. Peter Knoope, directeur van het ICCT, legde daarna uit hoe de overheid het formuleren van tegengeluiden tegen religieuze fanatici zou moeten faciliteren. Hoe kan het gewelddadige discours van jihadisten worden tegengesproken? Welke argumenten moeten hierbij worden ingezet? Moeten die argumenten eveneens geënt zijn op religieuze interpretaties en overwegingen, of moeten andere invalshoeken worden gekozen?
      De historicus James Kennedy, ten slotte, relativeerde en becommentarieerde beide bijdragen vanuit een bredere visie op wat religie altijd heeft betekend in Nederland. Hij stelde dat religieus extremisme vaker voortkomt uit isolement en uit ontworteling dan dat het een product van religieuze gemeenschappen is. Bovendien herinnerde hij ons aan het feit dat de Nederlandse overheid zich in de geschiedenis vaker heeft bemoeid met godsdienst en dat dat niet altijd goed uitpakte. Tot slot pleitte Kennedy voor een bredere visie op religie: hij bespeurt een neiging om godsdienst vooral te zien in functionele en integrationistische termen: als bedreiging of als ‘ontzorger’ voor de samenleving. Hij stelde daartegenover dat religieuze gemeenschappen noodzakelijke contrasterende elementen zijn die de samenleving een spiegel voor kunnen houden.
      Omdat deze lezingen de problematiek van religie als object van veiligheidsbeleid goed omlijnen en nauw aansluiten bij het thema van dit speciale nummer, is ervoor gekozen de tekst van de lezingen hieronder integraal weer te geven.

    • Ernst Hirsch Ballin: negeren van religie bij veiligheidsbeleid staat gelijk aan het ontkennen van de zwaartekracht

      Als erfgenaam van de aloude Ministeries van Eredienst beschouw ik religie als een vanzelfsprekende factor om rekening mee te houden in mijn beleid. Dat geldt niet alleen voor de traditionele dossiers die hiermee verbonden zijn, zoals die van de geestelijke verzorging in gevangenissen. Het betreft ook onderwerpen rond veiligheid. Het negeren van religie als factor voor het verklaren en oplossen van maatschappelijke vraagstukken, zou voor mij gelijk staan met het negeren van de zwaartekracht: wij zouden dan zwaar ten val kunnen komen.
      De geschiedenis leert dat voor de Nederlandse overheid religie eeuwenlang deel uitmaakte van haar beleid en wel op twee niveaus. Ten eerste op het niveau van orde en veiligheid. Religieuze fanaten (zoals wederdopers, beeldenstormers, eindtijddenkers) en religieuze verdeeldheid (denk aan de Bestandstwisten, antipapisme, Psalmenoproer) konden orde en rust ernstig verstoren en vroegen daarom op gezette tijden om stevig overheidsoptreden. Of dit optreden altijd proportioneel en effectief is geweest laat ik hier buiten beschouwing. Ten tweede is religie voor de overheid ook altijd een instrument geweest om waarden en normen aan te reiken en uit te dragen, vooral met behulp van het gereformeerde geloof, twee eeuwen lang de enige door de overheid bevoorrechte kerk. Maar ook na de formele gelijkschakeling van alle religies in de Franse tijd bleven de kerken van belang als normerende instituties. Het zuilenmodel werd toen voor de overheid een middel om over de religieuze scheidslijnen heen gelovige burgers te bereiken met normerende boodschappen.
      Plaats en rol van religie zijn sinds de jaren zestig van de vorige eeuw echter ingrijpend gewijzigd. Secularisatie en ontkerkelijking zorgden voor een grote leegloop uit de kerken. De ‘stem’ van kerken klinkt daardoor steeds zwakker in het maatschappelijk discours. Hun rol als normatieve richtingaanwijzer lijkt gemarginaliseerd. Zelfs de traditioneel harde gereformeerde kernen tonen erosieverschijnselen. Tegelijkertijd hebben politieke partijen die zich beroepen op christelijke uitgangspunten zich weten te handhaven. Ook hebben delen van het oude zuilensysteem, zoals bijzondere scholen, hun vitaliteit behouden.
      Voor veel Nederlanders zijn kerk en religie niettemin relicten uit een ver verleden en uitingsvormen van een wereld die hun volkomen vreemd is. Zij kunnen niet – of niet meer – begrijpen dat iemand zich laat leiden door opvattingen die ontleend zijn aan heilige geschriften. Ze vinden gelovigen ‘achterlijk’ en zijn niet in staat hun diepere drijfveren te doorgronden of op zijn minst te respecteren. Losgesneden van hun christelijke wortels zijn zij zelfs onmachtig de kunst te begrijpen waarvoor het geloof eeuwenlang een bron van inspiratie was.
      Deze onbekendheid met geloof en gelovigen maakt niet-gelovigen soms boos en angstig. Onbegrip over de bedoelingen van gelovigen en hun sterk afwijkende rationaliteit voedt deze angst, zeker op momenten dat gelovigen maatschappelijke eisen stellen die indruisen tegen de als algemeen geldend geoordeelde publieke moraal. Afwijkende opvattingen over de rolverdeling tussen man en vrouw, homoseksualiteit, abortus en euthanasie worden daarbij al snel gezien als een bedreiging voor de kernwaarden van onze postmoderne seculiere samenleving.
      Eeuwenlang is ervaring opgebouwd in het omgaan met diverse religieus-maatschappelijke opvattingen en is er ruimte geboden voor eigen invulling (ik noem de vrijstelling van de militaire dienstplicht en van eedaflegging voor doopsgezinden). Nu zien we een krachtige neiging tot gedwongen gelijkschakeling met universeel veronderstelde uitgangspunten.
      De sterk veranderde houding tegenover religie heeft niet alleen te maken met vervreemding en onbegrip van een geseculariseerde samenleving. Ze is ook beïnvloed door de opkomst van nieuwe religies, in het bijzonder van de islam. Zoals eerder in de Nederlandse geschiedenis hebben migratiebewegingen de religiekaart van ons land ook in de afgelopen decennia ingrijpend gewijzigd. Voor vele migranten speelt religie een prominente rol in hun leven. Zij willen hier invulling aan (blijven) geven en confronteren onze samenleving met hun aanspraken. Op grond van onze wet zijn deze aanspraken volstrekt legitiem en de rudimenten van de verzuiling stellen gelovigen ook in staat een beroep te doen op de mogelijkheden daarvan. Zo zijn in hoog tempo talrijke migrantenkerken ontstaan, moskeeën, boeddhistische tempels, bijzondere scholen en andere religieuze of religieus geïnspireerde voorzieningen.
      De vrees voor de opkomst van deze migrantenreligies bleef aanvankelijk bijna letterlijk beperkt tot de angst voor parkeeroverlast. Voor het overige domineerde de impliciete overtuiging dat deze mensen op den duur ook zouden moderniseren, in de zin dat zij wel van hun geloof zouden vallen. Dat werd anders toen vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw ook Nederland geconfronteerd werd met de gevolgen van een wereldwijde heropleving van het islamitisch fundamentalisme. Het fiasco van de seculiere ideologieën in de islamitische wereld en het door de Iraanse revolutie stormachtig aangewakkerde islamitische verzet tegen de prowesterse regimes in deze landen, vonden weldra hun doorvertaling in gewelddadige richting.
      Radicale moslims gingen hun geloof gebruiken als rechtvaardiging voor redeloos geweld tegen andersgelovigen. U weet hoe dit uitliep op het ontstaan van wereldwijde terroristische netwerken, waarvan Al Qaida de beruchtste is geworden door de aanslagen van 11 september 2001. Die maakten niet alleen duizenden slachtoffers in New York, maar berokkenden wereldwijd ook de interreligieuze verhoudingen onherstelbare schade. De islam werd voor sommigen een synoniem voor geweld, en de angst voor religie begon steeds meer het politieke en maatschappelijke krachtenveld te bepalen. De – dankzij nieuwe informatietechnologie steeds indringender – beelden van bloedige aanslagen door terroristen die zich beriepen op hun God, hebben die angst stevig aangewakkerd. Islamistische terroristen bedienen zich van hetzelfde idioom als alle andere moslims en beroepen zich op dezelfde heilige geschriften. Dat maakt het moeilijk om onderscheid te maken. Religieuze orthodoxie is voor velen zo ongeveer identiek aan radicalisme, en de angst voor nieuw terroristisch onheil maakt elke moslim in hun ogen een potentiële terrorist.
      In het verlengde van deze angst wordt ook het christendom door sommigen met argwaan bekeken. Er zijn immers ook christelijke extremisten die geweld niet schuwen. Denk aan de moord op enkele artsen in de Verenigde Staten die abortussen uitvoerden. Achterstelling van vrouwen en discriminatie van homo’s onder verwijzing naar het geloof komt ook in christelijke kring voor. De roep om indamming van religieuze excessen beperkt zich dan ook niet meer tot de islam. Er worden ook vraagtekens geplaatst bij de (voor)rechten van gelovigen van andere denominaties. De premisse daarbij is dat religie niet van deze wereld is en maar beter ‘afgeschaft’ kan worden.
      Tegen deze achtergrond mag het duidelijk zijn dat ik ook in het veiligheidsbeleid niet om religie heen kan of wil. Hoe graag sommigen ook zouden willen, religie kan niet gereduceerd worden tot een privéaangelegenheid, tot iets wat achter de voordeur moet blijven. Mensen dragen hun religieuze overtuiging ook buitenshuis met zich mee en laten zich erdoor inspireren.
      Van de overheid mag verwacht worden dat zij gelovigen hiervoor ook de vrijheid laat en de ruimte biedt. Waar deze vrijheid en ruimte worden bedreigd, dient zij beschermend op te treden. Maar waar zij misbruikt dreigen te worden – met geweldpleging, haatzaaien, mishandeling van vrouwen of homoseksuelen, enzovoort – dient de overheid evenzeer doelgericht en effectief op te treden. Daarvoor zijn drie zaken vereist: respect voor de wetgeving met betrekking tot religie, gedegen kennis van zaken en goede contacten met religieuze organisaties en koepels.
      Ten eerste wordt de bereidheid van overheden om zich actief te manifesteren in kwesties waarbij ook religie of religieuze organisaties betrokken zijn maar al te vaak verlamd door een verkeerd begrip van de scheiding van kerk en staat. Dit beginsel biedt wel degelijk ruimte tot interactie en zelfs coöperatie, zoals de gemeente Amsterdam enkele jaren geleden reeds liet zien. In diezelfde plaats heeft bemoeienis van de gemeente met de inhoudelijke koers van een Turks-islamitische organisatie (Milli Görüş) duidelijk gemaakt waar de grens ligt voor de overheid. Overheidsbemoeienis met de religieuze koers van een organisatie is uit den boze.
      Ten tweede vraagt effectief tegengaan van religieus geïnspireerde radicalisering en terrorisme om gedegen kennis van religies en hun uitwassen. Beleid moet steunen op een goed begrip van de verschillen tussen de diverse stromingen. Van de overheid wordt op dit vlak een scherp onderscheidend vermogen gevraagd, bijvoorbeeld om orthodoxie te onderscheiden van radicalisme. Radicalisme kan immers ontaarden in geweld. Het Nederlandse antiterrorismebeleid probeert radicaliseringstendensen in een vroeg stadium te onderkennen en te stoppen. Kennis van het gebruikte idioom en van de door de verschillende stromingen gehanteerde interpretatiekaders is een vereiste om op dit vlak adequate interventiestrategieën te ontwikkelen.
      Ten derde dient de overheid te weten wat er leeft bij aanhangers van de verschillende religieuze stromingen. Alleen dan kan ze succesvol proberen het radicale ‘kaf’ van het gematigde ‘koren’ te onderscheiden en de weerstand binnen de gematigde groepen tegen radicalisering en geweld te bevorderen. In dit opzicht is de gang van zaken in aanloop naar het uitbrengen van de film Fitna van Geert Wilders een interessante casus. Door de lange tijd tussen de vooraankondiging van de film en de daadwerkelijke release kon de overheid zowel binnenlands als buitenlands achter de schermen werken aan een acceptabele en waardige reactie op deze door veel moslims als provocatie ervaren actie. De contacten met formele en informele representanten van de moslimgemeenschap, maar ook van de kerken en de joodse gemeenschap in Nederland, bleken daarbij van grote waarde.
      Resumerend hoop ik duidelijk gemaakt te hebben dat de overheid in haar beleid, ook in haar veiligheidsbeleid, niet om religie heen kan of heen mag. Bij haar taakuitoefening moet zij zorgvuldig de wettelijke grenzen in acht nemen, maar ook niet angstig zijn om zich op dit terrein te begeven. De huidige angst voor religie werkt blijkbaar verlammend op het denken en handelen van veel personen en instanties, zo moet ik tot mijn spijt constateren. Zo heeft de nieuwe Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid religie in het publieke domein als thema geschrapt na de kritiek op het rapport over islamitisch activisme. Angst is ook hier echter een slechte raadgever, in velerlei opzicht. De overheid moet religieuze uitwassen zonder meer voorkomen en bestrijden, maar tegelijk met kennis van zaken ruimte bieden aan al degenen die binnen de grenzen van de wet invulling willen geven aan hun godsdienstige overtuiging. Ons land kent wat dat betreft een lange traditie, die we in ere moeten houden.

    • Peter Knoope: religieuze (contra)narratieven

      Wat is een narratief?

      Om antwoord te kunnen geven op de vraag hoe een aansprekend en overtuigend tegengeluid geformuleerd kan worden op het geweldsdiscours van internationale jihadistische ideologen en ideologieën, is het van belang te doorgronden wat de hoofdlijnen zijn van de gebruikte jihadistische narratieven. Wat is de gedachtegang die in dit radicaliseringsproces wordt gehanteerd? Hoe worden rekruten ervan overtuigd dat het gebruik van geweld de enige begaanbare weg is en de enige taal die door de ‘anderen’ wordt begrepen? Wat is het verhaal dat mensen doet besluiten hun eigen leven te geven voor een hoger gesteld doel?
      Voor een deel is de ideologie gebaseerd op religieuze overtuigingen. Dat houdt in hoge mate verband met het in deze context bijna paradoxale feit dat in de islam het begrip rechtvaardigheid een zeer centrale positie inneemt. Zoals in veel religies (en politieke systemen) zijn werkelijkheid en ideaal op sommige momenten en plaatsen ver van elkaar verwijderd. Dat feit roept op zichzelf veel spanning op. Waar de werkelijkheid geen reflectie is van het ideaal moet immers opgetreden worden. Dat kan tot veel interne en externe spanningen leiden. Waar onrechtvaardigheid wordt geconstateerd kan dat toegeschreven worden aan een incidentele en in tijd en context beperkte oorzaak, maar ook aan een inherente systeemfout. De perceptie van die ‘systeemfout’ zal afhangen van de identiteit, geconstrueerd of historisch bepaald, van de voorvechters van meer rechtvaardigheid.
      Het gaat hier om geweldsideologieën die zich baseren op godsdienstige uitgangspunten, waar het godsbesef vaak gewichtiger is dan de gehoorzaamheid aan de staat. Dat wat door God is geschreven staat in hiërarchische termen boven de door mensen gemaakte wetten en regels. Daarmee wordt overheidsbemoeienis met ‘volgelingen’ afgewezen. Dit kan leiden tot verlies van binding met de staat of het maatschappelijk bestel. Daarmee wordt een voor gewelddadige en extremistische groepen belangrijk element gerealiseerd: namelijk de collectieve afwijzing van de overheid en de vorming, in isolement, van een subcultuur waarbinnen eigen wetten en regels gelden. De afwijzing en het isolement verhogen de mogelijkheden voor manipulatie en beïnvloeding van de nieuwe rekruten.
      De ideologen claimen vervolgens niet alleen dat de wil van God vaststaat en ook is gedocumenteerd, maar tevens dat er slechts één juiste interpretatie bestaat van die wil. Het spreekt voor zich dat zij degenen zijn die de enig juiste interpretatie kunnen bieden. De teksten – hoe origineler en ouder hoe beter – leveren een leidraad voor het inrichten van het leven en de (eigen) maatschappij. De eigen subcultuur als start voor de toekomstige maatschappij moet worden ingericht langs de rechtvaardigheidsbeginselen die zijn vastgelegd in de documenten die de wil van God bevatten. Deze ideale inrichting van het maatschappelijke en private domein is, aldus de betreffende ideologen, historisch onontkoombaar. De wereld kan zich maar in één richting ontwikkelen, en dat is in de richting van de door God gewenste heilstaat.
      Deze laatste garantie voor de toekomst is gebaseerd op teksten uit de religieuze bronnen en levert de basis voor een belangrijk aanvullend element in de gedachtegang. Immers, wanneer de geschiedenis maar één, gepredestineerde, richting in kan slaan en God deze heeft vastgelegd in geschriften die door hemzelf zijn gedicteerd, dan is iedereen die deze onontkoombare route frustreert of tegenwerkt een vijand van het rechtvaardigheidsideaal.

      Tegenkrachten moeten worden bestreden

      De volgende stap in het denkraam van extremistische moslims is cruciaal: de vijanden op de weg naar een rechtvaardige samenleving dienen te worden bestreden. Het gaat immers om de tegenkrachten van de ware islamitische toekomstige wereldheerschappij, zoals die in religieuze geschriften is beschreven. Deze stap is het centrale argument voor het gebruik van geweld; immers veel van het voorgaande – een ideale rechtvaardige maatschappij ingericht volgens richtlijnen vastgelegd in geschriften – brengt niet veel nieuws. Dit is namelijk ook terug te vinden in een aantal andere grotere en kleinere ideologieën. De stap naar de gewapende strijd en de rechtvaardiging daarvan in de interpretatie van teksten in de heilige boeken en andere geschriften gaat echter veel verder dan dat. De voorstanders denken hun legitimatie te vinden in religieuze teksten die handelen over de strijd voor het goede en de in hun ogen daarmee samenhangende bestrijding van ongelovigen.
      Daarmee is het ideaal, het isolement en het vijandsbeeld compleet. Alle ingrediënten zijn aanwezig om de opdracht van de gewelddadige jihad uit te gaan voeren. Dit is zeker het geval wanneer de opdracht om voor het ideaal ten strijde te trekken zeer letterlijk wordt opgevat. Het in dit soort processen gebruikelijke demoniseren en dehumaniseren van de tegenstanders doet de rest. Rekruten krijgen te horen dat zij slachtoffer zijn van een wereldwijde poging om hun ideaal te frustreren, waarbij wordt ingespeeld op conflicten waarbij moslims betrokken waren, zoals in Bosnië, Tsjetsjenië, Gaza en Kasjmir.

      Vijanden

      Om de strijd te kunnen voeren moet een duidelijk beeld worden geschetst van de vijand. Wie wordt er eigenlijk bestreden? Het jihadisme maakt onderscheid tussen de vijand dichtbij en de vijand ver weg. De eerste categorie omvat met name de veelal corrupte en repressieve regimes in de islamitische wereld. Een doorn in het oog van deze groeperingen zijn vervolgens de al dan niet gepercipieerde bezetters van islamitisch grondgebied. Dit betreft het Joodse volk in Israël, de NAVO-missie in Afghanistan, de aanwezige buitenlandse troepen in Irak, de Verenigde Naties en hun vertegenwoordigers, westerse ontwikkelingsorganisaties in islamitische landen en vanzelfsprekend katholieke of andere westerse religieuze missies die met de verspreiding van hun boodschap trachten om moslims over te halen de islam vaarwel te zeggen.
      De vijand ver weg omvat alle overheden die de vijand dichtbij steunen. Deze redenering gaat zelfs zover dat ze alle mensen die deze overheden democratisch gekozen hebben ook aansprakelijk stelt en dus onderdeel maakt van dit vijandbeeld. Zij zijn immers door hun stemgedrag medeverantwoordelijk voor de steun van hun overheid aan genoemde corrupte islamitische regimes en zijn dus ook medeverantwoordelijk voor de door jihadisten ervaren frustraties. Omdat de te bestrijden overheden in de islamitische wereld gebruikmaken van geweld, mensenrechtenschendingen, foltering en beperkingen van rechten en vrijheden, achten zij elk middel geoorloofd om hun frustraties wereldwijd aan de orde te stellen. Ergo: de enige taal die begrepen wordt is de taal van bruut geweld, desnoods ten koste van de betrokkene zelf.

      Overeenkomsten met andere narratieven

      In grote lijnen vertoont het zojuist beschreven en door jihadisten gebruikte narratief van de heilige strijd tegen onrecht en onderdrukking overeenkomsten met een aantal andere ideologieën. Zo geloven ook de marxisten dat de geschiedenis zich maar in één mogelijke richting kan bewegen: die van de heilstaat, waarmee het socialisme uiteindelijk de wereld zal veroveren – goedschiks of kwaadschiks. Ook het marxisme ging uit van een rechtvaardigheidsideaal. Binnen de marxistisch-leninistische partijen waren verkeerde interpretaties van de juiste leer uit den boze en waren staat en partij sterk hiërarchisch georganiseerd. Er zijn tevens overeenkomsten aan te wijzen met de fundamentalistische interpretaties van andere godsdienstige stromingen. Ook aanhangers daarvan zijn vaak overtuigd van de rechtvaardigheid; het eigen gelijk; de historische onontkoombaarheid en de noodzaak van een strijdvaardige opstelling jegens de ‘ander’ of de ‘ongelovige’.
      Er zijn zelfs elementen van deze onwrikbaarheid en expansiedrift te ontdekken in de opstelling van aanhangers van het modernisme. Immers, ook modernisten zijn soms van mening dat uiteindelijk de gehele wereldbevolking overtuigd zal worden van de rechtvaardigheid van de moderniteit. Het is niet ongebruikelijk om vanuit de moderniteit over traditionele maatschappijen te spreken als ‘achtergebleven’. Moderniteit is hiërarchisch in haar denken en heeft de neiging om het traditionele te definiëren als een noodzakelijke overgangsfase naar de gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid van de moderne samenleving. Ook de moderniteit kent een eigen dynamiek in haar expansiedrift. Veel hangt klaarblijkelijk af van het standpunt van waaruit de confrontatie van mogelijke wereldbeelden wordt bezien.

      Omgang met vermeende tegenstanders

      Maar er is meer, want behalve overeenkomsten met andere narratieven bestaan er natuurlijk ook belangrijke verschillen. Een waarschijnlijk essentieel verschil ligt in wat zou kunnen worden aangeduid met de term ‘narratieve flexibiliteit’. Hiermee wordt gedoeld op de mate waarin een overtuiging of systeem bereid is kritiek te incasseren, toe te laten en te accommoderen. Hierin bestaan duidelijk verschillende gradaties, waarbij ‘onderhandelen’ aan het begin en ‘decapiteren’ van tegenstanders aan het eind van het spectrum staat. Tussen deze uitersten bestaat een scala van mogelijkheden: van dialoog en onderhandelen, via overtuigen en bekeren, naar koloniseren en vervolgen, en van onderdrukken tot dehumaniseren, en zuiveren tot en met uitroeien. Van deze schakeringen kennen we voorbeelden uit het recente en verre verleden.
      Het eigen gelijk wordt ontleend aan bepaalde entiteiten waaraan veel waarde wordt gehecht. Een onfeilbare en almachtige God is daarvoor bij voorbaat en bij uitstek zeer geschikt. God belichaamt immers de begerenswaardigste eigenschap die mensen moeten ontberen: het almachtige en de foutloze volledigheid. Opvallend bij dit alles is echter dat het volste geloof in het eigen gelijk niet uitsluitend ontleend kan worden aan de onfeilbare God, maar dat dat geloof in eigen gelijk klaarblijkelijk ook aan anderen ontleend kan worden: aan vijanden die het geloof bestrijden en die de gemeenschap van ware gelovigen ondermijnen. Dat verschijnsel van bevestiging van het eigen gelijk ex negativo vinden we terug binnen het nationaalsocialisme en het marxisme, maar ook in de radicale marges van de verlichting, binnen het modernisme, het vrijemarktdenken en zelfs binnen de democratie.

      Contranarratief

      De vraag is welke antwoorden er mogelijk zijn op het narratief van de jihadisten. Dat is niet eenvoudig. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen verschillende doelgroepen en te onderkennen dat mensen die mogelijk ontvankelijk zijn voor de boodschap niet met dezelfde argumenten te bereiken zijn als de mensen die reeds de weg naar de keuze voor het geweld als middel hebben afgelegd. Het is tevens van wezenlijk belang om onderscheid te maken tussen een contranarratief dat vanuit de beweging zelf voortkomt en een tegengeluid dat afkomstig is van de potentiële targets. Het moge duidelijk zijn dat die laatste bijna altijd meer moeite zullen hebben om overtuigingskracht te verwerven dan de eerste.
      Een tegengeluid zal er op de eerste plaats op gericht moeten zijn om het isolement te doorbreken. Dat betekent dat het aangaan van een verbale confrontatie een belangrijke rol kan spelen. Het aangaan van de discussie, soms op eigen termen, soms op basis van signalen vanuit de gemeenschappen en met een luisterend oor, kan van belang zijn om zichtbaar te maken dat conflicthanteringsmechanismes voorhanden zijn die geweld overbodig en zelfs contraproductief maken. In die zin kan het doorbreken van isolement worden aangegrepen om narratieven te ontmaskeren. Het uitblijven van welke vorm van succes of resultaat dan ook van de gewelddadige politieke ideologie is een belangrijk element daarbij. Ook de posities en geloofwaardigheid van verschillende spelers zullen daarbij aan de orde moeten komen. Bestaande spelregels, de rechtsstaat, democratische en transparante politieke besluitvormingsprocessen zijn daarbij van groot belang als alternatief voor gewelddadige politieke actie. Deze aanpak heeft waarde op verschillende niveaus en kan gericht zijn op gemeenschappen en hun leiders, maar ook op individuen, mogelijke volgelingen of supporters van het gewelddadige politiek denken.
      Onderwijslocaties of andere (virtuele) ontmoetingsplaatsen van jongeren zijn belangrijke plaatsen van handeling waar geweldloosheid, genoemde conflicthantering en rechten en plichten van burgers aan de orde kunnen komen. Rechtsstatelijkheid is het centrale denkraam, waarbij het contranarratief er met name op gericht zal moeten zijn om een heldere en eenduidige ‘inclusiveness’ te laten ontstaan. Er zal een duidelijk onderscheid aangebracht moeten worden tussen degenen die radicaal zijn maar geen geweld willen gebruiken, en degenen die dat wel doen. Het gaat om de keuze voor of tegen rechtsstatelijkheid; voor of tegen debat, overleg en onderhandeling als oplossingen voor tegenstellingen.

      Wie zijn de actoren?

      De boodschap, of beter gezegd ‘tegenboodschap’, zal uitgedragen moeten worden door een aantal maatschappelijke actoren. Die spelers moeten aan een aantal voorwaarden voldoen: legitimiteit, geloofwaardigheid, integriteit en draagvlak zijn de zware eisen die aan dergelijke boodschappers gesteld moeten worden. Dat impliceert dat waar het gaat om de interpretatie van religieuze teksten, seculiere spelers en politici weinig geloofwaardigheid en positie hebben. De discussie over de interpretatie van de Koran of soera’s moet niet door overheidsvertegenwoordigers gevoerd worden. Het maatschappelijke middenveld kan daarin een rol spelen voor zover draagvlak en geloofwaardigheid gegarandeerd zijn. Politici en beleidsmedewerkers zijn belangrijk bij het realiseren van de insluiting, bij de confrontatie waar nodig, en uiteraard bij eventueel onderhandelen. Ook hier geldt echter dat het opbouwen van vertrouwen en geloofwaardigheid en het verwerven van een positie om de confrontatie aan te kunnen gaan, voorafgaan aan de inhoudelijke ‘tegenboodschap’.

      Strategische allianties

      In een aantal landen is de overheid allianties aangegaan met maatschappelijke actoren om het tegengeluid en het verspreiden ervan te verzekeren. Daaraan kleeft een aantal nadelen. Om te beginnen kan de geloofwaardigheid en de (perceptie van) onafhankelijkheid van de betrokken organisaties in het geding komen. Dat kan het maatschappelijk draagvlak aantasten. Vanzelfsprekend verliezen spelers daardoor aan invloed. Wanneer er in deze allianties niet zorgvuldig wordt omgesprongen met de onafhankelijkheid en de percepties van positionering kan de geloofwaardigheid op langere termijn afkalven, met als gevolg dat potentieel belangrijke maatschappelijke spelers niet meer effectief zijn. Er zijn verscheidene voorbeelden van organisaties die dit is overkomen. Indien zorgvuldig en met behoud van onafhankelijkheid vormgegeven, kunnen allianties en vormen van overleg tussen overheid en civil society wel degelijk effectief zijn. Duidelijk zal moeten zijn wat ieders rol is in dit proces, om zodoende te voorkomen dat civil society-organisaties zich wringen tussen gemeenschappen en de vertegenwoordigers van de overheid zelf. Pas wanneer er direct contact is tussen overheid en de betreffende gemeenschappen, wanneer er vertrouwen is opgebouwd en een ‘sense of inclusion’ wordt bewerkstelligd, kan er sprake zijn van een duurzaam besef, onderdeel uit te maken van de gemeenschap. Dat is de basis waarop overleg en discussie over de werkelijke kwesties kunnen plaatsvinden. Dat is de basis waarop signalen over mensen of groepen die zich op het gewelddadige pad begeven de overheid daadwerkelijk kunnen bereiken. Zo kan tevens worden aangetoond dat het gewelddadige discours ongefundeerd is.

    • James Kennedy: een reflectie op Hirsch Ballin en Knoope

      Ernst Hirsch Ballin en Peter Knoope hebben beide een zinvolle visie gegeven op de houding van de overheid jegens religie. Knoope wijst er terecht op dat de overheid zich moet realiseren dat absolutistisch denken van jihadisten en het geweld dat daar soms mee gepaard gaat, niet altijd zo religieus van aard is. Vaak blijkt religie slechts onderdeel te zijn van een bredere motivatie om de strijd aan te gaan. Vanuit onze westerse samenlevingen, die zozeer geseculariseerd zijn, zijn we gauw geneigd om religie te zien als de wortel van dit geweld. Maar Knoope erkent dat extremisme in allerlei vormen kan komen. Ook onze moderne samenleving kent allerlei teleologische denkbeelden, die dwingend aan anderen opgelegd kunnen worden. Ten slotte geeft Knoope ook aan dat ideeën er wel degelijk toe doen. Absolutistische narratieven – al dan niet religieus onderbouwd – moeten serieus genomen worden en met contranarratieven bestreden worden. Zijn wens om te komen tot een kritische uitwisseling tussen narratieven die stroken met de democratie en narratieven die op gespannen voet staan met de democratie, is een wezenskenmerk van een weerbare democratie.
      Ook Hirsch Ballin geeft in zijn betoog blijk van een goed oog voor de historische dimensies van de Nederlandse omgang met godsdienstige verschillen. Hij signaleert terecht dat orthodoxie niet gelijkgesteld kan worden aan politiek radicalisme, laat staan aan geweld, een neiging die in Nederland te sterk aanwezig is. Als christendemocraat houdt hij een zekere respectvolle afstand tot de persoonlijke, religieuze levenskeuzen van Nederlanders, terwijl tegelijkertijd blijkt dat hij heel goed weet wat religie betekent voor gelovigen. Hirsch Ballin benadrukt het belang van het opbouwen van kennis en netwerken en hij illustreert dit met het voorbeeld van Wilders’ film Fitna. In de weken voor de verschijning van deze film vond een vruchtbare uitwisseling plaats tussen de overheid en de moslimgemeenschappen in Nederland door gebruik te maken van bestaande kennis en netwerken. Zo sloeg de vlam niet in de pan.
      Toch kunnen er nog wel een paar kritische kanttekeningen worden geplaatst bij beide vertogen. Er kan nog wel meer worden gezegd over de radicale islamitische groeperingen dan zij hebben gedaan. Bovendien valt er nog wel iets af te dingen op hun veronderstellingen over de aard van de Nederlandse samenleving en de wijze waarop religie in de samenleving functioneert en zou moeten functioneren. Ik zal proberen dit aan de hand van drie verschillende punten te verduidelijken. Het eerste punt is gericht op het vertoog van Knoope, het tweede op dat van Hirsch Ballin, en het derde op beide vertogen.

      Het absolutistisch lezen van teksten

      Knoope legt uit hoe extremisten een narratief opbouwen op basis van een absolutistische logica die letterlijk uit teksten worden gehaald. Hij meent dat extremisten vooral erg tekstgericht zijn. Dit lijkt mij echter een te enge interpretatie van de werkelijkheid. In de moderne samenleving neigen we er snel toe om geloof te reduceren tot teksten en denkbeelden, terwijl de sociale aspecten van godsdienst worden gebagatelliseerd. Maar religie is altijd meer geweest dan een credo, een theologie of een tekstinterpretatie. Religie is ingebed in praktijken die aan de basis liggen van een sterke gemeenschap. Dat mogen we niet vergeten. Zelfs mensen met in onze ogen extremistische denkbeelden leven in een gemeenschap, waarin zij andere dagelijkse beslommeringen hebben en verantwoordelijkheden dragen; waar zij zorg moeten dragen voor hun partner, voor de opvoeding van hun kinderen of voor hun ouders. Het is dus heel belangrijk om te beseffen dat religie breder is dan geloofsteksten, dat zelfs fundamentalistische en extremistische gelovigen soms tegen grenzen aan lopen omdat zij aardse verplichtingen hebben.
      Maar dat is nu juist het probleem bij veel jihadisten. Voor velen van hen is religie niet ingebed in de sociale praktijk en geworteld in de gemeenschap. Het zijn dikwijls jonge mensen die zich ontheemd voelen. Met of zonder hun ouders proberen zij te overleven buiten de traditionele gemeenschappen in moslimlanden om zich te vestigen in westerse samenlevingen, maar lopen daar vaak tegen muren op. Zij zijn vaak niet goed ingevoerd in de fijnzinnigheden van hun eigen godsdienst. In hun onzekerheid zoeken zij naar antwoorden in bewegingen die zowel radicaal als vluchtig zijn. En soms vinden zij inspiratie in gemeenschappen waar geweld niet wordt geschuwd. Veel van deze jonge en ontheemde moslims worden gerekruteerd in landen als Jemen of Somalië, om daar verder opgeleid te worden. Religie is dus niet het allesbeheersende motief voor deze jonge moslims. Religie wordt door hen gebruikt als extra motivering in hun strijd tegen het Westen, dat hen in de steek heeft gelaten.
      Recent onderzoek in de Verenigde Staten wees uit dat mensen die waren verdacht of veroordeeld vanwege de moord op presidenten of maatschappelijke leiders vaak één ding gemeen hebben: het zijn allemaal nobody’s, minkukels in eigen ogen. Maar dat zeggen ze niet hardop. Ze hebben allemaal een politieke rechtvaardiging voor hun handelen, die ze presenteren als de belangrijkste motivatie voor hun daad. Toch blijkt uit gesprekken dat het hun vaak te doen was om de aandacht, dat zij gedreven waren door de wens om gezien te worden, om van betekenis te zijn. Denk aan Lee Harvey Oswald, de vermoedelijke moordenaar van president John F. Kennedy, maar ook aan majoor Nidal Hasan, die op de Amerikaanse basis in Fort Hood, Texas vele soldaten doodschoot en verwondde.
      Gevoelens van persoonlijke vervreemding en miskenning vormen belangrijke drijfveren voor gewelddadige extremisten. Natuurlijk kunnen bestaande netwerken van jihadisten en gewelddadige websites buitengewoon activerend zijn voor deze individuen. Geradicaliseerde gemeenschappen – virtueel en werkelijk – spelen dus zeker een belangrijke rol. Maar ik denk dat het belangrijk is om te beseffen dat radicaal geweld niet alleen voortkomt uit een religieuze gemeenschap, maar soms ook een teken is van gebrek aan worteling in een religieuze gemeenschap. Wij denken te snel dat gewelddadig moslimfundamentalisme wordt veroorzaakt door islamitische retoriek, terwijl dat vaak alleen een indirecte invloed heeft. Meestal hebben we te maken met individuen die een rechtvaardiging zoeken voor hun daden, terwijl veel gelovigen die wel geworteld zijn in de moslimgemeenschap een gematigde koers kiezen om hun onvrede te uiten.

      Historisch Hollands wantrouwen

      Hirsch Ballin heeft een te rooskleurig beeld geschetst van de religieuze geschiedenis van dit land. De laatste godsdienstige rel die hij expliciet noemt is het Psalmenoproer van 1776, een kortstondig conflict onder gereformeerden over de invoering van een nieuwe berijming. Zijn punt is dat dergelijke opwellingen van religieuze onrust natuurlijk op zijn gekomen in de verder tamelijk kalme, verdraagzame religieuze geschiedenis van Nederland. Zijn kritiek is dat Nederlanders in deze tijd de weg zijn kwijtgeraakt. Ooit was dit een land waar Nederlanders om konden gaan met religieuze verschillen, omdat iedereen eens deel uitmaakte van een religieuze minderheid. Maar nu is de kennis weggezakt. We weten te weinig over religie en daardoor is de intolerantie toegenomen. Godsdienstvrijheid staat niet meer zo hoog in het vaandel als vroeger. Hirsch Ballin heeft wel een punt: Nederland is ondertussen een land geworden waar een seculiere meerderheid de scepter zwaait.
      Maar ik vrees dat het huidige wantrouwen tegenover gelovigen die hun geloof niet binnenskamers kunnen houden niet een breuk is met het verleden, maar een voortzetting ervan. De laatste eeuwen konden zowel de burgers als de overheid weinig goeds zeggen over de godsdiensten van andersdenkenden. De Nederlandse samenleving wordt niet gekenmerkt door een algemene, vage civil religion, zoals de Amerikaanse samenleving. Iedereen die een beetje religieus is, wordt al snel deel van zo’n samenleving. In Nederland houden we niet van een religieus sausje. Het wordt snel een stevige discussie, waarbij de verschillen van inzicht worden uitvergroot. Daarom werd de islam in de Nederlandse samenleving minder gemakkelijk geaccepteerd.
      Denk maar terug aan de vijandschap die vanouds heeft bestaan tussen katholieken en protestanten, die tot aan de jaren zestig een stempel heeft gedrukt op het publieke en private leven in Nederland. Zelfs na de formele scheiding van kerk en staat in achttiende eeuw werden politieke banen stelselmatig aan katholieken ontzegd. De Aprilbeweging van 1853 liet duidelijk zien dat protestanten zich nog allerminst hadden verzoend met de vrijheid van katholieken in de samenleving. De Nederlandse Hervormde Kerk kon nog tot de jaren veertig en vijftig van de twintigste eeuw protest aantekenen tegen de (gedeeltelijke) opheffing van het processieverbod. In veel gemeenten bleven de katholieke processies verboden tot 1983. En de katholieke mobilisatie was gericht tegen de dominantie van protestanten in de wereld rondom. Daarnaast waren er botsingen tussen de katholieke hiërarchie en de leken en tussen de protestantse dominees en het kerkvolk, tussen mensen die een sterke scheiding van kerk en staat nastreefden en hen die juist een sterke rol zagen weggelegd voor de kerken in het maatschappelijke en politieke leven. Dus Nederlanders zijn er misschien wel eeuwenlang in geslaagd om godsdienstige rellen te voorkomen, maar de verhouding tussen de religies bleef ongemakkelijk en was verre van ontspannen. Er was zeker niet sprake van geestverwantschap.
      Omdat Nederland nooit een staatskerk heeft gehad (wel een bevoorrechte geloofsgemeenschap, maar geen officiële staatskerk), kwam de overgang naar een pluriform stelsel waarschijnlijk wat gemakkelijker tot stand dan elders. Maar de overheid heeft wel altijd geprobeerd om religie in goede banen te leiden. Tot 1871 bestond er een Ministerie of Departement van Eredienst. En tot het einde van de twintigste eeuw betaalde de overheid traktementen van geestelijke leiders. Ook nu worden allerlei religies door de overheid gestructureerd, zodat zij vertegenwoordigd kunnen worden in overlegorganen. Dit wordt ook door Hirsch Ballin erkend en positief gewaardeerd.
      Uit zorg over de kwalijke gevolgen van wanorde, is er dus altijd een zekere mate van overheidsinmenging in godsdienst geweest in Nederland, niet alleen aangaande het houden van processies, maar ook over de plek van nieuw te bouwen kerken en de afstand tussen kerkgebouwen (zodat gelovigen niet met elkaar op de vuist zouden gaan). Er is regelgeving over het dragen van ambtelijke gewaden in de publieke ruimte, en op lokaal niveau over klokgelui en gebedsoproepen. Deze voorbeelden getuigen van de spanning die in de geschiedenis heeft bestaan tussen godsdiensten. In dat opzicht maakt Nederland deel uit van een Europees patroon: de overheid houdt een oogje in het zeil bij religie. Maar in Nederland onderhield de overheid ook innige banden met religieuze organisaties, vooral in de hoogtijdagen van de verzuiling. De sporen van die tijd zijn nog steeds te zien in het subsidiebeleid. En hoewel de overheid als neutrale overheid vaak heeft geprobeerd om elke religieuze groepering gelijk te behandelen, is het toch wel duidelijk geweest dat de ene religie de goedkeuring van de overheid meer kon wegdragen dan de andere. De overheid probeerde dus om religie enigszins te sturen. Die neiging komt weer boven zodra de veiligheid in het gedrang lijkt te komen. Daarom probeerde de Amsterdamse overheid enkele jaren geleden een gematigde versie van de islam te stimuleren in haar stad. In deze tijd van veiligheidsbedreigingen heb ik daarom minder vertrouwen in de overheid dan Hirsch Ballin, die ervan overtuigd is dat de overheid altijd voldoende afstand zal bewaren ten opzichte van religieuze organisaties.

      Godsdienst: nut of bedreiging?

      Mijn laatste punt van kritiek gaat over de neiging om godsdienst vooral te zien als ‘bedreiging’ of als ‘ontzorger’ voor de samenleving. In het eerste geval kan godsdienst de samenleving ontwrichten door polarisatie in de hand te werken. In het tweede geval worden religieuze gemeenschappen gezien als een kostenbesparing voor de samenleving, omdat zij zorgen voor de leden van hun gemeenschap en de overheid in dat opzicht ontzorgen. Maar we kunnen religie ook waarderen vanwege haar bijdrage aan een levendige democratie. Door de radicale kritiek op de samenleving van gelovigen kan het maatschappelijk debat een diepere lading krijgen en gestimuleerd worden door afwijkende zienswijzen. Religieuze gemeenschappen kunnen contrasterende gemeenschappen zijn die de samenleving een spiegel voorhouden.
      Het huidige politieke klimaat roept vooral op tot integratie. Godsdienst en gelovigen mogen zich best manifesteren in de samenleving, maar alleen binnen geaccepteerde kaders. Als zij zich daarbuiten ook roeren, wordt dit snel gezien als ongewenst. Maar de provocerende kant van religieuze groeperingen moet niet zo snel de kop in worden gedrukt. Soms is het noodzakelijk om je met een zekere felheid te keren tegen de overheid, en kan dat een teken zijn van burgerlijke verantwoordelijkheid. Te mogen handelen vanuit je geweten is een belangrijk onderdeel van de westerse traditie. Mensen hebben het recht om zich te verzetten tegen menselijke autoriteiten. Knoope stelt dat het een probleem wordt wanneer een ideologie ervan uitgaat dat ‘het godsbesef gewichtiger is dan de gehoorzaamheid aan de staat. Dat wat door God is geschreven staat in hiërarchische termen boven de door mensen gemaakte wetten en regels.’ Dat is zo en dat kan gevaarlijk zijn. Maar er zijn ook seculiere, politiek-ideologische bewegingen die denken dat zij de regels aan hun laars kunnen lappen en zich niet hoeven te houden aan overheidswetgeving. We moeten beter beseffen dat mensen in de westerse samenleving vrijheid van geweten, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging hebben. En participeren in deze samenleving betekent dus dat mensen zich soms verzetten tegen vastgestelde regels. Dat zij daarvoor gestraft kunnen worden, nemen ze voor lief. Maar westerse vrijheden blijven overeind voor iedereen, religieus of niet.


Print dit artikel